Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 6 Februarij 1874. N°. 3286.

WEEKBLAD VAN HET REGT.

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENÏIE-BLAD.

BRIE-EN-DERTIGSTE JAARGANG. JÜS ET VËRITA8.

Dit blad verschijnt des Maandags en Donderdags, en om de veertien dagen ook dei Dingsdags. — Prijs per jaargang f 20 ; voor de buitensteden franco per post met ƒ1.00 verhooging. — Prijs der advertentiën, 20 eentt per regel. — Bijdragen, brieven, enz-, franco aan de Uitgevers.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Hiimer van Strafzaken.

Zitting van den 28 December 1870.

Voorzitter, Jhr. Mr. B. vj.h den Velden.

Waterleidingen. — Onderhobdspliotigheid. — Legger. — Koninklijk besluit. — Wettigheid. — Motieven.

Beeft, bij de voorschriften , vervat in artt. 2 , 4 en 5 van het reglement op de waterleidingen in de provincie Drenthe, vastgesteld den 11 Julij 1868 en goedgekeurd bij Kon. besluit van 5 Aug. daaraanv., de regter zich alleen af te vragen , wie als onderhoudspliytige op den legger wordt vermeld? — Ja.

Mogt dus de regter buiten den legger om in een onderzoek treden

van de vraag , op wien het onderhoud rust ? — Neen.

Is het Kon. besluit van 17 Dec. 1817, n". 1, als niet afgekondigd,

geldende '! — Niet beslist.

B'as daarbij de oude vaart onder de gemeente Havelte aan de provincie Drenthe in onderhoud overgedragen ? — Niet beslist. Heeft in ieder geval de regter, door op grond van dat Kon. besluit iemand niet onderhoudpligtig te verklaren, art. 7 van evengemeld reglement geschonden ? — Ja.

De ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te MepPel heeft zich in cassatie voorzien tegen een vonnis van dat Kantongeregt van den 19 Oct. 1870, waarbij de nu gereq. S. J. Stevens, oud twee-en-zeventig jaren, landbouwer, geboren en wonende te Uf'elte, gemeente Havelte , ter zake waarvan hij wai gedagvaard , van a'le regtsvervolging is ontslagen; de kosten te dragen door den Staat.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Wintokns , heeft «e adv.-gen. Smits de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Heeren, President en Raden ! Zoo als UE. H. A. °Or den geachten heer rapporteur is medegedeeld, is de gereq., gedagvaard, ter zake dat, tijdens het uitoefenen der schouw over de oude vaart onder de gemeente Havelte, in gebrekkigen staat zijn bevonden de panden, gelegen tegen de perceelen, kadastraal bekend in de gemeente Havelte, sectie E, n"8. 720 , 449 en 453, ten laste van den aangelanden ged., als zijnde die panden niet gezuiverd van de zich daarin bevindende waterplanten, — van alle regtsvervolging ontslagen.

De heer req. vermeent, dat door dit ontslag geschonden zijn de artt. 7, 13, 28, 31 et) 38 van het reglement op de waterleidingen in de provincie Drenthe, vastgesteld den 11 Julij 1868 en goedgekeurd bij Kon. besluit van 5 Aug. daaraanvolgende, n°. 55.

Bij art. 2 van dat reglement (te vinden in het Bijvoegsel tot het Staatsblad, 1868, editie van van Dorp, bi. 438) wordt bepaald, dat 'n elke gemeente een legger wordt opgemaakt, inhoudende o. a. eene beschrijving der waterleidingen en de namen der onderhoudpligtige personen, met aanduiding van het pand of de panden, ten laste van hunner komende. Volgens art. 4 wordt die legger gedurende dertig d&;>en ter inzage van een ieder nedergelegd; en volgens art. 5 kunnen pf belanghebbenden hunne bezwaren daartegen inbrengen, waarna ■ Staten den legger met of zonder wijziging vaststellen en hunne genomen beschikking ter kennis brengen van hen, die bezwaren hebben ingebragt.

