Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tusschen partijen gewezen den 2 Febr. 1870, waarvan is geappelleerd, en verdere stukken;

Overwegende ten aanzien der daadzaken :

dat de appellante, krachtens eene beschikking van den president van de Arrond.-Regtbank te Zwolle van den 18 Aug. 1869, bij procesverbaal van den deurwaarder Voetelink van den 27 dier maand, tot zekerheid van een schuldvordering, ten bedrage van ƒ121.90, conservatoir beslag heeft doen leggen op eene aan geïnt. toebehoorende praam, genaamd de Twee Gebroeders, liggende aan de Nieuwe Haven te Zwolle, en de zich daarop bevindende roerende goederen; en bij exploit van denzelfden deurwaarder van den 28 daaraanvolgende den geïnt. heeft doen dagvaarden tot betaling van voorschrevens som en tot van-waarde-verklariug van het gelegd beslag, welke dagvaarding aan den ged., nu geïnt., is beteekend, exploit doende aan voormeld vaartuig, en sprekende aldaar met den bewaarder van hetzelve;

dat, bij vonnis van gemelde Regtbank van den 1 Sept. 1869, de ged., nu geïnt., bij verstek is veroordeeld tot betaling van voormelde som en voormeld beslag is van waarde verklaard;

dat de geïnt., bij exploit van den 30 Oet. daaraanvolgende, tegen dat bij verstek gewezen vonnis in verzet is gekomen , met dagvaarding om te hooren verstaan, dat hij is goed opp., en te hooien verklaren, dat de dagvaarding, aan voormeld vonnis voorafgegaan, is nietig en van onwaarde, en dat alzoo de appellante in haren bij die dagvaarding ingestelden eisch is niet-ontvankelijk; voorts dat het arrest zal worden opgeheven met eisch tot schadevergoeding, welk verzet onder anderen daarop is gegrond, dat de opp. reeds op den 25 Mei 1869 zijn voormeld schip met der woon zoude hebben verlaten, en alzoo de aan dat schip beteekende dagvaarding niet aan zijn persoon of woonplaats zoude zijn beteekend, hetwelk de nietigheid dier dagvaarding ten gevolge moet hebben;

dat de appellante, toen geopp. , daartegen onder anderen heeft aangevoerd, dat die dagvaarding, overeenkomstig art. 313 B. R., aan boord van geïntimeerdes vaartuig is beteekend, en de appellante ontkent en geïnt. niet bewijst, dat hij tijdens die beteekening zijne woonplaats zoude gehad hebben aan de Dedemsvaart; voorts dat de opgeworpene nietigheid der dagvaarding, al ware zij gegrond, dan nog niet zoude zijn ingesteld vóór alle weren, en alzoo zijn gedekt;

dat de Arrond.-Regtbank te Zwolle, bij vonnis van den 2 Febr. 1870 , passerende het aangeboden getuigenbewijs, den opp. heeft verklaard goed opp. tegen het vonnis, den 1 Sept. 1869 bij verstek tegen hem gewezen; de dagvaarding, aan voormeld vonnis voorafgaande, heeft verklaard nietig en van onwaarde en de geopp. niet-ontvankelijk heeft verklaard in haren bij die dagvaarding inges'elden eisch, met opheffing van het conservatoir arrest en veroordeeling tot vergoeding van kosten, schaden en interessen, te dier zake geleden en nog te lijden, te liquideren bij staat, alles met veroordeeling van den geopp. in de kosten;

dat de geopp. bij deurwaarders-exploit van den 3 Maart 1870, tegen gemeld vonnis in hooger beroep is gekomen, en daarbij even als bij hare daarop gevolgde conclusie heeft gevorderd, dat het vonnis, waarvan appel, zal worden vernietigd en het Hof, op nieuw regt doende, alsnog aan den opp., nu geïnt., zijne in eersten aanleg gedane vordering zal ontzeggen, immers hem daarin niet • ontvankelijk zal verklaren, met verdereu eisch tot schadevergoeding, zoo als daarbij vermeld, voornamelijk op grond: 1°. dac de opgeworpene nietigheid van dagvaarding niet zoude zijn ingesteld vóór alle andere weren; en 2". dat bij het vonnis a quo ten onregte zoude zijn beslist, dat de opp., nu geïnt., tijdens de beteekening der dagvaarding tot van-waarde-verklaring van bet beslag, zijne woonplaats had te Avereest; waartegen door den geïnt. is gecontra-concludeerd, op de gronden, in eersten aanleg aangevoerd, dat het Hof, des geraden oordeelende, na eerst den geïnt. tot het aangeboden getuigenbewijs te hebben toegelaten, het ingesteld hooger beroep moge verwerpen , en het vonnis a quo bevestigen, met veroordeeling der appellante in de kosten in beide instantiën;

