Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te "s Gravenhage toetst aan de bepalingen van art. 147 der Grondwet en van art. 625 B. W., de gemeente-wetgever blijkbaar in strijd met die bepalingen heeft gehandeld;

0. toch, dat een bevel om eene sloot te dempen of door een riool te vervangen, gelijkstaat met eene ontzetting uit den eigendom van die sloot, vermits, wanneer aan zoodanig bevel wordt voldaan, de sloot als zoodanig ophoudt voor den eigenaar te bestaan en vervangen wordt door eene andere inri^ting, zijnde van zoodanige veranderde inrigting het gevolg, dat de eigenaar van alle verder of meerder gebruik der sloot dan tot uitloging van secreten of riolen door een nieuw riool wordt beroofd;

O.y dat, volgens de Grondwet, niemand van zijn eigendom kan worden ontzet dan ten algemeenen nutte en tegen voorafgaande schadeloosstelling, en de gemeentebesturen niet bevoegd zijn bevelen te geven , welke eene ontzetting uit den eigendom ten gevolge moeten hebben ;

0. voorts, dat de gemeente-wetgever wel bevoegd is voorschriften te geven tot beperking van het gebruik van iemands eigendom, maar dat, behoudens de in-acht-nerning dier voorschriften, ieder eigenaar vrij is om op zijn eigendom te doen of te maken wat hij goedvindt;

0., dat het dus ook bedenkelijk schijnt met het oog op art. 625 B. W., aan den plaatselijken wetgever de bevoegdheid toe te kennen, niet om den eigenaar in het gebruik van zijn eigendom te beperken, maar oin hem ongevraagd bevelen tot verandering van zijn eigendom te geven, waarvan de uitvoering sorns de finantieie krachten van den eigenaar te boven gaat;

u., dat uit het overwogene volgt, dat de regter in allen gevalle bezwaar zou moeien maken de verordening van den 12 Maart 1867 op het door den bekl. gepleegde feit toe te passen;

Gezien art. 210 Strafvord.;

Reut doende op voormeld requisitoir ,

Verklaart, dat het aan den bekl. ten laste gelegde en bewezen feit noch misdaad, noch wanbedrijf, noch overtreding oplevert;

Ontslaat hem te dier zake van alle regtsvervolging; de kosten te dragen door den Staat.

HOOGE RAAD. — Kamer van Strafzaken*

Zitting van Maandag, 3 April.

Voorzitter, Jhr. Mr. B. van den Veldbn.

Behandeld het beroep van:

W. van de Weerd, tegen een arrest van het Hof in Gelderland» Rapp., raadsh. Gertsen. Gepleit Mr. J. J. Bergsma. Conclusie bepaald op 1 1 April.

benoemingen, verkiezingen enz.

Bij Z. M. besluit van den 31 Maart jl„ n". 17, is benoemd tot notaris binnen hot arrondissment Amersfoort, ter standplaats de Gemeente Zeist, A. Vosmaer, candidaat-notaris te Utrecht.

— Bij Z. Al. besluit van dezelfde dagteekening, n°. 18, zijn benoemd ; tot notaris binnen het arrondissement Haarlem , ter standplaats de gemeente Velsen, W. Boerlage, thans notaris te Leymuiden; en tot notaris binnen het arrondissement Leiden, ter standplaats de gemeente Leymuiden, J. ITeenk, caudidaat-notaris en plaatsvervangend kautonregter te Woubrugge.

advertentien.

Bij Is. An. NIJHOEF EN ZOON, te Arnhem, is verschenen:

BESCHOUWINGEN

over !>e

KANTONGER EGTEN.

KANTONGEREGT TE 'S GRAVENHAGE.

Zitting van den 12 Januari'j 1871.

Kantonregter, Mr. B. L. Wentholt.

LUaGSCBE GEMEENTE-VERORDENING VA* ]2 MAAKT 1867

OP HET DEMPEN VAN SLOOTEN. ViSREISCHTE , DAT D14

sloot gevaarlijk of schadelijk zij geacht voor de openbare güzondheid. — onvolledigheid oer dagvaarding. — strijd dier verordening met

art. 147 der Grondwet en art. B. W.

