is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 34, 03-09-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HEERING en zijn anti-militarisme

In verschillende bladen heeft men prof. Heering herdacht. Banning deed het op fijnzinnige wijze in Tijd en Taak. Terecht zegt hij, dat Heering, al behoorde hij niet tot onze engere kring, toch van harte aan onze kant stond. Vele malen heeft Heering mij verzekerd, dankbaar te zijn, dat Tijd en Taak er was.

In Vrij Nederland heeft ds. De Jong een „In Memoriam” geschreven, waarbij ik een enkele kanttekening wil maken, niet om een discussie uit te lokken over een „In Memoriam” discussieer ik liever niet en zeker niet over dit van ds. De Jong, dat met zo grote waardering geschreven is maar om enkele misverstanden, die zich dreigen vast te zetten, uit de weg te ruimen.

Ds. De Jong zegt, dat het anti-militaristisch getuigenis van Heering in de jaren tussen de beide wereldoorlogen de doem van zijn leven is geweest. Pas na de oorlog zou dat anders geworden zijn. Toen werd het gesprek van Heering met zijn tegenstanders een gesprek op gelijk niveau. Voor de oorlog zou Heering ook geen partners van enig postuur hebben gehad. Hij stond bijna alleen ondanks alle toeloop en bijval, die dikwijls van een sentiment waren, dat weinig gemeen had met zijn geloofsprotest.

Ik heb Heering goed gekend, bijna van de oprichting van Kerk en Vrede af. Daarom meen ik te mogen en te moeten zeggen, dat het beeld, dat De Jong van hem geeft een vertekend beeld is. Dat is op zich zelf al te betreuren. Maar het gevolg is bovendien, dat men zo een onjuiste kijk krijgt op het christen-antimilitarisme in Nederland.

Wanneer het anti-militaristisch getuigenis tegen oorlog en oorlogstoerusting de doem van Heering was, dan is het dat tot aan het einde van zijn leven geweest. Ik zou dat woord doem echter willen vermijden. Heering zelf zou het zeker niet gebruikt hebben. Het was veel meer verdriet, niet omdat hij niet begrepen werd, maar omdat het evangelie van Christus miskend en verloochend werd. Dat verdriet is gebleven tot het laatste toe, al was Heering dankbaar, dat het oorlogsvraagstuk de laatste jaren opnieuw aan de orde kwam en er naar het getuigenis van Kerk en Vrede gevolg van de veranderde situatie op een nieuwe wijze geluisterd werd. In de laatste druk van „De zondeval van het christendom” zegt hij: „Er is, Gode zij dank, in de kerk wat veranderd. Al is het nog lang geen dag, het begint toch te dagen. Want er is morele verontrusting gekomen. De kerken voelen zich niet langer door het bestaan van Kerk en Vrede gecompromitteerd, maar erkennen openlijk de noodzakelijkheid van deze geloofsgemeenschap, al was het alleen maar om de gewetens te wekken”. Tegelijkertijd zegt hij: „Het blijft een bedroevend en bedenkelijk feit, dat de Protestantse kerk in dit hachelijk tijdsgewricht geen eenstem-

mig en duidelijk antwoord heeft op de vraag, die steeds meer in de christelijke gewetens is gaan branden: mag een christen meedoen en mag de kerk haar sanctie geven aan de moderne, totale oorlog, voor welk doel ook gevoerd?” En hij bleef waarschuwen, in de hoop, dat de kerk eindelijk zou opstaan uit haar val, waarin ze sinds eeuwen amechtig neerlag. Er is haast bij, want de bijl ligt reeds aan de wortel van de boom, de boom onzer beschaving en de boom van ons christendom. Nog enkele slagen en de boom wordt omgehouwen en in het vuur geworpeij.

Ik geloof, dat De Jong zich ook vergist, wanneer hij zegt, dat het gesprek van Heering en zijn tegenstanders pas na de wereldoorlog een gesprek op gelijk niveau is geworden. Daar is geen fundamenteler en hoogstaander discussie over het oorlogsvraagstuk in het algemeen en „De zondeval van het christendom” in het bijzonder gevoerd geworden dan tussen prof. Heering aan de éne en de professoren Scholten, Aalders en Anema aan de ander kant. Dat was lang voor de oorlog en er is geen sprake van, dat dit niet een gesprek op gelijk niveau was.

