is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 28, 16-07-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

/ den Heef I behoort de aarde I en haar \ volheid. \ Psalm 24:1 >

fljd en Taak

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME

VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR – 52STE JAARGANG VAN „DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 16 Juli 1955 No. 28

Redactie: ds. J. J. Buskesjr. ds. L. H. Ruitenberg dr. J. G. Bomhoflf

Redactie-Secr.: Roerstraat 48® Amsterdam-Zuid Telefoon 724386 p/a dr. J. G. Bomhoflf

Vaste medewerking van prof. dr. W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen dr. M. V. d. Voet ds. H.J.deWijs MeJ. dr. M. H. v. d. Zeyde e.a.

bonnement perjaarf 5,—; halfjaar f 2,75; kwartaalJ I,soplus f 0,15 incasso. Losse nrs f 0,15; Postgiro 21876; Gem.giro V 4500; Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, Amsterdam-C; Postbus 800

DODENHERDENKING

Wanneer wij de bevrijding herdenken, herdenken wij ook onze gevallenen. Die dodenherdenking is een vast punt op ons bevrijdingsprogram geworden. Intussen wordt het getal van hen, die met deze dodenherdenking geen weg weten, steeds groter.

In De Groene Amsterdammer vertelt Olie Strandberg over zijn ontmoeting met de neger Richard Wight in Parijs. Samen met Wight bezocht hij de Notre Dame. Er werd een missie-tentoonstelling gehouden. Het orgel dreunde en de koorknapen bewogen zich in een nimmer ophoudende reidans in het koor. Een vriendelijke priester liep met Strandberg en Wight mee en gaf uitleg. Strandberg merkte, dat Wight op een goed ogenblik niet meer naar de priester luisterde. Hij stond alsof hij versteend was te kijken naar een plaquette aan een der pilaren. Op die plaquette stonden de woorden gegrift: Ter ere’van God en ter herinnering aan de tien millioen gevallenen van de eerste wereldoorlog! Ik begrijp er niets van, zei hij hoofdschuddend.

Aan die uitlating van Richard Wight moest ik denken, toen ik in het Juni-nummer van „De Denker” een artikel „Dodenherdenking” las.

De meeste lezers van „Tijd en Taak” zulleh „De Denker” wel niet kennen. Zij zullen weinig wijzer worden, wanneer ik hun vertel, dat in de kop van het blad staat, dat het een orgaan „voor denkende Nederlanders” is. Ook niet, wanneer ik hun meedeel, dat rechts in die kop een afbeelding van Rodins Denker werd geplaatst en links het woord van Pascal: „Het denken is de grootheid van de mens”. Zij zullen echter wel iets wijzer worden wanneer zij horen, dat „De Denker” een blad van en voor politieke delinquenten, wil men van en voor voormalige nationaal-socialisten, is.

Dat woord voormalig is intussen wat voorbarig. Dat blijkt in elk geval heel duidelijk uit het artikel „Dodenherdenking”, dat op de voorpagina onder het woord van Pascal en die afbeelding van Rodins Denker gepubliceerd wordt.

„Ja, wij willen onze doden herdenken”. Dat is het begin van de eerste zin, maar uit het slot van die eerste zin blijkt, dat het de schrijver uitsluitend om de nationaalsocialistische doden te doen is: „Wij willen onze doden herdenken, die vielen in de strijd op leven en dood met de bolsjewieken”.

Zij vielen voor een nieuw socialistisch dat staat er, maar bedoeld wordt: een nieuw nationaal-socialistisch Europa! Het smartte hun zeer, dat ons arm volk, stelselmatig vergiftigd en bedwelmd door haatbacUlenzaaiers, niet zag, wat ons Avondland bedreigde. Zij zeiden: „Straks, als het te laat is, moeten, of ze willen of niet, onze Hollandse jongens met die verdoemde Moffen de weg gaan, die wij tijdig en dus niet te laat vrijwillig zijn ingeslagen”.

Onze helden bleven Nederlanders van hart en zij, de 40.000, hebben het offer van hun leven gebracht.

„De Denker” herdenkt deze 40.000 ook uw 40.000, mijn arm Nederland, zegt de schrijver en hij haalt er een bijbeltekst bij: Niemand heeft groter liefde dan wie zijn leven geeft voor de broeders! En nu stijgt door de bloedige graszoden, hun klagende stem: Wij gaven ons leven, maar waar blijft uw liefde, uw dankbaarheid, uw trouw?

„De Denker” geeft op deze vraag dit antwoord: Wij zullen onze 40.000 nooit verraden in de dood, en: Moge het eeuwige licht van Gods genade onze dierbare gevallenen beschijnen in rust en zaligheid, en: Eens ontwaakt uit de grauwe wrede droom, zal ons volk dankbaar met ons in liefde onze 40.000 herdenken; dan is het recht en de eendracht in ons volksleven hersteld; dan draagt het bloed van onze 40.000 offeraars dankbare vrucht, ons volk en de mensheid tot heil!

Zo’n artikel zet een mens als vanzelf aan het denken. Het werd immers in een blad „voor denkende Nederlanders” gepubliceerd. De redacteuren en de lezers van „Tijd en Taak” willen Pascal en Rodin niet

graag afvallen. En, al denkende, dacht ik aan de millioenen Joden, die met medewerking en in elk geval met goedkeuring van deze Nederlandse 40.000 offeraars door de nazi’s vermoord werden. Ik kan het heus niet helpen, maar denkende aan die millioenen vermoorde Joden vind ik zo’n dodenherdenking van „De Denker” een godslasterlijke geschiedenis. Met Richard Wight zou ik hoofdschuddend willen zeggen: Ik begrijp er niets van!

Niets is in dit verband misschien iets te veel. Ik begrijp er toch wel iets van. Dat éne zirmetje: „Straks, als het te laat is, moeten onze Hollandse jongens, of ze willen of niet, met die verdoemde Moffen de weg gaan, welke wij tijdig en dus niet te laat vrijwillig zijn ingeslagen” zit mij dwars. Ik geloof er niets van, dat die 40.000 offeraars dat gezegd hebben. Die woorden legt „De Denker” him nu, achteraf, in de mond. Dat die man dat kan doen, is onze schuld. En ik denk aan wat Karl Barth gezegd heeft: „Wij hebben oorlog gevoerd om Duitsland te ontwapenen en nu, enkele jaren na de oorlog, gaan wij de Duitsers weer herbewapenen, dat is het immorele van de politiek van het Westen”.

Zo’n artikel van „De Denker” lijkt natuurlijk nergens op. Maar „De Denker” zou het niet hebben kunnen schrijven, indien dat immorele van de politiek van het Westen niet een afschuwelijke werkelijkheid was.

Zou het ook kunnen zijn, dat ons denken, dat van „De Denker” en dat van ons, vergiftigd is en steeds meer vergiftigd wordt?

Het denken is de grootheid van de mens. Dat heeft Pascal inderdaad gezegd, maar hij heeft nog heel wat meer over het denken gezegd.

Deze grootheid van de mens wordt levensgevaarlijk, indien dat denken losraakt van zijn oorsprong. Dan is de mens in zijn denken in zijn waan, zou Schiller zeggen het verschrikkelijkste van het verschrikkelijke, ook al beroept hij zich op Pascal en al dweept hij met Rodins Penseur. J. J. BUSKES Jr.