"Wat het regt betreft:

0., dat zal moeten worden onderzocht:

lo. of de door geïnt. in eersten aanleg als opp. opgeworpene exceptie van nietigheid der dagvaarding is gedekt, en alzoo nietontvankelijk? zoo neen,

2-, of die exceptie is gegrond?

Ad l,lm. (>., dat uit het dictum der acte van verzet met dagvaarding van den 30 Oct. 1869 en de daarmede overeenstemmende conclusie van den opp., nu geïnt., blijkt, dat zijne vorderiug om te worden verklaard goed opp. tegen het hij verstek gewezen vonnis van den 1 Sept. te voren, en tot niet-ontvankelijk-verklaring van den door geopp. ingestelden eisch, alleen daarop is gegrond, dat de dagvaarding, aan voormeld vonnis voorafgegaan, zoude zijn nietig en van onwaarde, en dat slechts als een gevolg van die nietig-verklaring der dagvaarding, naar aanleiding van art. 309 fi. R., de opheffing van het gelegd conservatoir beslag wordt gevorderd, terwijl de opp. de hoofdzaak geheel onaangeroerd heeft gelaten;

O., dat alzoo de opgeworpene nietigheid der dagvaarding de éénige grond der vordering is, en dus, als zijnde, overeenkomstig art. 'J3 H. R., vóór alle andere weren ingeroepen, niet is gedekt, zoodat de exceptie is ontvankelijk;

Ad 2um. O., dat de deurwaarder het exploit van dagvaarding van den 28 Aug. 1869 , blijkens het daarbij vermeld relaas, heeft beteekend, exploit doende aan boord van het diar genoemd vaartuig, en sprekende aldaar met den geregtelijken bewaarder van hetzelve, L. N. Inkelaar;

O., dat bij art. 313 B. R. wel wordt bepaald, dat eene dagvaarding

voor een schipper, aan scheepsboord geëxploiteerd, in eene handelszaak, gelijk de onderwerpelijke, van waarde is , maar daarbij niet wordt voorgeschreven, op welke wijze zoodanige dagvaarding ttioet worden geëxploiteerd, en dus hieromtrent moeten worden in acht genomen de algemeene voorschriften omtrent exploiten van dagVaarding;

. nu, dat, volgens artt. 1 en '2 li. R., de deurwaarder verpligt ls. het afschrift der dagvaarding te laten aan den persoon van den ged. of aan zijne woonplaats aan een van zijne huisgenooten, en ingeval hij noch den ged., noch iemand van diens huisgenooten , aan f'Jne woonplaats vindt, hetzelve aan het hoofd van het Plaatselijk "estuur moet ter hand stellen, ten einde het zoo mogelijk den ged. te doen toekomen;

... dat alzoo het laten van het afschrift der dagvaarding aan den ,!) het beslag gestelden geregtelijken bewaarder, die niet is huisgenoot, 18 1,1 strijd met de voorschriften van artt. 1 en 2 13. K, welke, luidens arl' 92 van datzelfdp wet.hnek. on strafte van nietigheid moeten wnr.

in acht ffennmftn •

O-, dat hieruit volgt

dat,

bii beteekening van eene dagvaarding

af01 e.enen schippcr aan scheepsboord, bij afwezigheid van dezen, het schrift moet worden gelaten aan een der schepelingen, gelijkstaande

^ ue oij art. 2 aangewezene huisgenooten, en dezen daar niet vin-

het nier. R.i Tl Kon-aov^oi- marr Tirrvv^on orplnfP.n 7.HO als ttl

heeft plaats gehad, maar aan het hoofd van het Plaatselijk Beuur moest worden ter hand gesteld;