Moet het bewezen feit geacht worden een strafbaar feit op te leveren in den zin van de Haagsclie gemeente-verordening van L2 Maart 1867 op het dempen van slooten, en het doen vervangen door riolen'! — Neen.

Is de strafregter bevoegd de toepassing eener gemeente-verordening te weigeren op grond van strijd met de Grondwet ? —Ja.

Is de hier bedoelde verordening in strijd met art. 147 der Grondwet ? — Ja.

Het Openb. Min., tegen J. L. v. d. L.

De kantonregter enz.,

Overwegende, dat de bekl. is aangeklaagd, van op den 25 Oct. 1870, des voormiddags ten elf ure, bevonden te zijn van geen gevolg te hebben gegeven aan het hem uitgereikt schriftelijk bevel van Burgemeester en Wethouders dezer gemeente, dd. 30 Aug. 1870, n°. 7017/2, 2de afd., om als mede-eigenaar eener sloot, gelegen achter de huizen aan den Z. O. Binnensingel, re 's Gravenhage, die sloot vóór of uiterlijk op den 15 Oct. daaraan volgen de te dempen en uoor ee t riool te vervangen;

0., dat, blijkens ter teregtzitting voorgelezen extract uit het register der notulen van Burgemeester en Wethouders van 's Gravenhage van 30 Aug. 1870, gearresteerd den 2 iSept. daaraanvolgende, door dat coliegie, gelet op het verhandelde in de zitting van den Gemeenteraad van 30 Aug. 1870 betrekkelijk het adres van de heeren G. v. d. L. c. s., houdende verzoek, dat de hun in eigendom behuorende sloot achter den Z.-O. Binnensingel, tot wier demping en vervanging door een riool zij ingevolge de verordening van 12 Maart 1867 zijn aangeschreven, moge worden gedempt op kosten der gemeente,— is besloten namens den liaad aan de adressen en te kennen te geven, dat hun verzoek niet kan worden toegestaan , en dat de termijn, binnen welken zij verpligt zijn het bevolen werk tot stand te brengen, tot den i5 Oct. 1870 wordt verlengd;

0., dat, blijkens een op den ambtseed opgemaakt relaas van den onbezoldigden rijks-veldwachter (J. H. Vrouwenfelder, een afschrift van gemeld extract uit het register der notulen van Burgemeester en Wethouders op den 4 Sept. 11. aan den bekl. is beteekend;

0., dat, blijkens een op den ambtseed opgemaakt proces-verbaal van den rijks-veldwachter C. W. Kloppert, deze op den 25 Oct. 11. heeft gezien , dat bet gedeelte der sloot achter den Z.-O. isinnertsingel, grenzende aan een erf, toebehoorende aaa den bekl., niet gedempt noch door een riool vervangen was;

0., dat de bekl. ter teregtzitting heeft erkend mele-eigenaar te zijn van de sloot, in de dagvaarding vermeld, en aan het bevel van Burgemeester en Wethouders om die sloot te dempen en door een riool te vervangen niet te hebben voldaan , omdat hij aan het Gemeentebestuur de bevoegdheid niet toekende om zulke bevelen, volgens hem in strijd met zijn regt van eigendom, te geven , en het Gemeentebestuur geweigerd had de sloot in quaestie voor rekening der gemeente te dempen;

0., dat genoemde rijks-veldwachter C. W. Kloppert onder eede ter teregtzitting heeft verklaard, dat het hem bekend is, dat de bekl. is mede-eigenaar van gemelde sloot;

0., dat dus wettig en overtuigend is bewezen door de bekentenis van den bekl. en de beëedigde verklaring van den getuige 0. w. Kloppert, dat de bekl. is mede-eigenaar van een sloot, gelegen achter de j huizen aan den z.-o. Binnensingel te 's Gravenhage, ;loor de beken- | tenis van den bekl. en voormeld extract uit het register der notulen, 1 dat Burgemeester en Wethouders voornoemd hem hebben bevolen die sloot te dempen en door een riool te vervangen vcór den 15 Oct. 11., en door de bekentenis van den bekl. en voormeld procesverbaal van den rijks-veldwachter c. w. Kloppert, dat de bekl. aan dat bevel tot demping en vervanging door een riool niet had voldaan;

