Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

0. toch, dat dan, indien geene zoodanige oproeping of geen zoodanig bevel is uitgevaardigd en gedaan, ook geen misdrijf aanwezig is, en het bestaan van dat bevel of van die oproeping derhalve ontwijfelbaar een element van het misdrijf uitmaakt;

O., dat het Hof mitsdien, door in deze aan het proces-verbaal van den veldwachter, waarin de oproeping wordt geconstateerd, bewijskracht te ontzeggen, art. 11, in verband met art. 437, Strafvord. heeft geschonden, zoodat het bestreden arrest uit dien hoofde behoort te -worden vernietigd ;

"Vernietigt, ia het belang der wet, het arrest, door het Prov. Geregtshof in"Noordholland in deze zaak op den 25 Oct. 1870 gewezen, voor zoover daarbij aan het relaas van den veldwachter kracht van bewijs is ontzegd, zonder dat echter door dit arrest nadeel wordt toegebragt aan de regten, door partijen verkregen; de kosten, in cassatie gevallen, te dragen door den Staat.

PROVINCIALE HOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN FRIESLAND.

Hamer van Strafzaken.

Zitting van den 16 Januarij 1871.

Voorzitter, Mr. W. W. Büma.

Valt een schipper , aan wien, tegen loon , het overbrengen van goederen is toevertrouwd, met last om daarop het verschuldigd bedrag te incasseren en aan den afzender dier goederen te verantwoorden, en die het geld, dat hij van den geadresseerde heeft ontvangen, zich heeft toegeëigend en ten eigen bate aangewend, in de termen van art. 386 , no. 4, Strafregt? — Neen.

Het Hof enz.,

Gezien deszelfs arrest van den 9 Dec. 1870, waarbij H. Jonker, oud vier-en-dertig jeren, beurtschipper tusschen Harlingen en Groningen vice versa, geboren en wonende te Harlingen , is verwezen naar de openbare teregtzitting van dit Hof, om door hetzelve te worden teregtgesteld ;

Gezien de acte van beschuldiging, dien ten gevolge door den proc.gen. opgemaakt, houdende, dat hij wordt beschuldigd van vier diefstallen van zaken, die aan hem in zijne hoedanigheid van schipper waren toevertrouwd;

Gehoord de mondelinge verklaringen van de getuigen , door den proc.-gen. overgebragt;

Gehoord het requisitoir van den adv.-gen., namens den proc.-gen., daartoe strekkende, ten einde de besch. zal worden schuldig verklaard aan de hierboven omschreven misdaden ; en te dier zake, op grond

van art. 386 , n°. 4, Strafregt, veroordeeld tot eene tuchthuis-straf

van vijf iot tien jaren , en in de kosten van het regtsgeding , invorderbaar bij lijfsdwang, met last, dat een uittreksel van het arrest zal worden gedrukt en aangeplakt te Leeuwarden, Franeker en Harlingen ;

Gelet op de verdediging, door en van wege den besch. daartegen ingebragt;

Overwegende, dat de besch. ter teregtzitting heeft bekend, dat hij

is beurtschipper tusschen Harlingen en Groningen , hiertoe door de besturen van die genieenten aangesteld; dat bij op zijn tarief ook een post had van vrachtloon voor het overbrengen van geld; en dat hij

voorts :

1°. in die qualiteit in Junij 1870 van J. Sleyfer, koopman te Fra-

neker, tegen het daarvoor door hem afgegeven en ter teregtzitting

aanwezig bewijs, te Franeker heeft ontvangen eene som van / 200 , om dezelve voor genoemden koopman te bezorgen aan C. Rikkers, koopman te Groningen; doch dat hij aan dien last niet heeft voldaan,

voor de uitvoering waarvan hij echter volgens tarief loon in rekening kon brengen, van /' 100 of minder 30 cent, maar zich dat geld

arglistig heeft toegeëigend en ten eigen bate heeft aangewend;

