is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leeskabinet; mengelwerk tot gezellig onderhoud voor beschaafde kringen, 1863, 01-01-1863

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vroeger stond de preekstoel aan de tegenovergestelde zijde, waar de uitgang der kerk is. Een priester, die het verschoonbare gebrek had dat hij //hakkelde", hield des zondags namiddags catechisatie, en wanneer hij dan met zijne //vermaning" begon, slopen de jonge deugnieten, die liever speelden dan door den stamelenden pastoor wat uitgeschuijerd te worden, een voor een de deur uit. Dit verdroot hem; kort en goed liet hij het gevaarte anders-om zetten, en nu waren zij wel genoodzaakt te blijven en het strafsermoen tot het einde aan te hooren.

Wijl een onzer aanmerkt dat het bedrijf der jongens regt ondeugend was, besluit hij aldus:

// Jao wel, mijnheer, was het goddeloos van de bengels, en het wordt nog al niet beter, mijnheer, in deuzen taid, maor dat komt van die libertait, mijnheer, begraipt u? de libertait; men wil vraihaid , vrai zain, geen orde, niet onder tucht staon, mijnheer! Waor moet het heen?"

Ja, waar het heen moet in deze tijden van beschavingen verlichting, hoe oorlogzuchtig zij er ook mogen uitzien — maar zeker niet tot teruggang, en de herstelling van het gezag van dompers en van een gemakkelijk geloof zonder eigen onderzoek,

Eene dubbelzinnige beweging van het hoofd, die in het midden laat of wij met zijne vrome verzuchting instemmen of hem om zijne bekrompene begrippen omtrent vooruitgang beklagen, is het antwoord, dat hij welwillend opneemt en waarop hij ons verder geleidt.

En nu staan wij voor het hek van eene ruime kapel, die alleen licht ontvangt door den ingang. Zij is hoog en rond gewelfd, en geen enkel raam is aangebragt om de schemering weg te nemen en den ernst af te leiden, die ons onwillekeurig aangrijpt bij de laatste rustplaats van eene goede doode. En wel was zij goed, de eerste koninginne van België, Loiuse van Orleans, die, toen zij eenmaal, hetzij door den drang van staatkunde of uit genegenheid, hare hand in die van den nieuweu koning had gelegd, toonde eene moeder voor haar aangenomen volk te zijn. Geen Belg dan ook, die niet hare nagedachtenis zegent en in eere houdt.

Wie zou hier niet een prachtig monument, overladen met sieraden van den beitel eens beroemden beeldhouwers,