Art. 7 van het reglement houdt in de navolgende bopaling : »De "vastgestelde legger blijft den grondslag uitmaken van iedere ver-

P'igting.v

Bij deze voorschriften van het reglement is het m. i. geheel overeenkomstig uwe jurisprudentie, zoo als die dikwijls is kenbaar geworden, waar het betrof leggers van wegen, dat de regter zich alleen beeft af te vragen, wie als onderhoudpligtige op den legger wordt vermeld, en niet buiten den legger om in een onderzoek mag treden van de vraag, op wien het onderhoud rust, zoo als in casu is geschied.

Volgens de memorie komt de gereq. voor op de tabellen van schouware 'na er eidingen in de gemeente en op de betrekkelijke slagcedul, opgemaa cor bet Gemeentebestuur van Havelte en goedgekeurd oor e . ta en , als onderhoudpligtig tot het schoonhouden van de oude vaart ge egen >n de gemeente Havelte, tegen de perceelen, kadastraal bekend m die gemeente in sectie K, n"8. 720, 449 en 453. Is dit zoo, dan komt het mij niet twijfelachtig voor, of de gereq. had wegens het hem ten laste gelegde verzuim moeten veroordeeld worden. In de derde overweging van het beklaagde vonnis wordt wel gesproken van overgelegde extracten uit het register en slagcedul en uit de tabellen van waterleidingen in de gemeente Havelte ■ maar nergens wordt uitgemaakt, of de gereq. in deze stukken al of'niet als pnderhoudpligtig van de bedoelde panden voorkomt. Daardoor acht ik. artt. 206 en 211 Strafvord., in verband met de bij het middel aangehaalde artikelen van het provinciaal reglement, geschonden. He kantonregter vermeent, dat de verpligting tot onderhoud van bedoelde vaart zoude berusten bij de provincie Drenthe, omdat de oude vaart hetzelfde zou zijn als de oude Smildinger vaart, en bij het ■Kon. besluit van 17 Dec. 1819 (te vinden in het Bijvoegsel tot het Staatsblad, editie van d^EngelbronnilR , eerste serie, bl. 53b) die vaart in beheer en bekostiging en dus ook in onderhoud aan de provincie zou zijn overgedragen. Wanneer dit het geval was, zou dit Voor belanghebbenden grond hebben kunnen opleveren om tegen den egger bezwaren in te dienen; maar nu de legger is vastgesteld, kan

m* *• "iet uit dit Kon. besluit redeneren.

. ,at' bet besluit zelf betreft, wil ik slechts opmerken, dat het niet js afgekondigd, en dus de geldigheid daarvan zeer aan twijfel onderevig. Doch dit daargelaten kan ik er niet in vinden, wat de kantonregter er ia leest. Het is een besluit betrekkelijk de beheering van

waterstaatswerken door de Prov. Staten. Art. 1 van dat besluit luidt:

»Onder het oppertoezigt, Ons bij art. 215 der Grondwet toegekend, en uit te oefenen op zoodanige wijze, als Wij, volgens art. 216, het meest geschikt zouden oordeelen, wordt aan de Staten der respectieve provinciën bij deze opgedragen de beheering en de voorziening in het bekostigen der werken, vermeld op de lijsten n09. 1 en 2, aan dit besluit geannexeerd.» En nu komt op eene dier lijsten (niet afgedrukt in de editie van het Bijvoegsel tot het Staatsblad van d'Engelbronner) voor: *de oude Smildingervaart. Uitdieping van de vaart.» Moet dit nu beduiden , dat gezegde vaart en de verpligting tot onderhoud daarvan aan de Prov. Staten wordt opgedragen ? Ik geloof het niet. M. i. is de beteekenis van het vermelde op de lijst, in verband met art. 1 van het reglement, eenvoudig deze. De Smildingervaart moest uitgediept worden en het beheer en de bekostiging van die uitdieping, dat waterstaatswerk, wordt aan de Staten der provincie Drenthe opgedragen. Ook al mogt dus het Koninklijk besluit in aanmerking genomen worden, geloof ik, dat het ten deze niets afdoet.