0. echter, dat uie bewezen feiten nog geene overtreding opleveren van de verordening op het dempen van slooten en andere wateren , gearresteerd door den Gemeenteraad van s Gravenhage den 12 Al aart 1867;

0. toch, dat, naar luid van die verordening, het bevel tot overkluizen of door riolen vervangen alleen mag gegeven worden omtrent die slooten en wateren, welke gebruikt worden tot uitlozing van riolen of secreten , en welke door Burgemeester en Wethouders na ingenomen schriftelijk en met redenen omkleed advies van de ver gadering, vermeld in art. 29 en volgende van de algemeene instructie voor de geneeskunst-oefenaren, vastgesteld door het Burgerlijk Armbestuur op 20 Dec. 1861 , gevaarlijk of schadelijk zijn geoordeeld voor de openbare gezondheid ;

0., dat in de dagvaarding bij de omschrijving van het aan den bekl. ten laste gelegde feit van die voor de toepasselijkheid van gemelde verordening noodzakelijke bestanddeelen van het misdrijf geene melding is gemaakt, en die omstandigheden alzoo geen punt van regterlijk onderzoek behoefden uit te maken;

O., dat desniettemin door de bekentenis van den bekl., ter teregtzitting afgelegd, en de beëedigde verklaring van den getuige C. \\'. Kloppert wettig en overtuigend is bewezen, dat op gemelde sloot uitloopen eenige riolen en secreten , doch niet van al de huizen , bij die sloot gelegen, terwijl geenerlei bewijs is geleverd, dat de bedoelde 6loot door-i/urgeineester en Wethouders van *s Gravenhage gevaarlijk of schadelijk ps geoordeeld voor de openbare gewondheid;

O., dat het bewezen feit alzoo, met het oog op gemelde verordening, moet geacht worden geen strafbaar feit op te leveren, en de bekl. reeds om die reden van alle regtsvervolging behoort te worden ont slagen ;

0. bovendien , dat, al ware het bewezen , dat de sloot in quaestie door Burgemeester en Wethouders gevaarlijk of schadelijk voor de openbare gezondheid was geoordeeld, en al mogt de vermelding daarvan en van het bezigen der sloot tot uitlozing van riolen en secreten in de dagvaarding overbodig of onnoodig worden geacht, — ook dan nog de bekl., door niet te voldoen aan het bevel van Burgemeester en Wethouders tot demping der sloot, en hare vervanging door een riool, niet kan gezegd worden een strafbaar misdrijf te hebben gepleegd:

0. tocb, dat de regter, die verpligt is tot nakoming der Grondwet en volgens de wet moet regt spreken, ook bevoegd en verpligt is , wanneer er strijd bestaat tusschen de Grondwet ot de Mret en eene plaatselijke verordening, laatstgemeide buiten toepassing te laten;

0., dat, wanneer men de gemeente-verordening van 's Gravenhage ?an 12 Maart 1867 op het dempen van slooten en andere wateren

MENGELWERK.

BEZOLDIGING DER REGTERLLJKB MAGT. (Ingezonden.)

Het ingezonden stukje, getiteld : Onderwijs — RegterlijJce magt en, het adres van oe Arrond.-Kegtbank te Arnhem, geplaatst in uw nummer van den 21 dezer, geven mij aanleiding tot het maken van een paar opmerkingen.

De steller van bedoeld stukje verkeert, naar het schijnt, in de meenine, dat in den regel de bezoldiging van een' griffier niet minder bedraagt dan J 700, met inbegrip \p,n de emolumenten. Maar niet zelden kan een griffier met J 300 tractement slechts op een bedrag van f I0i> aan emolumenten rekenen, en dus in het geheel op f 400 'sjaars. De bezoldiging van een brigadier der rijks-veldwacht bedraagt f 450 en dit is niets te veel.