2°. in voormelde qualiteit in Julij 1870 van den steenhouwer P. H. Korst, te Groningen, 67 Bremervloeren in ontvang heeft genomen,

met last om, tegen betaling der vracht, deze aan J. M. van der Belt

steenhouwer te Franeker, af te leveren en daarop , volgens het door Korst voorbeschrevene op het ter teregtzitting aanwezige adres , de

som van f 36 te ontvangen , welke som, benevens de verschuldigde vracht, aan hem werkelijk is uitbetaald, doch welke hij niet aan don

afzender der Bremervloeren heelt ter hand gesteld, maar zich toege eigend en ten eigeu bate aangewend;

3°. in seliike aualiteit, in de maand Aug. 1870, van P. P. ten

Veldhuis, koperslager te Groningen, in ontvang heeft genomen twaalf

koperen driehoeken , om die, tegen betaling der vracnt, te Drengen aan den koperslager \V. Hilarius, te Harlingen , en daarop , volgens het op den geleibrief uitgedrukte, te ontvangen de som van f 11.55

voor den afzender; dat hij die goederen heeft afgeleverd en benevens de vracht de som van f 11.55 heeft ontvangen, doch dit geld niet

aan den afzender heeft ter hand gesteld, maar zich toegeëigend en ten

eigen bate aangewend; en

4". eindelijk in gemelde qualiteit, op den 14 Sept. 1870, van den

bakker B. de Jong, te Groningen, heeft in ontvang genomen eene

mand met paaschbrooden, om deze te bezorgen aan S. van Messel

borstelmaker, te Harlingen, en daarop, volgens het op het adres uit

gedrukte , te ontvangen de som van f 8 voor den afzender ; dat hij

die mand heeft afgeleverd, en op de medegegevene en ter teregtzitting aanwezige quitantie heeft ontvangen /'6.10 in plaats van f8, omdat de brooden beschadigd waren, en vervolgens ook dat geld zich heeft

toegeeigend en ten eigen bate aangewend;

O., dat deze bekentenissen respectivelijk zijn bevestigd door de ter

teregtzitting onder eede afgelegde getuigenissen :

lu. van bovengenoemden J. Sleyfer, die verklaarde, dat hij aan

den besch., als beurtschipper, in Junij 1870, de som van f 200 heeft

ter hand gesteld, om dezelve voor hem aan C. Rikkers, te Gronin

gen, te bezorgen, doch later van dezen hebbende vernomen, dat aan

dien last door den besch. niet zou zijn voldaan, hij den besch. hier

over heeft onderhouden, die toen het ter teregtzitting aanwezige en

aldaar door den bescn, erkende briefje heelt geteekend, waarbij hij

besch. beloofde weKenjns aan uen getuige terug te geven de som van f 5, in mindering van de voormelde /' 200, waaraan evenwel door

den besch. slechts eenmaal is voldaan;

2°. van F. H. Korst voormeld, die heeft verklaard de bewuste

vloeren aan den besch. op den vermelden tijd en plaats, en met voor

meld adres en last, ter hand gesteld te hebben, doch nimmer den

voormelden koopprijs te hebben ontvangen; en

van voormelden J. M. van der Belt, die verklaarde die vloeren met het adres te Franeker van den besch. te hebben ontvangen en

aan hem , benevens de vracht, den koopprijs ad f 36 in voldoening

aan het op het adres bepaalde te hebben ter hand gesteld;

3^. van bovengenoemden P. P. ten V eldhuis , die heeft verklaard

dat hij te Groningen in de maand Augustus van het vorige jaar de

bewuste koperen driehoeken voor koffijkannen met een geleibrief aan

den besch. ter bezorging aan W. Hilarius heeft doen ter hand stellen maar den koopprijs niet heeft ontvangen; en

van W. Hilarius, die verklaarde te Harlingen van den besch. de koperen driehoeken te hebben ontvangen en aan hem, benevens de vracht ook volgens het geschrevene op den geleibrief, die door hem

| ter teregtzitting is vertoond, de verschuldigde som van f 11.55 voor ! den afzender te hebben overhandigd ; en

