is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 48, 10-12-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over de menselijke ziel

n.a.v. G. J. Heering: De menselijke ziel. Uitgave Van Loghum Slaterus, Arnhem, 1955, 200 blz., ƒ 8,50.

Van de voorname geleerde en edele mens, die prof. Heering was, verscheen na zijn dood nog één boek, dat hij blijkbaar zelf nog gereed gemaakt heeft voor de uitgave. Ontroerend en indrukwekkend is de gedachte dat de ziel van de schrijver thans wetend is nu zij is ingegaan tot de Heer waarin hij geloofde. Wij, de achtergeblevenen echter, kunnen dit boek, zo vol van vermoedens, lezen. Een boek van Heering is steeds een gebeurtenis en het leek me goed ook van dit zijn laatste werk, voor onze lezers verslag uit te brengen.

De grote werken van Heering hebben, voor zover ik weet, eenzelfde opbouw. De eerste helft-is een beredeneerd en kritisch verslag van wat anderen voor hem, vanaf de oudheid tot de moderne tijd toe over het onderwerp gedacht hebben. Ook wie geen historische belangstelling bezit, mag dit deel niet overslaan, want terwijl de schrijver bezig is met eerlijke welwillendheid de leerstellingen zijner voorgangers uiteen te zetten, ruimt hij tevens allerlei misvattingen op en bereidt zo het terrein voor, waarop hij straks het gebouw van zijn eigen inzichten zal optrekken. Men moet ook hierom dit kritische deel lezen, omdat men daardoor beschermd wordt tegen mogelijke misvattingen van de latere leer, die uitgesloten worden door zijn kritiek op de voorgangers.

In dit eerste deel leren we de zielsbeschouwing kennen van Plato en van de oudheid, die van de bijbel, daarna die van de kerkvaders (in het bijzonder die van Augustinus) en van de scholastiek, vervolgens die der reformatoren. Telkens weet Heering heel wat te waarderen, maar hij wijst ook duidelijk aan, waar onvolkomenheden schuilen of vragen overblijven. Komend tot de nieuwere tijd bespreekt hij in een m.i. een beetje te geforceerde samenhang Descartes, Spinoza en ... Hege}, Fechner, Heymans; daarna trekt hij een nieuwe lijn vanaf Kant over Lotze, naar de nieuwere wijsbegeerte. Ondertussen immers is de experimentele psychologie opgekomen en daarmee de vraag of men de bewustzijnsverschijnselen kan bestuderen zonder aan een ziel te geloven. De discussie daarover stelt teleur. Wel wordt de zelfstandigheid van de ziel gehandhaafd door o.a. Karl Joël te citeren, maar ik kan de indruk niet van me af zetten, dat Heering slechts van verre de ontwikkeling der moderne psychologie heeft gevolgd. Hoe anders te verklaren, dat hij aan schrijvers als Freud en Jung geheel voorbijgaat? Evenzo had een dieper onderzoek naar methoden en veronderstellingen van de experimentele psychologie Heering sterkere argumenten aan de hand gedaan om de zelfstandigheid van de ziel, als draagster der bewustzijnsverschijnselen te handhaven. Van Karl Bühler tot Merleau-Ponty is daar de laatste tijd heel wat over te doen geweest.

Maar ik mag niet vergeten, dat Heering

ten slotte theoloog was en een theologisch boek aan het schrijven was. Dit brengt me trouwens tot een algemene opmerking. Grote stukken van dit en van andere boeken van Heering zijn eigenlijk van wijsgerige aard. Men kan daar als lezer geen bezwaar tegen hebben, mits de beide wetenschappen ieder in hun eigen aard geëerbiedigd worden. Men kan niet zeggen dat dit steeds gebeurt. Zo treft men ook vaak bij Heering dat hij een redelijke gedachtenontwikkeling met de verontwaardiging van zijn edel gemoed aanvalt en weerlegt.