Va '' derhalve op voorschreven grondde primitieve dagvaarding onu- d6" 28 AuS' 1869 behoort te worden verklaard nietig en van

^aarde, met al de gevolgen van dien;

Voerd' ^ ^eze beslissing overbodig is, de door partijen ge-

e beweringen omtrent de woonplaats van geïnt. tijdens de aan

hem beteekende dagvaarding, en de gronden, waarop de eerste regter de dagvaarding heeft nietig verklaard, te onderzoeken ;

0., dat door de nietig verklaring der dagvaarding, houdende eisch tot van-waarde-verklaring van het gelegd beslag, dit beslag zelf ingevolge artt. 309 en 732 B. R., van regtswege vervalt; en de eerste regter alzoo teregt dat beslag heeft opgeheven, en de appellante heert veroordeeld tot vergoeding van kosten , schaden en interessen, door den gemt. te dier zake geleden of nog te lijden;

., at us , ofschoon op andere gronden regt sprekende, het vonnis a quo, wat het dictum betreft, als goed gewezen, zal behooren te worden bevestigd;

Regt doende enz.,

Doet te niet het ingesteld hooger beroep;

Bevestigt, voor zoover het dictum betreft, het vonnis,- door de Arrond.-Regtbank te Zwolle tusschen partijen gewezeu den 2 Fèbr, 18/0, waarvan is geappelleerd;

Yeioordeelt de appellante in de kosten van het regtsgeding, in hooger beroep gevallen. b ë ë'

AfiRONDISSEMENTS-RBGT BANKEN.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TB 'S GR.A VENHAGE. Burgerlijke kamer.

Zitting van den 23 September 18 70.

Voorzitter, Mr. j. C. van de Kasteele.

I?E M™haT-'- O™»». -

j -unkkbng. — Onroerende goederen. —

'ering. Eigendom. — Verdeeung. — Mondelinge overeenkomst.

Kanrerist?a!la''97 ^ re9istratie • gelijktijdig met het. regt van invorderen'? — 1™" ovcrschriévin9 biJ hetzelfde dwangschrift

^"'aanaaan °nu>ercnde: poederen, die één der vennooten bij het eigendom dier Zaatlll m™fhaPaamff in hengen, de de openbare registe^XZT^nf-k',Z W

W' 'van ^anten, te 's Gravenhage,

tegen

Het Bestuur der Registratie en Domeinen.

De Regtbank enz.,

Regfbank^ be hagelden"" ópp-I^Sf 'k : f' het..der

eisch tot nietig-verklaring van 1 w i , kwaad °PP' en hem zlJnen zondering van het daarin gevorderdn^f 7 °ntze?gen.' met uit" en alzoo, met te-niet-doening van het T ü TT'"Vlnteressen' der moratoire interessen hft dwanfL 7f V b3i°ndens de 1uaestw ten, behalve op dat der interess n eg„ h , hi>»dhaven op alle pun-

te veroordeelen tot betaling „ L , ™, 5'"' f" ,0pp- 6n e'Scher «», - •—

, Overwegende, dat, bij eene acte, den 12 Maart 168 voor den te b Gravenhage residerenden notaris J. L. Wiercx verleden, de erfgenamen van wijlen V. J. Landry, benevens C. .ƒ. Jut, en de opp "en eischer ten dezei W. H. van Zanten , hebben te kennen gegeven dat

schrift^en dus m I ~andry met beide 'aatstgemelden , zonder gehphhln'rlp m0ndehng' WaS aa"SeSaan eene maatschap, ten doel