40. van benoemden B. de Jong, die verklaarde, dat hij op den

14 Sept. van het vorige jaar eene mand met paaschbrooden heeft ter hand gesteld aan den besch., ter bezorging aan S. van Messel, te Harlingen, met last om, op de medegegevene voormelde quitantie, den prijs ad ƒ 8 voor hem te ontvangen, doch dit bedrag nimmer heeft ontvangen j en

van genoemden S. van Messel , die heeft verklaard, dat hij in

September van het vorige jaar eene mand paaschbrooden van den besch. heeft ontvangen en aan dezen slechts ƒ6.10 heeft betaald , tegen

overgave der quitantie ad f 8, omdat de brooden beschadigd waren ;

O., dat de bekentenissen van aen oescn. zijn vergezeia van eene bepaalde en naauwkeurige opgave van omstandigheden , die ook uit de verklaringen van de gehoorde getuigen respectivelijk bekend zijn en daarmede overeenstemmen ;

0., dat het Hof alzoo door wettige bewijsmiddelen de overtuiging

heeft bekomen, dat de vier ieiten, zoodanig die in de acte van neschuldiging zijn vermeld, werkelijk hebben plaats gehad en allen dooi¬

den besch. zijn bedreven ;

Beslist, dat wettig en overiuigana. is bewezen , aat ae oescn.: 1° in ziine hoedanigheid als beurtschipper tusschen Harlingen en

Groningen, op den 12 Junij 1870, van J. Sleyfer, koopman te Franeker heeft ontvangen eene som van ƒ *200, om dat geld over te

brengen aan C. Rikkers, koopman te Groningen, en aan dezen last,

oor weiüs uitvoering uy tauei muu ivuii ucicn.cncu,

heeft voldaan , maar die som zien arglistig heelt toegeeigend en ten eigen bate aangewend;

o .. j. i tt_- inwn n jï

2U. in diezelide lïoedanignew, ui ue maana wunj iö/u, van r. n. Korst, steenhouwer te Groningen, heeft in ontvang genomen 67 Bre¬

mervloeren , om dezelve, tegen genot van vractit, over te Drengen

aan J. M. van der Belt, steenüouwer te lu-aneker, en van dezen de som van ƒ 36 bii de aflevering heeft ontvangen voor den afzender ,

doch dit geld zich heeft toegeëigend en ten eigen bate aangewend;

*?. ,r,, , ....... j A in^rt o r>

30. m diezelfde noeaamguctu., ue niaanu .«.ug. io/u, van i. x. ren Veldhuis. koperslager te Groningen , in ontvang heeft genomen

twaalf koperen driehoeken, om dezelve, tegen genot van vracht, over te brengen aan W. Hilarius , koperslager te Harlingen , en daarvoor

te ontvangen den koopprijs au j n.a», aocn, in piaais van aie omvangen som aan den afzender der koperen driehoeken te overhandigen, dat "eld zich heeft toegeëigend en ten eigen bate aangewend, en

4". in diezelfde dualiteit, op den 14 Sept. 1870, van B. de .Jong,

bakker te Groningen, in ontvang heeft genomen eene mand met paaschbrooden, om dezelve, met vooruitbetaling der vracht, over te brengen

« ' n r. 1 1 t-Jmalrov fr» ! «v» rlon nriic

aan ö. van ivicssei, -v, w* vw.»

ad f 8 te ontvangen , aocn, in piaats van het ontvangen geia, ten

hpdrncrfi vnn ƒ6.10. aan den alzender der mand te overhandigen ,

ook dit geld zich heeft toegeëigend en ten eigen bate aangewend;

. ° . IJ. i.„i. -1 .1- .• .._•••

(J dat het eerstgemeiue nm, uül zich arglistig toeeigeneu uuui uv-n

besch. van gelden, die hem, als schipper, ter overbrenging met zijn

beurtschip waren toevertrouwd, daarstelt de misdaad van diefstal, door een schipper gepleegd, waartegen is voorzien bij art. 386, n". 4,

