is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 53, 1956, no 8, 25-02-1956

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hebben wij eigen culturele organisaties nodig?

Op 21 en 22 januari werd in Kortehemmen door een vrij groot aantal deelnemers een weekend gewijd aan bovenstaande vraag. Er was grote deelname aan deze cursus van de kant van de leden van het Instituut voor Arbeiders Ontwikkeling. Waarschijnlijk niet alleen omdat de voorzitter van het Instituut een der inleiders was, maar nog meer omdat, zoals een voorzitter van een plaatselijke, afdeling het zei, het bestaan van het Instituut gemoeid is met het antwoord dat, natuurlijk niet in deze cursus, maar dat op den duur gegeven zal moeten worden op deze vraag.

De eerste inleider, Roelfsema van Hoogezand-Sappemeer, beantwoordde de vraag heel duidelijk ontkennend. Nadat hij een korte schets gegeven had van het socialisme zoals het ontstond en zich ontwikkelde in ongeveer honderd jaar, kwam hij tot de doorbraak. Een zaak die reeds haar mogelijke begin vond bij het ontstaan van het plan-socialisme. Een zaak, die voor hem in geen geval uit praktische overwegingen moest worden aangehangen, maar uit principiële noodzaak. Het normale is, dat mensen van verschillende levensbeschouwelijke achtergrond tot dezelfde politieke keuze en tot hetzelfde politieke handelen komen. Maar daarmee is het bestaan van socialistische nevenorganisaties, zoals die wel moesten ontstaan toen het socialisme levens- en wereldbeschouwing was èn een emancipatiebeweging, principieel onmogelijk geworden. Men kan bij een dergelijke doorbraakpartij niet verwachten dat zij, ook niet in de nevenorganisaties, waar dan ook, socialistische tradities, symbolen en beschouwingen andere dan politieke zal aanbieden aan haar leden.

Wat de cultuur betreft betekent dat, dat de socialisten hun plaats zullen vinden in de algemene organisaties. Er is geen socialistische cultuur. Er is cultuur waaraan mensen, die in hun politieke keuze en in hun politiek .handelen socialistisch zijn, ook deelhebben en bijdragen.

De discussie volgende op deze inleiding leverde feitelijk twee dingen op. Eerst dat niemand eigenlijk de inleiding kon bestrijden op het principiële uitgangspunt; de doorbraak en dus het door-breken van de socialistische nevenorganisaties, omdat de partij nu alleen maar kent de binding van de gemeenschappelijke politieke keuze en strijd. Het tweede was, dat iedereen, ook de inleider, duidelijk meende te zien dat men

niet zonder meer een punt kan zetten achter wat historisch gegroeid is. Om dan maar plotseling opnieuw te beginnen. Men verschilde echter wel van mening omtrent de ontwikkeling in de historie, die er voor som- , migen duidelijk op wees, dat eraan gewerkt moet worden de punt te zetten achter het bestaan der socialistische nevenorganisaties.

De tweede inleider, De Boer, voorzitter van het instituut, sprak over de noodzaak van eigen culturele organisaties. In vogelvlucht een wijd gebied van cultuur en cultuurontwikkeling overziende,kwam hij,zich historisch funderend, eerst tot de conclusie , dat in onze tijd meer dan ooit nodig waren culturele organisaties. Groot behoort te zijn de onrust over onze materialistische en verzadigde wereld. En die onrust moet de culturele organisaties voeden, opdat de cultuur doordringt tot zo breed mogelijke ‘iagen’ van het hele volk.

Daarna ontwikkelende zijn zienswijze over de cultuur in wezen een zaak die de mens (en de mensheid) in zijn totaliteit aangaat en omvat kwam hij tot de conclusie dat socialistische culturele organisa-

ties noodzakelijk zijn, omdat uit deze zienswijze over de cultuur volgt dat juist omgekeerd als bij de eerste conclusie zoveel mogelijk ‘lagen’ van het hele volk moeten kunnen doordringen tot de cultuur. Waar het ’t socialisme ging en gaat om de emancipatie van de arbeiders, zal dus de arbeider via deze socialistische culturele organisaties de weg naar de cultuur open vinden.

Bij de discussie volgende op deze inleiding bleek dat vele deelnemers zich thuisvoelden bij de ontwikkelde visie op het socialisme en op de cultuur. De praktische overweging na de eerste inleiding: te leven in een overgangstijd, werd nu tot een aan te hangen standpunt. Namelijk dit, dat de zich emanciperende arbeidersklasse eigenlijk alleen maar thuis kan horen in socialistische organisaties. En dit alles vond een brede en stevige steun in de opvatting dat de cultuur de totale mens omvat en raakt en niet alleen maar een terrein is van het hele mensenleven.

Ten slotte volgde nog een algemene discussie, die soms in de goede zin van het woord heftig toeging. Al samen sprekende en strijdende echter kwamen de twee standpunten duidelijk uit de doeken. Aan de ene kant het principe van de doorbraak, dat dwingt zich steeds weer rekenschap te geven van het feit dat socialisme niet meer en ook niet minder is dan een louter politieke keuze en strijd. Aan de andere kant dat socialisme, dat het voorgaande natuurlijk ook aanvaardt, maar dat overigens veel verder gaat, omdat het wil aanspreken de hele 'in de maatschappij, in de gemeenschap levende mens. Daartussendoor het besef dat we allemaal samen blijkbaar leven in een tijd van overgangen en grondige veranderingen. En ten slotte het doel van deze cursus: niet een aantal mensen, dat nu eens afdoend vragen wil beantwoorden, maar dat de 'onrustig en onzeker makende vragen eerlijk en moedig te lijf wil gaan, daartoe in staat door de onderlinge verbondenheid, die ondanks alle tegenstellingen en verwarring steeds het laatste woord heeft, SJ. BIJLEVELD

Gestroomlijnde wereld

Toen in Nederland de spoorwegen nog bestonden uit een aantal elkander lelijk beconcurrerende bedrijfjes, stopte er ergens op een boerenzij lijntje op zekere maandagmorgen een trein van twee houten wagens en een locomotief bij een sein, dat onveiiig stond, zo maar midden in het land. De vrouw van de seinwachter kwam haar huisje uithollen met een emmer in de hand. 'Meester, geef me een emmertje water voor de was!’

De machinist draaide een kraan open onderaan de ketel en het water was nog helder ook.

Veertig jaar geleden kon zoiets gebeuren. Nu niet meer. Het bedrijf is geperfectioneerd. Menselijke fouten worden voorkomen door mechanische seinlichten. Wij reizen in luxewagons, waar het licht der TL-buizen hel weerkaatst in blinkend nikkel. Geen stank en smook meer onder een vuile stationskap, maar heldere en doorzichtige ge-

bouwen met wachtkamers waar je je verjaardag zou willen vieren. Het leven is gemakkelijk en smetteloos geworden, gestroomlijnd als een dieseltrein.

Als er ergens in mij een verzet leeft tegen dit leven in de gestroomlijnde wereld, is dat dan een romantische zucht naar herhaling van een in de herinnering opgepoetst, maar onherroepelijk voltooid verleden? Of is het de angst voor Huxley’s Brave New World, het ‘Soma-paradijs’ van de toekomst? Het zal in elk geval wel het besef zijn, dat een leven in de glijdende gladheid der technische en esthetische perfectie geen leven meer is. Menigmaal heb ik dan ook in zulke omstandigheden een rimpel van bedenking zien trekken in een socialistisch succesgezicht. Ergens leeft in ieder mens het besef, dat het onvolkomene bij het leven behoort. En dat een leven zonder weerstanden de dood zou zijn. De W.