nebbende het voor gemeenschappelijke rekening doen houwen verhuren en verkoopen van huizen; dat door dien heer Landry 'in de maatschap z.jn mgebragt zekere perceelen land en een huis en door ieder der beide andere vennooten contant geld, benevens door den opp. ten deze van Zanten, zijne nijverheid; dat ieder der vennooten voor een gelijk deel in die maatschap en hare winsten geregti"d was en ten gevolge van het overlijden van den heer Landry, mrtiien verlangen over te gaan tot scheiding en verdeeling der goederen dier maatschap; waarna bij gemelde acte aan de erven Landry en aan den comparant Jut contante gelden zijn aanbedeeld en aan den opp. van /.anten al de onroerende goederen, berekend tegen eene gezamenlijke waarde van / 46,500, zoodat, volgens die acte, laatstgemelde eene overbedeel.ng van / 10,617.92 aan onroerend goed verkreeg;

i at die acte den 14 Maart 1868 is geregistreerd door den ontvanger der registratie voor burgerlijke acten te 's Gravenhage, tegen een vast regt van f 2.40, wegens scheiding, en 4 pet. over de overedeeling aan onroerend goed, makende te zamen met de 33 opcenten

van dp V?v!Y 589,54A tei'w«1 z'j. volgens partijen, ten kantore n de hypotheken te s Gravenhage den 21 Maart 1868 is overge-

der'ZrteSng- r6gt Va" % PCt' mCt 38 °PCenten °V6r het C«fer

vpnWpat °"tr=er der registratie voor burgerlijke acten te 'sGraage den 7 Maart ls70, tegen den opp. in deze, aan wien de onioerende goederen zijn aanbedeeld, heeft uitgevaardigd een dwangbevel , hetwelk den volgenden dag door den kantonregter te 's Gravenhage is executoir verklaard, en waarbij van den opp. gevorderd wordt betaling van: 1». f H32.80 voor het regt van registratie, i. J 1.9.4U voor regt van overschrijving, en 3". f 612.63s voor , 0Pcenten. dus te zamen ƒ 2224.833; zijnde, volgens het dwangselirxtt, alsnog buiten de reeds geheven regten van registratie en overschrijving op gemelde acte verschuldigd, ter zake dat bij die acte aan den opp. de eigendom is toegewezen van de bedoelde onroerende goederen voor / 13,500 en/33,000, zonder dat het bewijs kan worden geleverd, dat deze aan wijlen Landry toebehoord hebbende goederen in de maatschap zouden zijn ingebragt, omdat onroerende zaken niet ten gevolge eener mondelinge overeenkomst, maar alleen door de overschrijving eener acte in de openbare registers, den gemeenschappelijken eigendom van vennooten kunnen worden; terwijl voorts in het dwangschrift wordt opgegeven de titel, waarbij P. J. Landry die goederen verkregen heeft, en te kennen gegeven, dat de vordering steunt op de artt. I, 4, 7, 15, n". 6, 31, 68, § In, n'. 2, en 69, § VII, n". I, der wet van 22 Frimalre Vilde jaar,'art 2'der wet van 31 Mei 1824 (Stbl. n . 36), artt. 13, n». 1 , 16 , lid 2, 17, 21 en 22 der wet van 16 Junij 1832 (Stbl. n». 29) en art. I , 'n».'lO, litt, e, der wet van 20 Dec. 1867 (ïtbl. n'. 131); en dat de gereq! tot betaling van gezegde som, met de renten a die morae en de kosten, zal worden gedwongen, volgens de voorschriften der wet •

O., dat gemeld dwangschrift den 9 Maart 1870, bij deurwaardersexploit, ter requisitie van den minister van Finantiën, ter nadere vervolging van den directeur der registratie en domeinen voor de provincie Zuidholland en, voor zooveel noodig, van den ontvanger der registratie voor burgerlijke acten te 's Gravenhage , aan den opp. in deze is beteekend, en daarbij aan den gereq. aanzegging is gedaan om binnen den tijd van acht dagen in handen van gemelden ontvanger te betalen de som van f 2224.S35, met de kosten en de interessen a die morae;