Ik heb derhalve de eer, namens den heer proc.-gen., te concluderen tot vernietiging van het beklaagde vonnis en verwijzing der zaak naar de Regtbank te Assen , ten einde op de bestaande dagvaarding op nieuw te worden beregt en afgedaan ; de kosten, in cassatie gevallen, te dragen door den Staat.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld bil memorie;

Overwegende, dat de gereq. was gedagvaard, ter zake dat, tijdens het nitoefenen der schouw over de oude vaart onder de gemeente Havelte, in gebrekkigen staat zijn bevonden de panden, gelegen tegen de perceelen , kadastraal bekend in de gemeente Havelte, sectie JE , nos. 720, 449 en 453, ten laste van den aangelanden ged., als zijnde die panden niet gezuiverd van de zich daarin bevindende waterplanten ;

0., dat bij het bestreden vonnis het ten laste gelegde feit als bewezen is aangenomen, doch niet bewezen verklaard is, dat de bedoelde panden zijn ten laste van den ged., nu gereq.; dat integendeel, bij het vonnis is verstaan , dat de oude vaart behoort onder de waterstaatswerken , welke bij lion. besluit van den 17 Dec. 181'.), n<>. 1 (Bijvoegsel tot het Staatsblad, editie van d'Engelbronner, eerste serie, pag. 538) zijn overgedragen in beheer en bekostiging aan de Prov. Staten van de provincie Drenthe; dat aan die overdragt is verbonden het onderhoud dier vaart, en dat tot dat onderhoud moet gerekend worden te behooren het zuiveren van waterplanten; op welke gronden de bewezen daadzaken , den gereq. ten laste gelegd , verklaard zijn noch misdaad, noch wanbedrijf, noch overtreding op te leveren, voor zooverre hem betreft, en hij te dier zake van alle regtsvervolging is ontslagen ;

O., dat tegen deze uitspraak als middel van cassatie is aangevoerd: schending van de artt. 7, 13, 28, 31 en 32 van het reglement op de waterleidingen in de provincie Drenthe, vastgesteld door de Staten dier provincie bij besluit van den 11 Julij 1868, n°. 4, goedgekeurd bij Kon. besluit van den 5 Aug. daaraanvolgende, no. 55 (Bijvoegsel tot het Staatsblad, 1868 , editie van van Dorp, pag. 438);

O., dat bij art. 2 van dat reglement wordt bepaald, dat in elke gemeente een legger wordt opgemaakt, inhoudende, onder anderen , eene beschrijving der waterleidingen en de namen der onderhoudpligtige personen, met aanduiding van het pand of de panden, ten laste van elk hunner komende; dat, volgens art. 4, die legger gedurende dertig dagen ter inzage van een ieder wordt neêrgelegd; dat, volgens art. 5 , de belanghebbenden hunne bezwaren daartegen kunnen inbrengen , waarna Ged. Staten den legger met of zonder wijziging vaststellen en hunne genomen beschikking ter kennis brengen van hen, die bezwaren hebben ingebragt; terwijl, volgens art. 7, de vastgestelde legger den grondslag blijft uitmaken van ieders verpligting;

O., dat, bij deze voorschriften van het reglement, de regter zich alleen heeft af te vragen , wie als onderhoudpligtige op den legger wordt vermeld, en niet, buiten den legger om , in een onderzoek mag treden van de vraag, op wien het onderhoud rust;

O., dat mitsdien de kantonregter, door bij het bestreden vonnis, op grond van het Kon. besluit van den 17 Dec. 1819, n". 1, daargelaten de vragen, in de memorie van cassatie opgeworpe.i, of dat besluit, als z\jnde niet afgekondigd, was geldende, en of daarbij de bedoelde vaart aan de provincie Drenthe wel in onderhoud was overgedragen, den gereq. niet onderhoudpligtig te verklaren, — art. 7 van het reglement op de waterleidingen in de provincie Drenthe van 1 l Julij 1868 heeft geschonden ;