Strafregt, en alzoo bij de acte van besehuldiging overeenkomstig de

wet is geaualificeerd

O wat de drie andere tenen oetrett, auen bestaande in net niei-

verantwoorden van ingecasseerde gelden aan zijne lastgevers, dat deze, hoe laakbaar ook , geen misdaad , wanbedrijf of overtreding

ilnarst.ftllen :

dat toch het invorderen van pretentien, als zien een scnipper daar¬

mede belast, niet uitmaakt een deel van zijn schippers beroep , be

staande in het met zijn schip vervoeren van aan hem tot dat einde toevertrouwde gelden of goederen, maar is eene zaakwaarneming, die

hij , gelijk andere commissien, evenzeer zijnerzijds , onverpügt als zonder dat iemand dit aan hem behoeft toe te vertrouwen, nevens

ziin schippersbedrijf uitoefent;

dat hij, naar den aard van den last tot incasseriug, wel verpligt is om

aan ziine lastgevers de voor hen ingevorderde geldsommen te verant

-1 1 *: /I: t n A mot /I ar al f. 1 a frolrlcr\f>r»iiin

woorden , maar mj uit mcu uouwetu ^ Bv.uul,w.w..

nf hetzelfde creldswaardig papier , hetwelk hij in betaling ontvangen

heeft, on hij dus ook niet verpligt is om , alsof zij hem ter vervoer warpn toevertrouwd en hij er bewaarder van ware, juist die geld¬

speciën en dat papier met zijn schip over te voeren ; iets , wat hem zelfs niet mogelijk is , zoo dikwerf de betaler het verschuldigde niet juist heeft afgepast en hij geld terug heeft moeten geven, of wanneer

hii de betaling bii wege van verrekening neett ontvangen;

dat hij integendeel eigenaar wordt van de door hem ontvangene veldstukken of geldswaardige papieren, en eenvoudig debiteur van

yiinpri lastgever voor het bedrag van de ontvangene geldsom;

flat hier alzoo de elementen voor bet bestaan van diefstal ten eene

male ontbreken, en in bet bijzonder die van diefstal, door een schip

per qua talis gepleegd , met aanwezig zijn ;

dat ook aan het bestaan van het misdrijt van misbruik van ver

trouwen hier niet kan worden gedacht, al ware het alleen, omdat

„„„ fion hfisr.h. hii de drie laatste feiten niet is te laste gelegd, dat

Vi ii vnr>r bp.t, incasseren loon kon berekenen ;

0. dat de drie laatste feiten mitsdien geen misdaad, wanbedrijf of

r.Trort.rAdino' onleveren ;

rwciant. den besch. ter zake dezer drie feiten van alle regtsver

vnl<rin(r- de kosten, ten opzigte dezer feiten gevallen, te dragen door

' © rS ' Arm •

/-. «.rato feit. zoo als hiervoren is vermeld, met straf

wordt bedreigd bij art. 386 , n'. 4, Strafregt;

vn«irinnvt ahpsph. schuldig aan «dierstai van zaken, die aan

hem in zijne hoedanigheid van schipper waren toevertrouwd. ; Verklaart van toepassing gemold wets-art.kel u.dende enz.;

nrr 207 Strafvord. en art. 52 Strafregt;

«nbnlilicr verklaarden H. Jonker tot een confine

mp„t in een huis van reclusie en tuchtiging voor den tijd van vijf

achtereenvolgende jaren, om aldaar door zijnen arbeid zijn onder.

Vii-.t-irl f o rroivinnfln •

Condemneert denzelven in de kosten van het regtsgeding, ten opzigte

van het feit. weswege hij is gecondemneerd, invorderbaar bij lyts

dwang ;

L. T. Dalstra, oud vijf-en-zestig jaren, arbeider, geboren teDragten ;

M. L. Dalstra, oud zeven-en-twintig jaren , arbeider, geboren te Houtigehage onder Dragten, beiden laatstelijk wonende te Surhuissterveensterheide; en

A. F. Dalstra, oud zes-en-dertig jaren , arbeider, geboren te Hou¬

tigehage onder Dragten , en laatstelijk wouende aldaar.

Ordonneert eindelijk, dat extract van dit arrest zal worden gedrukt

en aangeplakt in de gemeenten Leeuwarden, rranaKer en naningeu.

Manslag met voorbedachten kade (moord), gevolgd van diefstal.

Maandag, 27 Febr. a. s. is opgemaakt de volgende

zal deze zaak behandeld worden. Daarin

Acte van beschuldiging.

