is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 47, 03-12-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Scheuring in de DGB

De Deutscher Gewerkschaftsbund (DGB) is na de tweede wereldoorlog in de plaats gekomen van de christelijke en socialistische vakcentrales van vóór 1933. Bij de christelijke vakbeweging waren destijds zowel rooms-katholieken als protestantschristelijke arbeiders aangesloten. Van de leden der socialistische vakbonden kon niet gezegd worden dat zij allen tot de nietchristenen behoorden.

Voordat Hitler aan het bewind kwam werden er al besprekingen tussen vertegenwoordigers van de beide richtingen in de vakbeweging gevoerd met het doel te komen tot samenwerking en zo mogelijk volledig samengaan in één vakbeweging. Als voornaamste reden om te komen tot één vakbeweging zag men destijds de in de praktijk gebleken eenheid van opvatting inzake het program en het optreden der vakorganisaties. Maar ook was men van mening, dat het voor vele arbeiders een verlichting zou betekenen indien zij in de bedrijven niet telkens voor de keuze gesteld werden, welke organisatie hun steun, verdiende.

De christelijke vakorganisatie was namelijk in Duitsland veel minder principieel ingesteld dan hier in ons land. De keuze van vakorganisatie was daarom meer een kwestie van maatschappelijk inzicht dan van geloofsvisie. Een belemmering voor het samengaan van beide richtingen was dan ook eerder de koppeling der vakcentrales aan de dienovereenkomstige politieke partijen dan een verschil in levensbeschouwelijk standpunt.

Het Hitlerreglem heeft een einde gemaakt aan de vrije vakorganisatievorming. Derhalve kon vóór 1945 slechts op zeer beperkte schaal en op illegale wijze de discussie tussen vertegenwoordigers der beide

richtingen over de stichting van een eenheidsvakbeweging worden voortgezet. Na de ondergang van het Derde Rijk werd het vraagstuk van de eenheid in de vakbeweging weer opportuun. Aanvankelijk worstelde men met het probleem van wel of niet samengaan van de vakorganisaties in de oost- en de westzone. Toen evenwel duidelijk werd dat de zogenaamde Freier Gewerkschaftsbund in de oostzone onder communistische leiding kwam te staan en men vanuit het westen daar geen invloed op kon uitoefenen, ging het om de stichting van een eenheidsvakbeweging in West-Duitsland.

Dat men aan een eenheidsvakbeweging dacht lag in de lijn der ontwikkeling van vóór 1933. Bovendien werd aangevoerd, dat het gezamenlijk doorstane leed door de bestuurders der vakbeweging in illegaliteit en concentratiekamp, hen drong tot samenwerking. Ten slotte werd ook nog aangevoerd, dat één grote sterke vakbeweging de catastrophe van 1933, toen de democratische politieke partij en niet in staat waren de dictatuur van de nazi’s te keren, had kunnen voorkomen.

Wij hebben de indruk, dat de aanwezigheid van de Amerikaanse en Engelse bezettingsmachten ook nog van invloed is geweest op de totstandkoming van de eenheidsvakbeweging in West-Duitsland. Voor Amerikanen en Engelsen is splitsing in de vakbeweging op levensbeschouwelijke basis onbegrijpelijk.

In de Deutscher Gewerkschaftsbund kregen oud-bestuurders der christelijke vakbeweging over het algemeen even belangrijke posten te bezetten als de socialistische bestuurders. Overigens werd het een algemene organisatie, dat wil zeggen dat in de verdere uitbouw der vakorganisaties de le-

vens- en wereldbeschouwelijke richting van de candidaat-bestuurders buiten beschouwing werd gelaten. Men wenste een politiek en religieus neutrale vakbeweging.

Onder politiek-neutraal verstaat men in dit verband het niet verbonden zijn met een politieke partij. Een vakbeweging heeft uit de aard van haar functie voortdurend met politieke vraagstukken te maken. Als zodanig kan zij niet neutraal tegenover de politiek staan.

Onder religieus-neutraal werd niet verstaan, dat men alle vraagstukken vanuit het zuiver zakelijke vlak wenste te benaderen. Dat is ook wel gebleken. Er is in de afgelopen jaren een regelmatig contact geweest met de kerkelijke organen. Bij het scholings- en vormingswerk kon de persoonlijke levensvisie van de leden tot haar recht komen.