O., dat, volgens de memorie van cassatie, de gereq. voorkomt op de tabelle van schouwbare waterleidingen in de gemeente en op de betrekkelijke slagcedul, opgemaakt door het Gemeentebestuur van Havelte en goedgekeurd door Ged. Staten , als onderhoudpligtig tot het schoonhouden van de oude vaart, gelegen in de gemeente Havelte, tegen de perceelen, kadastraal bekend in die gemeente in sectie E , n(,s. 720, 449 en 453 ;

0. echter, dat in de derde overweging van het beklaagde vonnis wel wordt gesproken van overgelegde extracten uit het register en slagcedul, en uit de tabel van waterleidingen in de gemeente Havelte, maar nergens wordt uitgemaakt, of de gereq. in deze stukken al of niet als onderhoudpligtige van de bedoelde panden voorkomt;

O., dat mitsdien onder ditopzigtook de artt. 206 en 211 Strafvord., in verband met de bij het middel aangehaalde artikelen van het prov. reglement, zijn geschonden ;

Vernietigt het beklaagde vonnis;

En, krachtens art. 106 R. O.,

Verwijst de zaak aan de Arrond.-Regtbank te Assen , ten einde op de bestaande dagvaarding op nieuw te worden beregt en afgedaan; de kosten, in cassatie gevallen, te dragen door den Staat.

Zitting van den 28 December 1870.

Geneeskunde. — Geneesheer. — Geneesmiddelen. — Aflevering. — Lijst. — Pharmicopaea Neerlandica.

Ligt in het gebod in art. 9, al. 4, der wet van 1 Junij 1865 (Stbl. n'J. 60; aan de geneeskundigen , bevoegd tot het afleveren van geneesmiddelen, om de geneesmiddelen, op de lijst vermeld, tot welker opmaking zij verpligt zijn, schouwbaar voorhanden tt hebben, ook opgesloten het verbod, dat ook andere, daarin niet vermelde geneesmiddelen , mits aan de wettelijke vereischten voldoende, in den winkel aanwezig zijn ? — Neen.

De officier van justitie bij de Arrond.-Regtbank te Zierikzee is req. van cassatie tegen een vonnis van voormelde Regtbank van den 14 Oct. 1870, waarbij is verklaard, dat het aan W. J. Jansen, oud veertig jaren, heel- en vroedmeester, geboren te Middelburg, wonende te Renesse, ten laste gelegd en wettig bewezen verklaarde feit, dat hij op den 15 Junij 11. in zijne apotheek te Renesse voorhanden had andere geneesmiddelen dan die, voorkomende op de door hem van zijne geneesmiddelen opgemaakte en door den inspecteur voor het geneeskundig staatstoezigt in Zeeland voor gezien geteekende lijst, te weten: syrupus sennae en glycerine , — noch misdaad , noch wanbedrijf, noch overtreding oplevert, en de bekl. van alle regtsvervolging te dier zake is ontslagen, met last, dat de kosten der procedure verblijven zullen ten laste van den Staat.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Kist, heeft de adv.-gen. Romer de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Heeren, President en Raden ! De onderwerpelijke zaak heeft weder betrekking op de verpligtingen van zoodanige geneeskundigen, die door de wet bevoegd zijn verklaard om geneesmiddelen te leveren. Ik heb daarover reeds vroeger breedvoerig gehandeld. De Hooge Raad heeft toen mijne beperkte opvatting der wet niet gedeeld. Zie het arrest van 30 Nov. 1868 met de conclusie, opgenomen in de Ned. Regtspr., d. 90, bl. 13?. De Hooge Raad besliste daarbij, dat elk geneesmiddel, hetwelk bij zulk een geneesof heelkundige wordt bevonden, onderworpen is aan de bepaling van art. 6 der wet van 1 Junij 1865 [Stbl. no. 61), en dat die bepaling niet moest worden beperkt tot die geneesmiddelen , welke de geneeskundige, volgens de opgemaakte lijst, voorhanden moet hebben.

