is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1955, no 50, 24-12-1955

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gabriël en de duivel

Toen Gabriël bij God was gekomen met het verzoek de Kerstdagen op aarde te mogen doorbrengen, had God daartegen geen bezwaar gemaakt. Verscheidene jaren reeds had zich dit herhaald: tegen het eind van de Adventstijd kwam er een zekere onrust over Gabriël en op de dag voor Kerstmis verscheen hij dan voor God en uitte zijn wens naar de aarde te mogen gaan. Deze gebeurtenis had al spoedig haar vaste vorm gekregen. Zodra God Zijn toestemming had gegeven, boog Gabriël ten teken van dank, richtte zich weer op en wachtte op de vraag: „Waarvoor eigenlijk, Gabriël?” Het antwoord luidde dan ieder jaar opnieuw: „Ik zou dan graag wat onder de mensen zijn.” Daarop placht God te zeggen: „Dan kun je incognito gaan, Gabriël,” waarop Gabriël nogmaals boog en heenging.

De snijdende wind maakte het op de avond van de eerste Kerstdag niet aanlokkelijk op straat te zijn en toen Gabriël langs het restaurant kwam en zag, hoe behaaglijk prettig het er binnen bij het zachte licht der kaarsen, die op elk tafeltje waren geplaatst, uitzag, aarzelde hij niet en ging naar binnen. Hij nam plaats aan een tafeltje in een hoek en bestelde een kop koffie.

Hij zat er een minuut of tien, misschien ook iets langer, toen een heer het restaurant binnentrad, even rondkeek en zich daarop naar de hoek begaf, waar Gabriël zat. Hij sprak Gabriël aan en vroeg hem of de tweede plaats aan het tafeltje nog vrij was. Gabriël antwoordde, dat dit inderdaad het geval was, waarop de ander tegenover hem plaats nam. Er kwam een kellner en de nieuwe gast bestelde een rumgrog.

„Slecht weer buiten,” zei hij tegen Gabriël en keek hem onderzoekend aan.

„Ja,” antwoordde deze en vroeg zich af, wat hij nu behoorde te doen. Een gesprek beginnen? Of paste dit hier niet?

Voorlopig loste hij dit dilemma op door een doos sigaren te voorschijn te halen en de onbekende een sigaar aan te bieden.

„Ik zal er graag één nemen,” zei deze. Het ontging Gabriël niet, dat hij zeer de nadruk legde op het woord graag.

Verwonderd keek hij de onbekende aan.

„U kijkt verbaasd,” zei deze, „maar een zo vriendelijk gebaar van uw kant is voor mij toch beslist wel iets bijzonders.”

„Er moet een misverstand zijn,” antwoordde Gabriël. „Ik geloof niet...”

„Och kom,” zei de ander, „ik ben er wel aan gewend, dat de mensen mij zelden herkennen, als ik mij in deze gedaante te midden van hen bevind, maar het verbaast me toch, dat zelfs Gabriël door het in-

cognito van de Satan wordt misleid!”

„U bent..

„Inderdaad, m’n waarde! Laat dat u voor vanavond echter maar schieten! De tijd, dat je me uit hoofde van mijn rang onder de engelen zo aansprak, ligt ver genoeg achter ons en het is Kerstmis vandaag. Een passend moment voor wat vrede en verbroedering, vind je niet? Overigens: wat bracht jou hier?”

„Ik wilde zo maar wat...” zei Gabriël aarzelend.

„Nee, Gabriël,” hernam Satan, „dat is het niet. Ik krijg niet zo vaak de gelegenheid met je te praten zoals nu hier aan dit tafeltje en daarom grijp ik die kans met beide handen aan. En daarom zeg ik ook: zo is het niet. Je bent hier, omdat onrust je hier brengt. Wat dat betreft, zitten we in hetzelfde schuitje. Je mag best weten, dat ik indertijd, in de eerste Kerstnacht, de schrik van mijn leven heb gehad. Ik was nergens op verdacht en toen kwam men mij opeens waarschuwen, dat jij met een enorme schare engelen boven de velden van Bethlehem verschenen was. Men vertelde mij ook, welke boodschap je aan de herders had gebracht en wat jouw engelen gezongen hadden. Ik wil je wel zeggen, Gabriël, dat ik toen een moment doodsbang ben geweest. Het zag er volmaakt naar uit, dat ik mijn plaats op de aarde zou moeten prijsgeven.