O., dat gemelde W. H. van Zanten tegen dat dwangschrift in verzet is gekomen, bij deurwaarders-exploit van 26 Maart 1870, en wel op de navolgende gronden: 1". dat het dwangschrift niet uitdrukt de hoe¬

grootheid van het regt, dat gevorderd wordt, veelmin over welke som of waarde het regt is berekend, zoodat het voor den opp. onzeker is, waarop hij zich te verdedigen heeft; 2». dat, volgens art. 3 der wet van 21 Ventose an VII en art. 7 der wet van 3 Jan. 18S4 (Stbl. n". 1) , de hypotheekbewaarder en niet de ontvanger der registratie het regt van overschrijving moet invorderen; 3». dat het exploit, waarbij het dwangschrift is beteekend, melding maakt van eene bij de wet bepaalde aanzegging om te betalen , zonder aanhaling van eenige wet, en geen bevel in naam des Konings is gedaan; 4U. dat, wat het fond der zaak betreft, de opp. gist, dat gevorderd wordt als registratieregt 4 ten honderd en als regt van overschrijving % ten honderd, beide met 38 opcenten over f 46,500, onder aftrek der reeds op de overbedeeling betaalde regten ; doch die vordering is in strijd met de wet, omdat gemelde notariële acte niet is «translatif» , maar "déclaratif de propriété", als bevattende eenvoudige vereffening en verdeeling van de zaken eener ontbonden maatschap- dat het bestaan eener burgerlijke maatschap en van hetgeen daartoe behoort, in casu bewezen is; dat mondelinge maatschap bestaanbaar is, en geene overschrijving van eene acte van maatschap verpligtend is; dat bloote in-gemeensehap-stelling van roerende en onroerende goederen vrijstaat, onbelast is, en daartoe niet noodwendig eene levering van den een aan den ander wordt vereischt; dat de wet niet beveelt de overschrijving van acten van huwelijks-voorwaarden of van vennootschap, waarbij vaste goederen in gemeenschap worden gebragt; dat, bij inbreng van roerende goederen in eene burgerlijke maatschap, geene werkelijke levering noodig is, en bij inbreng van onroerende goederen geen andere regtstoestand plaats heeft; terwijl eindelijk als vijfde grond van verzet wordt aangevoerd, dat de belastingwetten geen regt geven om interessen van de verschuldigde regten te vorderen, en de door het Bestuur aangehaalde artt. 179 en 1286 B. W. ten deze niet van toepassing zijn; op welke gronden de opp. heeft gevorderd, dat gemeld dwangschrift zal worden verklaard nietig en van onwaarde en alzoo buiten effect gesteld; en dat de vordering van den ged., ten bedrage van f 2224.83°, zal worden verklaard ongegrond en ontzegd, onverminderd interest en kosten jegens den eischer, alles met veroordeeling van den ged. voor den Staat in de proceskosten ;

O., dat het Bestuur der Registratie, bij memorie van antwoord , tegen het middel van verzet heeft aangevoerd , dat het dwangschrift uitdrukkelijk aanwijst, dat de gevorderde sommen verschuldigd zijn, ter zake, dat in de bewuste acte aan den opp. voor f 46,500 zijn toegewezen onroerende goederen, en dat die toewijzing wordt beschouwd als een eigendoms-overgang; terwijl in het breede wordt uiteengezet, dat door aanhaling van de betrekkelijke wets-artikelen blijkt, niet alleen de hoegrootheid der gevorderde regten , maar ook de grondslagen, waarnaar ze zijn berekend; dat het Bestuur tegen het tweede middel van verzet heeft aangevoerd : dat de bewaringen der hypotheken een onderdeel uitmaken van het Bestuur der Registratie, en dit Bestuur dus volkomen bevoegd is om, wanneer op eene reeds overgeschrevene acte èn te weinig registratieregt èn te weinig regt van overschrijving is geheven , de invordering van een en ander bij een dwangschrift op te dragen aan den ontvanger der registratie, zoo als ten deze geschied is; dat tegen het derde middel van verzet is aangevoerd , dat het exploit van beteekening voldoet aan de voorschriften der wet, maar in elk geval nog geen beslag is gelegd op onroerend goed, en dat dus ook nog geen sprake kan zijn , dat het bij art. 439 B. R. voorgeschreven bevel zou zijn verzuimd; dat tegen het vierde middel van verzet , betreffende de quaestie au Jond, is aangevoerd, dat de zaken, behoorende tot eene burgerlijke maatschap, even als van eene handelsvennootschap, het persoonlijk onverdeeld eigendom zijn van de leden der vennootschap; dat het geopposeerd Bestuur niet tegenspreekt, dat de door den opp. bedoelde maatschap mondeling is aangegaan, maar dat het ontkent, dat de onroerende goederen, welke aan den opp. zijn aanbedeeld, in die maatschap zijn ingebragt, en dus vóór de scheiding de onverdeelde eigendom waren van de gezamenlijke vennooten; dat in eene maatschap geene onroerende goederen kunnen worden ingebragt zonder levering door overschrijving eener acte van transport; en dat tegen het vijfde middel van verzet is aangevoerd, dat de speciale wet op de registratie, ten aanzien van moratoire interessen, niet derogeert aan het gemeene regt, en die interessen dus verschuldigd zijn , op welke gronden het Bestuur heeft geconcludeerd, dat aan den opp. zijn eisch tot nietigverklaring van het dwangschrift zal worden ontzegd, met te-nietdoening van zijn verzet en met handhaving van dat dwangschrift; en dat do opp. zal worden veroordeeld tot betaling van het gevorderd bedrag met de moratoire interessen volgens de wet , te rekenen van den 9 Maart 1870, zijnde de dag van de beteekening van het dwangschrift, benevens de proceskosten;