Ik eerbiedig die beslissing van den Raad; maar daaruit volgt nog niet, dat de geneeskundige ieder geneesmiddel op de lijst moet doen plaatsen ; het is voldoende, indien zij slechts in schouw baren staat zijn. Ik geloof, dat de Hooge Raad dan ook de bevoegdheid van den geneeskundige om andere geneesmiddelen buiten de lijst te hebben, stilzwijgend heeft erkend. De Raad vergelijke de overwegingen op bl. 138 en 139. Er bestaat m. i. ook geene reden om den geneeskundige het hebben van andere, dikwijls kostbare geneesmiddelen te verbieden. Het is voor de bedoeling van den wetgever voldoende, indien daaromtrent de voorschriften der wet worden nageleefd. De lijst treedt bij zoodanige geneeskundigen in de plaats der PAarmacopoea; en nu zie ik niet in, waarom zij niet, even als de gewone apothekers , geneesmiddelen buiten de lijst zouden mogen hebben, indien deze voldoen aan het voorschrift van art. 6 der wet. Ik deel alzoo geheel de beslissing der Regtbank , dat er geen zoodanig verbod in de wet is gegeven; terwijl ik blijf gelooven , dat alleen die geneesmiddelen, welke verpligtend zijn voorgeschreven, aan het onderzoek zijn onderworpen.

Ik acht derhalve het middel van cassatie ongegrond; en heb de eer, namens den heer proc.-gen., te concluderen tot verwerping der voorziening; de kosten, in cassatie gevallen , te dragen door den Staat.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op het middel van cassatie , door den req. voorgesteld bij memorie, bestaande in : schending van de artt. 9 en 19 der wet van den l Junij 1865 [Stbl. n°. 60), regelende de uitoefening der geneeskunst;

Overwegende, dat het middel van cassatie, blijkens de memorie , steunt op de bewering, dat gemeld art. 9, al. 4, geen anderen zin kan hebben, dan dat de in dit artikel bedoelde geneeskundigen schouwbaar voorhanden moeten hebben de geneesmiddelen, die zij in hunnen winkel voorhanden hebben en dus tot gebruik bestemd zijn , en dat die moeten voorkomen op eene door hen opgemaakte en voor gezien geteekende lijst, waarop niet mogen ontbreken de door algemeenen maatregel van inwendig bestuur aangewezen geneesmiddelen ;

O., dat echter die uitlegging van gemelde alinea strijdt, zoowel met de duidelijke woorden als met de bedoeling van die wetsbepaling;

O., dat toch bij gemelde alinea wordt bevolen, dat de geneeskundigen, die de bevoegdheid tot het afleveren van geneesmiddelen bezitten , steeds schouwbaar voorhanden houden de geneesmiddelen, voorkomende op eene lijst, door hen opgemaakt en door den inspecteur voor gezien geteekend , op welke lijst niet mogen ontbreken de geneesmiddelen, bij algemeenen maatregel van inwendig bestuur aan te wijzen ;

0., dat die woorden mitsdien wel behelzen een gebod om de geneesmiddelen, op de lijst vermeld, schouwbaar voorhanden te hebben, maar geenszins een verbod, dat ook andere, daarin niet vernielde geneesmiddelen , mits aau de wettelijke vereischten voldoende , in den winkel aanwezig zijn;

O., dat de bedoeling dier woorden dan ook geene andere kan zijn ; O. toch, dat de lijst, in gemelde alinea bedoeld, voor die geneeskundigen de plaats inneemt, welke de Nederlandsche pharmacopoea bij de apothekers vervult, vermits de geneeskundigen volstaan kunnen met de in de lijst vermelde geneesmiJdelen, terwijl de apothekers al de in de pharmacopoea anngegevene moeten voorhanden hebben ;

O., dat de apothekers, blijkens art. 6 der wet op de artsenijbereidkunst van den 1 Junij 1865 {Stbl. n<>. 61), ook niet in de pharmacopoea vermelde geneesmiddelen voorhanden mogen hebben, zoodat

Sluiten