Toen ik van de eerste schrik bekomen was, zag ik echter spoedig in, dat er van jullie kant één grove fout was gemaakt, waardoor de winst jullie moest ontgaan. Die fout was, dat jullie aan de verkeerde kant waren begonnen: bij de herders en bij een paar geleerden uit het oosten. Jullie aanval had op een te zwakke plaats ingezet. Wie het om de wereld te doen is, moet ergens anders beginnen ... Ik geloof, dat ik er daarom niet ver naast was, toen ik veronderstelde, dat je door onrust hierheen gevoerd bent. Natuurlijk laat het je niet met rust, dat het allemaal zo anders is gegaan dan het zich in Bethlehem liet aanzien en ik kan het begrijpen, dat je juist op deze dagen hier wilt zijn om te zien of er misschien toch nog iets op wijst, dat je indertijd niet te veel hebt gezegd ...”

Gabriël had aandachtig geluisterd. Nu Satan zweeg, nam hij het woord en zei: „Je betoog is knap. Bijna zou ik zeggen: je doet je oude reputatie alle eer aan. Toen je nog tot de onzen behoorde, was het bekend, dat niemand op kon tegen je vlijmscherpe wijze van argumenteren en je meestal feilloos-rake kijk op iedereen en alles. Maar op het gevaar af je zelfs op deze avond te irriteren, meen ik toch, dat je je precies op het kardinale punt vergist.

zoals ook het geval was toen je de greep naar de macht deed, die je voorgoed buiten de hemel 5100t... Toen bestond je misrekening hierin, dat je ten onrechte je eigen gevoelens bevestigd meende te zien in anderen. Een vergissing, waaraan overigens zelfs de helderste denkers maar zelden geheel ontkomen. Toen je zoëven zei, dat we beiden in hetzelfde schuitje zaten, wat de onrust betreft, verviel je weer in dezelfde fout.”

Korzelig tikte Satan de as van zijn sigaar. „Ik begrijp je niet,” merkte hij op.

„Laat ik het dan zo mogen zeggen,” ging Gabriël rustig voort, „je constateerde een feit, dat als zodanig juist is. Beiden ik zeker zijn we hier gekomen uit een zekere onrust, maar je zag voorbij aan een ander feit: namelijk, dat de onrust in elk van deze twee gevallen een volkomen verschillend karakter draagt. Jouw onrust is die van de onzekerheid, de twijfel, de angst. Je bent de vrees nooit te boven gekomen en dat zul je ook nooit, dat zich opnieuw en definitief het onverwachte zal voordoen, zoals toen in Bethlehem. Je kunt nooit zeker zijn van jezelf, omdat je weet, dat een Ander de grote beslissingen neemt, waar je machteloos tegenover staat... De andere onrust is die van de verwachting. Vergis je niet, ik heb er nooit aan getwijfeld, dat ik in de eerste Kerstnacht niet te veel heb gezegd en dat de engelen niet ten onrechte hebben gezongen ...”

Satans vingers speelden nerveus met het glas, dat voor hem op de tafel stond.

„De feiten van twintig eeuwen geschiedenis bieden weinig houvast voor die verwachting,” zei hij schamper. „Sedert jouw engelen hun lied zongen, is de wereld nu niet bepaald dichter bij de vrede en het gekomen ...”

„Het is met de feiten als met de steentjes voor een groot mozaïek,” antwoordde Gabriël. „Velen hebben zich al beijverd ze te ordenen en samen te voegen tot een beeltenis van de zin en de waarheid der dingen. Ongetwijfeld is dat een edel spel van de geest. Echter ook vaak een ijdel spel...”

Hij zweeg een ogenblik. Satan staarde naar buiten. Het viel Gabriël op hoe vermoeid hij er opeens uitzag.

„In de Kerstnacht,” ging Gabriël voort, „heeft Hij, Wiens handen alle feiten schikken tot hun zin en hun doel. Zijn patroon ontvouwd voor de herders en voor allen, die het willen zien...”

Satan stond op.

„Ik moet gaa,n,” zei hij

Buiten begon het te sneeuwen. JAN HULSEBOSCH