0., dat vervolgens partijen, bij breedvoerige memoriën van re- en dupliek, hare stellingen nader hebben ontwikkeld en uiteengezet;

O. in regten : en wel omtrent het eerste middel van verzet \ dat in het dwangschrift staat vermeld, dat de gemelde regten gevorderd worden, terzake, dat bij de bedoelde acte aan den opp.voor/46,500 de eigendom is toegewezen van onroerende goederen, die niet tot de ontbonden maatschap behooren; waaruit volgt, dat het Bestuur der Registratie die toewijzing beschouwde als een eigendoms-overgang van de erfgenamen Landry op den opp. en deze, als geacht moetende worden met de wetten bekend te zijn , zelf kon onderzoeken, of gevorderd werd het juiste cijfer, dat wegens overgang van onroerend goed per resto nog verschuldigd was;

O., dat ten overvloede in het dwangschrift de wets-artikelen zijn aangehaald, waarop de vordering steunt, zoodat hoegenaamd geene onzekerheid omtrent de vordering bestond, en het eerste middel van verzet is ongegrond;

0. omtrent het tweede middel van verzet, dat wel, volgens het door den opp. aangehaalde art. 3 der wet van den 21 Ventose an VII, de ambtenaar, die de acten , houdende overgang van onroerende goederen , in zijne registers overschrijft, tevens belast is met de inning der verschuldigde regten, maar art. 1 dier wet verklaart, dat de bewaring der hypotheken een onderdeel van het Bestuur der registratie uitmaakt, en geene wetsbepaling verbiedt, dat dit Bestuur of de minister van Finantiën, die aan het hoofd daarvan staat, de geregtelijke invordering der verschuldigde regten opdraagt 'aan eenen anderen ambtenaar der registratie dan die de overschrijving gedaan heeft;

O., dat het door den opp. aangehaalde art. 7 der wet van den 3 Jan. 18'24 (Stbl. n '. 1) niet aanwijst, door welken rijks-ambtenaar de vervolging moet worden ingesteld, maar alleen dat die vervolging zal geschieden op dezelfde wijze als in zaken van registratie gebruikelijk is ;

O., dat het dwangschrift aan den opp. is beteekend ter requisitie van den minister van Finantiën, ter nadere vervolging van den directeur der registratie en domeinen voor de provincie Zuidholland , waaruit volgt, en de geopp. kon weten, dat de ontvanger der registratie tot de vervolging was gequalificeerd, zoodat het tweede middel van verzet is ongegrond;

O., dat het derde middel van verzet alleen betreft de vraag, of de bij het exploit van beteekening gedane aanzegging om te betalen voldoet aan de voorschriften der wet, en dus geen betrekking heeft op het onderwerp van het geding, namelijk de geldigheid van het dwangschrift, maar op de ten-uitvoer-legging daarvan, waarover thans geen sprake is

vatba'aMs mitSlien ^ d6rde mi<Wel ^ VCrZet niet Y00r toewijzing

Sluiten