De proc.-gen. bij het Prov. Geregtshof in Friesland nen, dat, bii arrest van hetzelve van den 3 Dec. 1870,

openbare teregtzitting zijn verwezen :

En verklaart de proc.-gen. verder, dat uit de instructie der proce¬

dure resulteert:

dat W. G. van der Hei, landbouwer te Nijega , op Dingsdag den

26 Nov. 1S67, des morgens omstreeks half elf ure, naar de woning van W. T. Hiddema aldaar is gegaan , om over het huren van

een stuk land te spreken, en bij zijne komst de voordeur dier wo¬

ning open vond staan, en in de kamer niemand zag, waarop hij naar

achteren door den gang is gegaan, en toen in uen KarnnoeK de vrouw van Hiddema, S. W. Sijtsema, op den grond zag liggen, en wel met het hoofd tegen de deur van het buithuis ;

dat hij , meenende, dat zij een toeval had gekregen, die deur heeft

opengedaan om haren man te roepen , en dat toen haar hoofd naar

beneden viel, waaruit ny opmaakte, dat de vrouw reeds dood was, terwijl er nog bloed uit haren neus en mond liep;

dat hij na het openen van die deur het paard zag fosloopen, en

Hiddema op den milgang bij de pomp met de armen uitgestrekt op

den rug zag liggen;

dat hij , hierdoor zeer ontsteld zijnde , naar den naasten buur van

Hiddema, zijnde J. R. Jacobi, is gegaan, en aan dezen zijn wederva-

en heeft medegedeeld, waarop zij te zamen naar de woning van

Hiddema zijn gegaan , en toen de beide lijken naauwkeurig hebben bezien, waarbij hij aan het lijk der vrouw eene roode striem aan den hals heeft gezien, doch aan het lijk van den man niets bijzonders heeft bemerkt;

dat vervolgens hiervan mededeeling is gedaan aan den burgemees¬

ter van Smallingerland, die zich onmiddellijk naar de plaats, waar de misdaad was gepleegd, heeft begeven en tevens een voorloopig onderzoek door de beide geneesheeren, Dr. K. P. Pel en Dr. R. Reeling Brouwer, heeft doen instellen , waarbij toen gebleken is, dat de man bij de pomp in den stal en de vrouw in het karnhuis op de meest verraderlijke wijze moeten overvallen en vermoord zijn, daar bijna geene sporen van geweld op de beide lijken en volstrekt geene zoodanige sporen aan hunne kleeding zijn gevonden; zoodat dia gewelddadige manslag van beide personen, na voorafgaand overleg en

met voorbedaenten rade , op netzenue oogenouü, na een voorargaaim teeken of sein , moet volbragt zijn ;

dat zulks nog nader wordt bevestigd door het proces-verbaal van

het daarop den 27 en 28 Nov. 186 7 ingestelde regterlijk onderzoeK en door de visa reperta van de door bovengenoemde geneeskundigen toen gehoudene lijkschouwingen , terwijl uit de daarin vermelde ken-

teekenen , namelijk de striemen aan den nais, ae gezwollen oogleden,

de met bloed opgespoten oogen, de gezwollen tongen en de met bloee

opgevulde longen in beide lijken volgt, dat, in den avond van den

25 Nov. 1867, W. 1. Hiddema en diens Huisvrouw o. VV. bijtsema

in hunue woning te Nijega door verworging gewelddadig zijn vermoord en wel de man in den milgang, digt bij de pomp , en de vrouw in den karnhoek;

dat verder in de woning geene sporen van braak zijn gevonden; dat

de achterdeuren gesloten waren, en dat een der blinden van het

kozijn in de voorkamer geopend is gevonden, zoodat net waarschijnlijk is, dat de daders de voordeur zijn binnengekomen , en bij het

verlaten der woning het blmd hebben opengezet, om op den volgen¬

den morgen eene te vroege ontdekking te voorkomen ;

dat wijders in de voorkamer dier woning het kabinet en de bed¬

stede open zijn gevonden , en dat het bed in de bedstede nog opgemaakt was, zoodat de moord nog in den avond van 25 Nov. 1 .->67 moet gepleegd zijn, terwijl in het kabinet verschillende kleediugstukken door elkander waren gehaald, en de laden openstonden >

zoodat alles aantoonde, dat men naar voorwerpen vau waarde had

gezocht;