Van het zich uitspreken door de DGB voor een bepaalde levensbeschouwing was geen sprake, evenmin als van een erkenning van het verband tussen geloof- en levensbeschouwing enerzijds en maatschappelijk inzicht anderzijds, zoals bijvoorbeeld bij het NVV wel het geval is.

Hoewel de DGB wat de organisatievorm betreft algemeen is, kan toch niet gezegd worden dat het een doorbraak-vakbeweging is in de zin zoals wij dat verstaan. In het bijna tien-jarig bestaan van de DGB is voorzover ons bekend nimmer sprake geweest van moeilijkheden als gevolg van verschil van levensbeschouwing, maar wel ten aanzien van het niet handhaven van de politieke neutraliteit. Daarbij denken wij aan de verkiezingsoproep van de DGB in 1953.

Het vakverbond adviseerde de leden toen op die bondsdagafgevaardigden te stemmen, die in de voorgaande jaren blijk hadden gegeven de eisen van de vakbeweging in Bonn te ondersteunen. De aanvankelijke verklaring was niet erg gelukkig gesteld en kon de indruk wekken, dat de DGB zonder meer de SPD bij de verkiezingen wilde steunen. Uit latere publicaties bleek, dat zowel SPD- als CDU-candidaten werden aanbevolen.

Wij hebben toen de indruk gekregen, dat het volledig ondersteunen van de eisen van het vakverbond door de SPD mede mogelijk werd, doordat deze partij in de oppositie was en zich niet verantwoordelijk wist voor het gevoerde regeringsbeleid.

Nu er weer sprake is van een actie tot oprichting van een christelijke vakbeweging in Duitsland wordt deze kwestie weer actueel gemaakt. Als de scheurmakers deze zogenaamde schending der politieke neutraliteit gebruiken als motief voor hun optreden, moet toch worden opgemerkt dat dit niet de feitelijke aanleiding tot hun actie kan zijn geweest.

Reeds in de jaren 1951-1953 hebben besprekingen plaatsgevonden tussen vertegenwoordigers van de vakbeweging en de zogenaamde confessionele verenigingen. Er bestaan in Duitsland katholieke en protestantse arbeidersverenigingen, die wel als sociale verenigingen worden beschouwd, maar niet het karakter van vakvereniging hebben. Men zou ze kunnen vergelijken met de mannen verenigingen op kerkelijk gebied hier te lande.

Mens en techniek

Dit is het fatale ogenblik: het moment waarop je als gemotoriseerd weggebruiker zegt: „’t Kan nog wel.” Ik kan nog net passeren voordat ik door mijn tegenligger gekraakt word, ik kan op dat kruispunt nog net de voorrang nemen die me niet toekomt, ik kan er nog net tussendoor.

Fataal is dit ogenblik niet vanwege het zoveelste dodelijke ongeluk dat dreigt. Maar omdat ik de leiding uit handen geef aan het machien, dat het nu doen moet.

leder die zo’n mechanisch ding op de weg in zijn vingers heeft, dat hij niet met eigen lichaamskracht hoeft voort te bewegen, maar dat zelfstandig kracht ontwikkelt, voelt op het kritieke ogenblik van verrukking, omdat het ding lekker loopt, die drang in zich opkomen om eruit te halen wat erin zit en het te laten doen wat het kan. Dan is de motor ingeschakeld en de mens uitgeschakeld. De zedelijke

remmen: nauwkeurigheid, oplettendheid, verantwoordelijkheid en zelfbeheersing doen het niet langer. De mens waagt steeds meer, moet steeds meer wagen. Hij is slaaf van de machine geworden. Het ding heeft hem te pakken.

Lossen wij het probleem van de verkeersonveiligheid op door het van de technische kant aan te pakken? Nog meer verkeerslichten, borden, maximumsnelheden en oversteekplaatsen? Of zit de kern van de zaak aan de menselijke zijde?

Verkeersellende is in wezen onze nederlaag in de strijd tussen mens en techniek. Zullen wij de machine de baas blijven? „Zie je,” zei mijn buurman achter het stuur, toen we de oprit genomen hadden en op de snelweg zaten, „zie je, nu zitten we in het snelverkeer, maar ik doe niet mee, het blijft zestig.”

Hij bleef de baas. DE W.