Heering schreef met heel zijn levende persoonlijkheid als geïnteresseerd wijsgeer en bezield godgeleerde, met verstand en hart. Dat maakt zijn boeken levend en boeiend, maar een meer methodische geest voelt wel eens bezwaren opkomen tegen dit telkens overschrijden der grenzen.

Heering vervolgt onder de enigszins misleidende titel van „de oorsprong” der ziel met een beschrijving van het wezen der ziel, die hij omschrijft als „een zelfstandige individuele geest, wier afkomst niet verklaard kan worden uit de Umwelt, noch uit het lichamelijk organisme”, maar die door God geschapen is. Hiermee is de overgang naar de theologie gemaakt, die nu te combineren krijgt de twee reeksen aanduidingen, welke de Schrift aan de mens gee|t: dat hij een kind der zonde is én dat hij een drager is van Gods beeld; deze tegenstelling werkt door in de vraag naar ’s mensen vrijheid. Fraaie bladzijden schrijft Heering hierover, ofschoon men niet verwachten mag dat hij dit mysterie bevredigend oplost.

Onvermijdelijk is, dat wie schrijft over de ziel, ten slotte belandt bij het brandende vraagstuk van ’s mensen bestemming. Ook Heering maakt, evenals het onlangs hier besproken boek van dr. Van Leeuwen (zie T. en 'i'. van 19 Nov.) front tegen een eenzijdige beklemtoning van de leer der opstanding. Hij handhaaft met kracht van argumenten de onsterfelijkheid der ziel en schroomt daarbij niet ook de wijsgerige bewijzen te hanteren. Wat dat betreft is hij minder schroomvallig dan Van Leeuwen. Terecht, naar ik meen, hoewel toch de kritiek van Kant dan niet onbesproken mocht blijven en niet alle overwegingen even sterk zijn (blz. 158 en v.). Over de wederopstanding is Heering vaag, hoewel hij terecht dit leerstuk inlijft bij de leer over de triomf van Gods Koninkrijk.

Een mooi boek dus, dat ik graag aanbeveel aan vele lezers, omdat het een onderwerp behandelt dat iedereen aangaat en gegeven de moeilijke stof, klaar en helder geschreven is. Men heeft mij laatst geschreven of ik wel goed deed dergelijke alleszins moeilijke boeken zo uitvoerig te bespreken. Ik meen van wel. Allereerst omdat een boek als dit van prof. Heering een minstens even belangrijke culturele verschijning is als een film of een roman en dus vermelding verdient; vervolgens omdat er stellig vele lezers zijn die dit boek kunnen lezen. Zij zijn, hoop ik, gebaat met een uitvoerige en beredeneerde aankondiging. En dan is er nog een groep lezers, die een boek als dit wel nimmer zullen opnemen, uit valse of echte bescheidenheid, uit tijdgebrek, enz., maar die het toch wel prettig vinden eens iets te vernemen over wat er omgaat in de wereld der wetenschap, waar vragen aan de orde komen, die hun ook aangaan. Ten slotte werd dit artikeltje een posthume hulde aan een man, aan wie vele lezers van Tijd en Taak zo veel te danken hebben voor hun geestelijke vorming. Ook dit moest maar eens gezegd worden.

J. G. B.

Stadsrand

Tussen de flats, in hoge regionen staren wij uit op niemandsland;

maar met geen tijdsbesef dan van aeonen en micrometers; met hand en tand

in touw; flikkersignalen bedreigen onze levenslijn;

terwille van beveiligd ademhalen schakelt een automatisch brein

het stroomnet in en uit – handtastelijkheden zijn streng beperkt in het bekoeld email, en wie zijn angsten wil vertreden

zoekt ’s avonds een halkondetail

in ’t gevelschema; zelfs de planeten staan vierkant tegen ons, die in ’t verblijf van dag en nacht slapen en eten:

vreemde bewoners van een vreemd veeg lijj.

DIRK JORRITSMA