is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 53, 1956, no 9, 03-03-1956

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Engeland schaft de doodstraf af

Het is precies een jaar geleden dat het Engelse Lagerhuis met 245 tegen 214 stemmen een voorstel verwierp om voor de tijdsduur van vijf jaren bij wijze van proefneming de doodstraf buiten werking te stellen. Een commissie had in opdracht van de regering tevoren een rapport uitgebracht over de doodstraf elders in de wereld, en daarin o.a. geconstateerd dat in de meer dan dertig landen waar de doodstraf is afgeschaft, deze afschaffing niet had geleid tot toeneming van het aantal moorden. Dit argument heeft geen indruk gemaakt op de voorstanders van de handhaving, zo min als enig ander argument als b.v. dat van de rechterlijke dwaling. Dit werd tijdens het debat naar voren gebracht door de voormalige socialistische minister Chuter Ede, die in 1950 een zekere Evans had laten ophangen, maar later tot de conclusie was gekomen dat deze man naar alle waarschijnlijkheid niet schuldig was geweest aan de moord, die hem zijn hals heeft gekost. Vergissen is nu eenmaal een menselijke eigenschap, maar het onaangename is dat bij de doodstraf een vergissing onherroepelijke gevolgen heeft, voor de gehangene, maar gok voor degenen die voor het hangen verantwoordelijk zijn, de juryleden, de rechters, de minister, het hoofd van de staat dat het doodvonnis moet tekenen.

Chuter Ede heeft dat gevoeld. Opnieuw had de regering een voorstel ingediend, waarbij het Lagerhuis werd uitgenodigd als zijn oordeel uit te spreien, dat de doodstraf gehandhaafd behoorde te blijven, maar dat de wetgeving op moord gewijzigd diende te worden. Chuter Ede was de eerste die na de minister het woord voerde en op bewogen toon de afschaffing eiste van de wet, de gruwelijke wet zoals hij ze noemde, waarvan hij zelf een slachtoffer is geworden. Van

hem was het amendement afkomstig, waarin het Lagerhuis als zijn overtuiging uitsprak dat de doodstraf voor moord niet langer in overeenstemming is met de behoeften of de ware belangen van een beschaafde natie. Deze motie is met 293 tegen 262 stemmen aangenomen. Het Huis nodigde bovendien de regering uit, zonder verwijl een wetsontwerp in te dienen tot afschaffing van de doodstraf of de opschorting daarvan voor een proeftijd. Dit alles gebeurde op donderdagavond 16 februari, na een zitting van het eivolle Lagerhuis, die men zonder enige overdrijving historisch mag noemen. De Londense correspondent van de NRC, die er een voortreffelijk verslag van heeft gegeven, beschreef ook de spanning die in de vergaderzaal heerste en die zich, toen de uitslag bekend was gemaakt, ontlaadde in een gejuich uit honderden kelen, zoals daar zelden is gehoord. ‘Er werd gezwaaid met agenda’s, velen hadden tranen in de ogen. De speaker moest om stilte manen voor de cijfers, die door een der tellers, ook een bekende bestrijder van de doodstraf, wit van emotie, werden voorgelezen. Weer spoelde het gejuich over de banken en even later opnieuw, toen de speaker de cijfers herhaald had. Het was een ogenblik zoals men het zelfs in die zaal zelden mag meebeleven. Het was of er een mantel van duisternis van een heel land was afgevallen.’

Het opschrift boven dit artikel is wat voorbarig: Engeland heeft de doodstraf nog niet afgeschaft. Het Hogerhuis kan dat nog enige tijd tegenhouden, maar in elk geval zal de afschaffing alleen nog maar een kwestie van tijd zijn, en in die tussentijd zullen er zeker geen doodvonnissen meer worden voltrokken. Ook in Engeland kan, eindelijk, de galg worden opgeruimd. Dat dit zo laat het geval is, is des te meer ver-

