is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 21, 28-05-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

derwijzer nog van de taalles terechtbrengt Op andere polders spreken de kinderen thuis allen Hindi. Hier maakte ik het mee, dat een Hindoestaanse onderwijzer af en toe een woord uit de eigen taal vertaalde.

Over het geheel genomen vormen op gemengde scholen de Hindoestaanse leerlingen bij het taalonderwijs het moeilijke element. In andere vakken kunnen ze goed meekomen, maar hier ontbreekt een goed fundament.

Men tracht nu in deze moeilijkheid te voorzien, door kleuterscholen op te richten, waar de Hindoestaanse en Javaanse kinderen de Nederlandse taal leren, zodat de lagere school op dit punt niet zulke moeilijkheden meer oplevert. Spelenderwijze wennen de kinderen zo aan de taai. We hebben in de omgeving van de stad thans verscheidene scholen met zo’n kleuteronderbouw. Maar in Nickerie is men hieraan nauwelijks toe.

Het samenbrengen van kinderen van zoveel verschillende rassen in één school spreekt sterk tot onze verbeelding. Het is één van de mooie dingen van dit boeiende land. Maar het is ook een bron van moeilijkheden en conflicten.

Het Europese kind heeft het in deze omgeving niet gemakkelijk. Het verkeert in een minderheidspositie en voelt zich daardoor vaak gedrukt. Daaraan kan zelfs de beste medewerking van een onderwijzer niet altijd alles veranderen. Ook wanneer de klasgenoten een kind graag mogen, blijft het gevoel, minderheid te zijn. Het kind leeft hier nu eenmaal in een andere wereld, waarin allerlei dingen vanzelfsprekend zijn, die het voor hem niet zijn. Het is geen wonder, dat men wel eens

gesproken heeft over een eigen Europese school. Maar dat zou het isolement alleen versterken en het samen optrekken met al die anderen heeft toch ook iets aantrekkelijks. Al vergete men niet, dat die aantrekkelijkheid makkelijker wordt gezien door de ouders en door de buitenstaanders dan door de kinderen zelf. Op den duur (vooral na de lagere-schoolleeftijd) sturen veel Nederlanders hun kinderen toch naar Nederland. Of ze gaan zelf mee. Dat is een feit, waaraan tot nu toe de beste bedoelingen niets veranderen. Het is een feit en geen verwijt aan wie dan ook. Met superioriteitswaan van de Europeaan heeft dit niets te maken.

De school stelt ons voor een interessante, maar moeilijke wereld. PaS’langzaam krijgt mênTêts van de moeilijkheden door. De Chinezen sturen hun kinderen graag naar roomse scholen, omdat ze gesteld zijn op gescheiden onderwijs naar de seksen. Daardoor heeft de missie bij hen een goede kans.

Ik zou onbillijk zijn, als ik niet vertelde over de leesmethode van Anne de Vries met de aardige illustraties van Corry van der Baan. Deze boekjes doen het hier goed, ook al zijn er principiële bestrijders. Maar men mag dit werk gerust aanhalen als een teken met hoe grote ernst er wordt gewerkt aan een eigen vorm voor het Surinaamse onderwijs.

De Surinaamse school. Ik ben me bewust, dat ik veel vergat. Zo had ik moeten spreken over het Bosland, waar geen gewone scholen zijn, maar waar hernhutters en roomsen eigen boslandscholen hebben met geringe steun van de overheid. Deze steun is juist iets verhoogd, maar men kan toch slechts met de diepste eerbied spreken over hen, die hier onder moeilijke omstandigheden nog veel weten te bereiken.

En misschien moest ik vertellen over Mulo en Ulo (de eerste reikt hier hoger dan de tweede), over de technische school.

die een nieuw gebouw krijgt en over de Algemene Middelbare School (AMS), die een bovenbouw geeft op de Mulo en waarvan het einddiploma gelijk staat met dat van de Nederlandse HBS.

De geneeskundige school en de rechtsschool vallen buiten ons kader. Nogmaals, het bovenstaande is onvolledig. Maar voor een indruk is het misschien voldoende.

Paramaribo

J. A. VAN DER MEIDEN

De heer en mevrouw

DRIJSER

De heer en mevrouw Drijser bewoonden sinds mensenheugenis een onbewoonbaar verklaard huis, waarvan alle kamers maar één raam hadden. Overigens was het huis net als alle andere. De ramen zagen uit op een vlakte die volkomen kaal was; slechts een paar schuttingen waar wat groen omheen knabbelde, verbraken de troosteloosheid van het landschap. Rondom de schuttingen speelden ’s avonds en ’s nachts grote troepen konijnen, die zich overdag in de vele holen van het terrein schuil hielden.

Het tweetal had weinig contact met de mensen uit de omtrek. Drijser dreef een bescheiden handel in getallen, die hij op een klein vrachtwagentje in zakken bij zijn klanten rondbracht. Hij was een onopvallende figuur, en met uitzondering van zijn liefhebberij was er niets bijzonders aan hem.