Dat er een tijd was, dat Heering amper partners van enige postuur had en bijna alleen stond, is wel een heel groot misverstand, tenzij De Jong onder partners van postuur iets anders vefstaat dan ik het doe. Ik zou haast geneigd zijn, het tegendeel te beweren. Het zal De Jong moeilijk vallen op het ogenblik geestverwanten van Heering te noemen, die in postuur vergeleken kunnen worden met zijn meest trouwe medestanders van vroeger. Ik denk aan de doopsgezinde ds. A. K. Kuiper, een aristocraat van geest en intellect, de oud-katholieke prof. Van Riel, een zeer bekwaam man, de vrome ds. Wartena, een discipel van Blumhardt en een vriend van’ Gerritsen, de hervormde ds. Sevenster, de bekende Friese predikant, oud-vrij zinnig man van een vroomheid en een zuiverheid, zoals ik ze zelden in mijn leven ontmoet heb, Hilbrandt Boschma, die als godsdienstonderwijzer op zijn eentje meer betekende dan honderd predikanten, wat mij betreft gepromoveerde erbij. Ik zou in het heden geen partners van Heering kunnen noemen, die men met deze mannen vergelijken kan. Heering heeft nooit alleen gestaan. De toeloop en bijval, over welke De Jong spreekt, hadden niet zo veel om ’t lijf. Zeker, we hadden in de jaren, waarin de nationale ontwapening op het program van enkele grote politieke partijen stond en de antimilitaristische gezindheid ook in de kerk sterk was in de twintiger jaren prachtige en druk bezochte getuigenissamenkomsten. Goed, toeloop en bijval. Maar wie deze getuigenisavonden heeft meegemaakt ik denk aan de grote samenkomst in de Die-

rentuin in Den Haag en aan die in de Vrije Gemeente in Amsterdam zal er zich wel voor wachten te zeggen, dat die toeloop en bijval van een sentiment waren, dat weinig met het geloofsprotest van Heering gemeen had. Men vergete niet, dat in die jaren mannen als ds. Tromp, prof. Miskotte, prof. Van Rhijn en zo maar voort, leden van Kerk en Vrede waren, De Jong vergeet bovendien, dat de samenkomsten van Kerk en Vrede nooit politieke vergaderingen zijn geweest. Het waren altijd getuigenisavonden en het getuigenis had het evangelie tot inhoud. Tegenover Kerk en Vrede bleven de politici altijd*gereserveerd en de anarchistische en individualistische elementen vonden Kerk en Vrede te christelijk en te kerkelijk. Onze getuigenisavonden werden gestempeld door ons gebed en ons lied, door de prediking van het evangelie in de eerste plaats.

Heering was in zeker opzicht een wat geisoleerde en eenzame figuur, maar dat had weinig te maken met zijn anti-militaristische overtuiging. Dat hing samen met zijn karakter en zijn persoonlijkheid. Dat hij vanwege die overtuiging belaagd, bespot en genegeerd zou zijn, is zeker niet juist. Zelf zegt hij, dat hij, toen hij anti-militarist werd, vele halve vrienden verloren heeft, maar er enkele hele vrienden voor in de plaats kreeg, op wie hij voortaan rekenen kon. En in Kerk en Vrede beleefde hij iets van de oecumene lang voordat er in ons land van een oecumenische beweging sprake was. Hij was verder van een geestelijk en wetenschappelijk formaat, dat ook de meest felle tegenstander erkenning van zijn wetenschappelijke betekenis en eerbied voor zijn persoon afdwong. Slechts een heel enkele keer was hij verontwaardigd over een laag bij de grondse bestrijding, maar over miskenning heb ik hem nooit horen klagen en dat hij zich ooit belaagd zou hebben gevoeld, ontken ik ten sterkste.

Wat hem irriteerde vroeger en nu was de houding van hen, die heel rustig de oorlogstoerusting en zo nodig de oorlog aanvaardden, maar beweerden, dat zij heel dankbaar waren dat Heering en Kerk en Vrede er waren. Dan had hij het gevoel, dat hij op een vriendelijke en stichtelijke wijze aan kant werd gezet. Serieuze tegenstanders waren hem liever. Dan wist hij, dat er gestreden moest worden om de waarheid, die vrijmaakt.

Wanneer ooit het leven van Heering beschreven en de geschiedenis van Kerk en Vrede te boek gesteld zal worden, kunnen wij het beeld, dat De Jong in zijn „In Memoriam” gegeven heeft, niet gebruiken. Hij heeft dat beeld met grote waardering voor de persoon van Heering getekend, maar het is een vertekend beeld.

J. J. BUSKES JR.