wonderlijk wanneer men bedenkt dat Engeland het klassieke land van de gevangenishervorming is, het land dat het eerst in de geschiedenis bij monde van John Howard gepleit heeft voor een humane behandeling der gevangenen. Zowel de Howard League for Penal Reform, in 1921 uit de samensmelting van twee oudere verenigingen ontstaan, als de tijdens de laatste wereldoorlog in 1942 opgerichte Prison Reform Council en in ’t bijzonder de National Council for the Abolition of the Death Penalty, die van 1925 dateert, hebben het geweten van het Engelse volk niet met rust gelaten. Elke executie was aanleiding tot hartstochtelijke betogingen en demonstraties tegen wat een groot deel, misschien wel het overgrote deel van het Engelse volk sinds lang als een anachronistische barbaarsheid beschouwde. Na de teleurstelling van een jaar geleden komt deze verrassing voor al deze strijders voor de afschaffing nog onverwacht. Bernard Shaw heeft het niet meer mogen beleven, maar de bekende Londense uitgever Victor Gollancz was op de tribune van het Lagerhuis in deze historische zitting aanwezig, en ook Fenner Brockway leeft nog. En hun blijdschap, hun dankbaarheid is de onze, want zo langzamerhand zijn we immers in werelddelen gaan denken, en aan wat in Engeland gebeurt, ten goede of ten kwade, kunnen we ons nooit geheel onttrekken. De mantel van duisternis, die van dit land is afgevallen, drukte ook ons, en daarom voelen ook wij ons bevrijd van een druk die ons meer en meer ging benauwen, naarmate de doodstraf in de Europese rechtspleging meer en meer een uitzondering is geworden.

De doodstraf bestaat momenteel in Europa nog in België maar daar wordt ze nooit toegepast. Frankrijk, Spanje, Oost-Duitsland en Rusland en nog enkele andere landen. En, althans op papier, in Nederland, waar ze in het militair strafrecht altijd gehandhaafd bleef, maar alleen wordt toegepast als de veiligheid van de staat dat vereist, en sinds 1945 in de bijzondere rechtspleging, waar ze sindsdien meer dan dertig keer is toegepast zonder dat de veiligheid van de staat dat vereiste. Ook in dit opzicht heeft de oorlog ons achterop gebracht en bovendien een scheiding der geesten in het leven geroepen, die men vroeger voor onmogelijk zou hebben gehouden. Vóór 1940 was alles wat socialist was tegenstander van de doodstraf, waarvan men de aanhangers vooral onder de antirevolutionairen moest zoeken. In 1945 is de doodstraf in de bijzondere rechtspleging ingevoerd met steun van de socialisten. Maar nu doet zich het opmerkelijke en verheugende verschijnsel voor, dat men in antirevolutionaire kringen gaat weifelen. Toen prof. Willem Zevenbergen, de jonggestorven hoogleraar aan de Vrije Universiteit, zich tegen de doodstraf verklaarde, verwekte hij in zijn omgeving daardoor alleen maar bestrijding en verontwaardiging. Maar op het criminologisch symposium dat de Vrije Universiteit op 18 februari hield, kon de Kamper hoogleraar prof. Brillenburg Wurth rustig verklaren dat hij zich ten opzichte van de doodstraf nog geen mening had gevormd. Dat hield dus in dat hij zich niet zonder meer aan de gangbare opvatting onder zijn politieke geestverwanten wenste te conformeren.

De strijd tegen de doodstraf is nog niet uitgestreden, maar we zijn op de lange, moeizame weg naar de afschaffing van deze meest barbaarse van alle straffen toch weer een stuk verder gekomen. En daarover, nogmaals, kan men zich alleen maar oprecht verheugen, ter wille van het Engelse volk, ter wille van de menselijkheid.

P. J. MEERTENS

Vervolg van pag. 3

De tekst luidt: ‘En Mozes zag, en zie, het braambos brandde in het vuur en het braambos werd niet verteerd.’ Hier was een vraag, een lang verzwegen vraag, en een antwoord, een slechts traag begrepen antwoord.|

I De vraag, of er één is, die de vreselijke schuld van de tijd vereffend zou kunnen achten door het vrijwillige offer van een slagersvrouw, door dit bereid zijn onder te gaan in de vuuroven. |

J Maar die ene, die dit inderdaad zou kunnen, zal zeggen, dat dergelijke offers hem niet welgevallig zijn, dat hij geen behagen heeft in brandoffers, maar in een verslagen geest en een gebroken hart. En zal zeg-

gen, dat zij allen en dat zal het antwoord zijn, dat zij allen, ook Sablne en Sabines vader bewaard zijn gebleven voor een andere taak. In die oude brandwond op het gezicht van de vrouw zal het teken opgericht blijven en het zal niet anders te verstaan zijn dan als het teken der liefde, van die liefde, welke de wereld In stand houdt. Het Is goed te vergeten, want hoe zouden wij verder kunnen leven, als wij niet vergeten konden? |

I Maar het is beter niet te vergeten, want hoe zouden wij menselijk verder kunnen leven als wij konden vergeten? Martin Buber heeft deze novelle in een brief aan de schrijver getypeerd als ‘een oorkonde van echte humanisten’. J. J. BUSKES JE.