is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 45, 19-11-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Germanen onder elkaar

Waarschijnlijk is de belangstelling voor de Nationale Reserve de laatste maanden, sinds Moskou zijn politieke koers heeft veranderd en er internationaal ontspanning intreedt, verminderd. Vandaar, dat het Instituut Steun Wettig Gezag zich dubbel inspant voor de verschillende vrijwilligersdiensten candidaten aan te trekken. Vandaar ook, dat men per se in de activiteiten van de Sowjetregering een politiek van de geleide glimlach wil zien en bij voorbaat al achter deze glimlach de gebalde vuist vermoedt.

Het is natuurlijk van SWG het goed recht, aan te nemen, dat Rusland het niet „meent”, daarin staat SWG waarachtig niet alleen in ons land en het staat SWG ook vrij naar middelen te zoeken, waardoor het vrijwilligersaantal verhoogd zou kunnen worden.

Bladerend in „De Vrijheid” van deze maand, officieel orgaan van het nationaal instituut Steun Wettig Gezag stuit men echter toch wel op enkele uitlatingen en bijdragen, die beslist te ver gaan. Het nut van de reservediensten aannemend, kunnen we er werkelijk niet van overtuigd raken, dat deze militaire instellingen nu verheerlijkt, geromantiseerd en aangedikt moeten worden, op de manier, die de redactie van „De Vrijheid” benut. „Het is geen man, die niet schieten kan!” onthult ons een vette driekolomskop op pagina drie van het Novembernummer, waar het gaat over de opening van een SWG-schietkelder in Zwolle, waarbij verschillende autoriteiten van Steun Wettig Gezag op de voorste rijen stonden.

Een tijdje geleden stond in een Duitse krant en velen, die onaangename herinneringen bewaren aan het schuttersfeest, dat vijf jaar lang onze wereld in vuur en vlam zette, hebben het met gemengde gevoelens aangehoord: „Het schieten is onlosmakelijk verbonden aan de Duitse volksgeest”. Deze uitlating is afkomstig van een niet-onbekend Westduitser, die aldus zijn gemoed luchtte bij een wedstrijd, georganiseerd door een van de ontelbare schietverenigingen, waarover onze Oosterburen beschikken.

„De Vrijheid” zegt het, op z’n Germaans, als boven vermeld en helaas is dit niet de enige uitlating, waarin een militair sentiment doorklinkt, waartegen, naar te hopen, toch veel Nederlanders bezwaren zullen hebben. Ons volk, dat merendeels de noodzaak van een strijdmacht inziet, mag in geen geval vertrouwd gemaakt worden met de gedachte, dat het leger (vloot en luchtmacht) iets wenselijks zou zijn, het moet een noodzakelijk kwaad blijven. Dit SWG-maandblad doet zijn best om die mening om te zetten. Vandaar de volgende opmerkingen, die we voor u uitgeknipt hebben.

„Nu heeft Steun Wettig Gezag de schietkelder (in Zwolle) in eigen beheer, een voorbeeld voor tal van andere gemeenten," die nieuwigheden niet schuwen, zeker geen uitermate nuttige nieuwigheden... een unicum daar in Zwolle. lets om trots op te wezen.”

De gemeente Zwolle moge dan trots zijn op het feit, dat onder het gemeentehuis, in een der kelders een schietruimte is geschapen, voor vele weldenkende Nederlanders zal deze „uitermate nuttige nieuwigheid”.

zoals de Vrijheid het formuleert, toch heus geen aanwinst betekenen. En hopelijk zullen andere Nederlandse gemeenten niet dit Zwolse voorbeeld navolgen. Want het aanbrengen van een schietbaan onder een stadhuis lijkt ons toch echt niet de taak van een gemeentebestuur.

In diverse streken van Nederland geniet de schietsport groot aanzien. Het maakt echter nogal wat verschil of men op kleiduiven etc. schiet, aan zgn. koningschietingen deelneemt denk aan het folkloristisch gebruik in dit opzicht of dat men als militair in uniform met het wapen in de aanslag uitroept op pagina drie met een driekolommer —: Het is geen man, die niet schieten kan! Was dit het enige geval van ongezond militair geschrijf geweest, dan was De Vrijheid onbesproken gebleven in Tijd en Taak. Er zijn echter meer citaten, die verontwaardiging opwekken. Wat denkt u hiervan: „De 'beide zoons van mevrouw B. zijn vrijwilliger bij de NR. De een zes, de ander vijf jaar.

Toen mijn man nog leefde (vertelt mevr. B. aan de Vrijheid-verslaggever) hoopte hij er steeds op, dat de jongens in militaire dienst zouden gaan. ... hij was maar wat trots, dat de jongens zo flink waren om bij de NR te gaan. Helaas is hij in 1953 gestorven, anders had hij zich nog meer kunnen verheugen over de activiteit in huis.” We moeten erbij vertellen, dat die activiteit omvat dat de woonkamer van mevr. B. tot een soort wapensalon is gemaakt, op de bijgeplaatste foto’s zien we twee dames met een geweer en helm, verder een wapeninstructie, waarbij een zoon, moeder en twee zusters belangstellend toezien, enz.

