is toegevoegd aan uw favorieten.

Het leeskabinet; mengelwerk tot gezellig onderhoud voor beschaafde kringen, 1863, 01-01-1863

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rijk Noorweger, die sedert eene reeks van jaren te Parijs leeft, en van deze stad niet meer scheiden kan. Zijn verhaal luidde aldus:

Het zal nu zoo wat dertig jaar geleden zijn, dat ik eens te paard, en slechts door een enkelen bediende vergezeld, van Christiania naar Drontheim reisde. Ik had nagenoeg de helft van den weg afgelegd, toen een onbekende mij den voortgang versperde, en gebood stil te houden, terwijl hij in de eene hand een dolk en in de andere eene pistool naar mij gerigt hield. Daar ik mij, vrij onvoorzigtig, te digt in mijnen mantel had gewikkeld, was het mij onmogelijk schielijk genoeg naar mijne wapenen te kunnen grijpen. Daarbij zag ik op geringen afstand nog verscheidene makkers van mijne tegenpartij stilhouden; ik bemerkte daaruit, dat elke wederstand vruchteloos zijn zou, en besloot mij zoo goed mogelijk in de zaak te schikken.

De onbekende sprak mij aan: //G-raaf Olaus! Ik weet dat gij rijk zijt; geef mij derhalve uwe beurs. Daarboven in het gebergte zijn vele ongelukkigen, die koude en honger lijden ; aan hen wil ik uwe aalmoezen uitdeelen." — // Goed gaf ik ten antwoord: „laat mij slechts de noodige som, om te Drontheim te komen." — // Dit is eene beleefdheid, die ik aan reizigers steeds bewijs."

Gedurende dit gesprek zocht ik in alle zakken, zonder echter mijne beurs te kunnen vinden; ik had haar, toen ik vertrok, in der haast bij mijnen vader laten liggen, en kon mij nu niet onthouden over deze vergeetachtigheid te lagchen. De roover, aan wien ik de zaak mededeelde, nam haar even zoo van de vrolijke zijde op , en lachte er hartelijk over. Ik gaf hem vrijheid om mij te doorzoeken ; maar hij wees dit aanbod met verontwaardiging af. Ben edelman als ik, zeide hij, geloofde hij gaarne, zonder dat ik hem zelfs mijn woord van eer behoefde te geven.

//Ik zweer u," zeide ik vervolgens, //dat ik nu hartelijk zou wenschen mijne beurs bij mij te hebben, al moest ik die ook met u deeleu; want ik weet thans niet wat ik moet beginnen. Zonder geld is het mij even zoo moeijelijk om verder te komen als om terug te keeren." — //Graaf," sprak de groote-wegen-beld, //ikkaneeu man, alsu, niet in