Elke nacht om ongeveer 12 uur stond de heer Drijser op, begaf zich naar de middelste kamer van de eerste verdieping en opende het raam. Dan stak hij een zoeklicht aan, dat hij gebouwd had uit oude carbidlantaarns en spiegels, en richtte het op de dorre uitgestrektheid voor zijn huis. Dat was zo zijn gewoonte geworden en derhalve zijn liefhebberij. Hij kon het niet meer laten, hoewel hij reeds lang op de schutting en de konijnen uitgekeken was. Soms volgde zijn vrouw hem naar de carbidkamer, zoals het vertrek vanwege de lucht genoemd werd, doch alleen als zij door slapeloosheid werd gekweld.

Het huwelijk van de Drijsers was uiterst gelukkig: zij dachten over alle dingen gelijk, hielden allebei van dezelfde kostjes en waren allebei licht rheumatisch. Alleen op één punt waren ze het niet eens. De heer Drijser droeg voor het linkeroog een lapje, dat dateerde uit de tijd dat hij een oogontsteking had. Toen de ontsteking reeds lang voorbij was, had hij het echter laten zitten, omdat hij het oog als reserve wilde houden. Men kon nooit weten, betoogde hij.

Zijn vrouw, die hij ook tot deze levensgewoonte wilde overhalen, kon of wilde hem in dit opzicht niet volgen, hoewel zij er eigenlijk volgens de wet toe verplicht was.

Dit meningsverschil was een schaduwzijde van hun overigens zo gelukkig huwelijk. Ach, placht mevrouw Drijser te zeggen, het is natuurlijk vervelend, maar overal is wel eens wat. En daar had ze gelijk in.

Midden op de vlakte, vrijwel recht tegenover het huis stond een paal. Hij stond er

al toen de Drijsers het huis betrokken en de heer Drijser had hem op een van zijn eerste verkenningstochten dan ook reeds spoedig bemerkt.

Als een intuïtief man had hij onmiddellijk de diepere betekenis van die van oudsher aanwezige paal begrepen. Op een nacht waarin zijn vrouw hem gezelschap had gehouden, had hij zijn zoeklicht op de paal gericht en terwijl zijn vrouw bij de lampen de wacht hield, was hij met een hamer naar buiten gegaan en had een spijker precies midden op de paal geslagen. Vanaf dat ogenblik was de spijker het punt geweest waarop hij zijn zoeklicht oriënteerde. Hij construeerde een gradenboog bij zijn zoeklicht, die op nul stond als hij het licht op de spijker richtte. Vanuit deze nulstand verrichtte hij allerlei metingen op de schuttingen en de konijnenholen. Ook wist hij het zelfs zo ver te brengen, dat hij de snelheid van een vluchtend konijn ermee kon meten.

Hoe lang deze arcadische toestand al duurde kon geen mens zeggen. De Drijsers konden noch wensten zich iets anders. Maar er gebeurde ten slotte toch iets wat noodlottig voor hun verblijf zou worden.

Op een dag toen Drijser van zijn dagelijkse route terugkwam zag hij dat er een circus op de vlakte gearriveerd was. Er stonden wagens en tractors in een troep bijeen en men was reeds bezig het skelet voor de tent op te zetten. De eerste auto die was aangekomen, vertelde zijn vrouw, had gestopt bij de paal en daarna was de rest komen aanzetten.

Enkele dagen later toen hij een voorstelling bijwoonde constateerde Drijser tot zijn verbazing dat de paal als mathematisch middelpunt van de tent was gebruikt. Met de directeur van het circus had hij een gesprek over de vraag waarom de tent nu juist daar gebouwd was. Het onderhoud bevredigde hem niet en hij bleef peinzen over het merkwaardige samenvallen van de paal met het middelpunt van de tent.

Omdat het geen zin had zijn experimenten voort te zetten zonder een behoorlijk uitgangspunt had de heer Drijser zijn nachtelijke liefhebberijen tijdelijk opgegeven. Ten slotte zou het circus er niet eeuwig blijven.

En inderdaad, enige tijd na zijn aankomst was het verdwenen even snel als het gekomen was.

’s Nachts daarop ging Drijser, zoals gewoonlijk, weer naar de carbidkamer. Het was een donkere nacht, uiterst geschikt voor allerlei moeilijke metingen. Hij stak onmiddellijk het zoeklicht aan en zette het in de nulstand. Daarna liep hij naar het raam en probeerde te zien of de lichtbundel de paal verlichtte. Tot zijn verwondering kon hij hem echter nergens vinden. Hij haalde snel het lapje van zijn linkeroog dat, blij ook weer eens in actie te komen, gretig de vlakte afzocht. Maar nog zag hij de paal niet. Toen deed Drijser iets wat hij nog nooit gedaan had: hij stampte op de vloer. Zijn vrouw, die juist was ingeslapen, schrok wakker en haastte zich naar boven. Zij vond haar man nerveus bezig de