„Soms lijkt het huis op een kazerne,” schrijft de verslaggever er vrij overbodig bij. Regelmatig komen er vrijwilligers op bezoek, dan klinken er soldatenliederen. De teksten zijn niet altijd even braaf, maar dat neemt toch niet weg, dat mevrouw B. erom glimlachen kan. De zusters Marie en Riek zijn ook blij met de leut thuis...” Van de leut met de niet al te brave soldatenliederen naar een oefening is voor de redactie van De Vrijheid maar een stap.

Op pagina zeven lezen we in een verslagje over een proef alarm: „De jeugd van het dorp omstuwt ons van alle zijden, bestormt ons met vragen en bekijkt ons met jaloerse blikken. Dat zijn onze toekomstige vrijwilligers.”

Het slot typeert ook weer dit verslag van een oefening, waarvan men zou kunnen zeggen: zij is weer erg leerzaam geweest. Nee, schrijft de verslaggever, „Het is weer drommels mooi geweest!” Het is droevig om het te moeten vaststellen, maar de geest die uit De Vrijheid spreekt, en die waarschijnlijk wel representatief zal zijn voor de geest, die de leiding van het instituut SWG bezielt, is ongezond.

Welke pagina men ook opslaat van het blad, in practisch ieder verslag komt men uitlatingen tegen, die het militaire verheerlijken en die het militaire leven voorstellen als iets begeerlijks. „Het zag er romantisch uit daar in Medemblik. Het verlichte stadhuis, een groot deel van de inwoners van deze gemeente, militairen en bedrijvigheid. Twee officieren van de NR werden beëdigd.” Romantisch, zo’n militaire plechtigheid!

Opnieuw: typerend, dat De Vrijheid voor alles wijst op het h.i. romantische karakter en de 25.000 lezers voor alles wijst op het romantische van een officiersbeëdiging. Het gaat er in dit artikeltje niet om, om de Nationale Reserve en de andere reservediensten, het instituut SWG, af te breken of aan te vallen. Maar het gaat er wel om, dat men in deze kringen te verstaan krijgt, dat, wil de NR etc. het laatste beetje populariteit, dat het in een bepaalde volkskring geniet, niet helemaal verliezen, men moet ophouden met dergelijk militairistisch geschrijf en gedoe.

En daaronder verstaan we dan ook de volgende zinsnede, waarmee we dit artikeltje maar zullen besluiten: „Ik heb eens tegen generaal Opsomer (commandant eerste LK) gezegd: „Als uw mannen zouden capituleren, capituleert de Nationale Reserve niet, want die mensen zijn bezield van een ideaal.” Deze echt-Germaanse uitspraak is afkomstig van kolonel Blanken, een autoriteit van de Nationale Reserve, en werd opgediend tijdens een in Rotterdam gehouden forumavond, waarvan De Vrijheid verslag uitbrengt. Vanzelfsprekend, zouden we haast zeggen, ruimt De Vrijheid voor deze „niet-kapitulerende” kolonel en de andere forumleden een halve pagina in.

Wat ons betreft gaat De Vrijheid deze maand in ’t zwart gekleed. DICK SCHEPS

EEN FLAUWE ZAAK

Mijn kapper vroeg: hebt u Romme gehoord? Hij heeft de PvdA scherp aangevallen. Neen, ik héb Romme niet gehoord. En ik ben ook niet van plan, dit te gaan doen, zei ik geprikkeld.

Bij die vraag komen n.l. dezelfde gevoelens bij mij op, die ik had, toen Max Blokzijl in oorlogstijd week aan week aanvallen deed op de democratisch-joods-bolsjewistische plutocraten. Ik héb daar nooit naar kunnen luisteren, omdat elk weerwoord was uitgesloten.

Zonder nu ook maar in het minst de overtuigingen van de heer Romme zélfs maar in verwijderd verband te vnllen brengen met die van de NSB-propagandist, moet ik wel constateren, dat de verhoudingen niet ongelijk zijn. De heer Romme valt de PvdA aan. Dat

is zijn goed democratisch recht. Zijn volgelingen luisteren. Maar diezelfde volgelingen mogen niet het antwoord van de PvdA vernemen. Want: a) de VARA is voor hen verboden; b) de socialistische pers is voor hen verboden; c) het bezoeken van socialistische vergaderingen is voor hen verboden. Als zij het toch doen, overtreden zij het uitdrukkelijke verbod hunner bisschoppen. Gelukkig is in onze democratie het wettelijk geoorloofd ... kerkelijk illegaal te zijn.

Maar waarom zouden wij wèl naar de heer Romme luisteren, wanneer zijn stem klinkt in een ruimte waarin de mensen waarom het gaat, geen weerwoord mogen horen? Dat is maar een flauwe zaak. Het kon wel eens zijn, dat er onder rooms-katholieken menigeen is, die het óók een flauwe zaak vindt. L. H. R.