dat door S. W. Sijtsema, KoemeiKer te tiottevane, Droeder vau

de vermoorde vrouw Hiddema , als uit de woning van Hiddema ont¬

vreemde voorwerpen zijn opgegeven, behalve het geld, voorna*

melijk in rijksdaalders bestaande en afkomstig van de /' 70, welke

J. 1. Douma, grutter te uudega, uen zj xnov. iso / , aan den vermoorden Hiddema ha l uitbetaald, — twee zilveren horologies, waarvan

het eene met bonte wijzerplaat, en het andere met eene gewone wittfi plaat, benevens eene fijne koperen ketting van twee strengen met ee" sleuteltje, een gouden oorijzer, twee gouden sloten en eene ouderwetscl»

gouden kroontje met koralen, twee zilveren scharen met zilverfl11 kettingen, waarvan de eene met een haak en kussentje, twee zilveren kuitgespen, een zilveren reukdoosje en een zilveren knipje; terwijlater is gebleken, dat nog ontvreemd zijn twee stukken vijfschaft» waarvan het eene fijner dan het andere was , een lap katoen , ben®' vens het als overtuigiiigs-stuk aanwezige mes met een beenen heft, waarop eene spreuk staat;

dat kort na het plegen van den moord verschillende vermoeden® zijn ontstaan betrefiende de daders, welke echter allen bij nader onderzoek geheel ongegrond zijn bevonden;

dat echter in den aanvang van het jaar 1868 het de aandacht h«e'' getrokken, dat de tweede besch. meer geld uitgaf dan gewoonlijk, ci dan men nagaan kon , dat hij op eene eerlijke wijze verdiend ha-' en bovendien verschillende blijken gaf van onrust en gejaagdheid| terwijl de derde besch. in de winkels van zijne buurt verscheen WÉ' rijksdaalders, ofschoon beiden als zeer armoedig bekend stonden, als blijkt uit de verklaringen van de navolgende getuigen : A. *' Tuinstra, vrouw van M. T. van der Meer, zonder beroep, woneu^ te Surhuisterveen , T. R. van der Meulen, vrouw van H. BethleheP1 ■ winkelierster te Rottevalle, en W. H. Nieuwenhuis , vrouw va" P. K Sioterdijk , naaister te Surhuisterveen, bij welke getuige ^ tweede besch. ongeveer acht weken na den moord is gekomen niet lapje vijfschaft, om daarvan een onderbaaitje voor hem te maken, en hij later dit komen halen, en heeft haar getuige betaald, als waune'"', zij gezien heeft, dat hij veel geld, wel f 50 , bij zich had, ter^'J verder deze getuige het in beslag genomene en aan haar vertoon®" baaitje voor hetzelfde houdt, dat zij voor den tweeden besch. f?c maakt heeft;

dat vervolgens in Maart 1869 door de dienaren van politie 1

Smallingerland, G. O. Schriemer en Iv. J. Diemersen, ten huize v L. P. van der Molen, bakker en winkelier in de Dra'tster-compag"1^ in beslag is genomen een vijfschaften hemdrok of onderhuis van ^ derden besch., en dat door diens bijzit A. J. Mulder aan dien bak»^, was verkocht voor f 2.55, en welke buis vermoed wordt ëeia^0t te zijn van het ontvreemde stuk vijfschaft, terwijl kort daarop dezelfde politiedienaren, blijkens hun proces-verbaal, bij dienzel'^ bakker nog in beslag is genomen een zilveren horologie, hoorende aan den derden besch. en door diens bovenvermelde aldaar gebragt om daarop eenige winkelgoederen te halen , en ;)f, horologie vermoed wordt afkomstig te zijn van de ontvreemde v» werpen , welke beide voorwerpen kort daarna aan den voorme ^ bakker zijn teruggegeven, doch in 1870 op nieuw bij hem in genomen, met de inmiddels door vermelde bijzit nog beleende <i° ^e:

geeft te kennaar deszelfs

l

dat

niet I

onderbaaitje en de everlasten broek, als zijnde voorwerpen, bi ^ ■nrnnnliilr in Imt. hA7.it'. van mfinRchfin als Hf* dfirdö besch. . ^6®

Sluiten