Bij bedoeld adres wordt het volstrekt ontoereikende van de bezoldiging der regterlijke magt onder de aandacht van den Koning gebragt. Daarin is geen gewag gemaakt van de omstandigheid, welke intusschen opmerking verdient, dat de regterlijke ambtenaar wordt gedwongen een gedeelte van zijne zoo karige bezoldiging af te staan aan een pensioenfonds, zelfs in gevallen, waarin hij daarvan nooit genot zal kunnen hebben, en tegenwoordig een grooter gedeelte dan de behoefte van dat fonds vereischt. Immers verklaarde de minister van Finantiën aan de Tweede Kamer in het zittingjaar 1869/70, dat de doorloopende korting van de tractementen met ï-. Julij 1870 zou kunnen vervallen. Toch vindt die korting nog plaats. Dat zij slechts 2 pet. bedraagt, doet niets terzake; voor den onbemiddelde is zij niet onbeduidend. In elk geval is de heffing hard, onbillijk en onregtvaardig, sedert zij niet meer noo.lig is. Zou eene Wijziging van de pensioen-wet op dit punt zoo moeijelijk zijn of daarvoor tijd ontbreken ? Of komen de belangen van de leden der regterlijke magt gansch niet meer in aanmerking?

X.

BEZOLDIGING VAN KANTONREGTERS.

{Ingezonden.)

Oude- Wirdum, 25 Maart 1871.

Mijnheer de Redacteur l

De inzage van het quaeritur, onder het opschrift: «Onderwijs. — Rechterlijke macht," , in n". 3302 van uw ge-.cht weekblad voorkomende, leidt mij tot de opmerking, dat waarschijnlijk niet minder dan twee derde der lf>0 Nederlandsche kantoriregters zich met eene bezoldiging van «nog geen f 1000" tevreden stellen. De kantonregters der 5de klasse ontvangen r.a vijfjarige ambtsvervulling (velen woiden vóór het verstrijken van dien termijn bevorderd) aan rijkstractement, pl. m. f 588, in de eerste vijf jaren hunner ambtswaarneming slechts f 438 'sjaars. Zij, die zonder beunhazerij het ambt waarnemen , mogen zich gelukkig achten, wanneer de emolumenten f 250 's jaars bedragen. De bezoldiging wordt dus voordeelig berekend. In de eerste vijf jaren f 688, in de latere J 833 hoogstens per jaar. De inzender van het quaeritur dus oordeelt zonder voorafgaand onderzoek, waar hij beweert, dat «nog geen f 1000" tractement voor kantonregters mogelijkheid is; immers voor de meesten is dit regel.

Wat kan overigens den inzender bewegen eene lans te breken voor een gilde, waartoe hij waarschijnlijk niet behoort? De meeste kantonregters klagen niet en dienen voor de onderscheiding, niet voor de bezoldiging; winstbejag zij en blijve een verfoeijelijke drijfveer voor een ieder, die naar regterlijke betrekkingen dingt. Er is den kantonregters weinig aan gelegen , hoe hoofd-onderwijzers, directeuren of docenten aan *s Rijks hoogere burgerscholen worden bezoldigd. Echter vreezen zij, dat door verhooging hunner bezoldigingen meer en meer beoordeelingen van voordragten en systeem van benoeming zullen worden uitgelokt van hen , wier materiële belangen door benoeming van personen, die niet om den broode dienen, worden benadeeld. Hij, die niet tevreden is met het tractement, dinge niet naar het ambt. Mogt hij kantonregter of griffier zijn, dan ruime hij zijne plaats in voor menig ander, die door de onderscheiding van tot de magistratuur te behooren, met geringe bezoldiging voldoende zijnen arbeid beloond acht.

Mogt voor deze vlugtige woorden eene plaats in uw weekblad te vinden zijn, zoo beveelt dezelve daarvoor hoogachtend U W. E, G. aan

U W. E. G. Do. Dienaar,

D. J. R. BRANTS , Kantonregter te Hindeloopen.

püivaat- en publtekregtelijke strekking der straf,

door

JTlir. Mr. O. Q. TAN SWBVDEREN ,

Substituut-griffier bij de Arrondissements-Rechtbank te Arnhem.

Prijs f —.60.

LEERBOEK

der

GERECHTELIJKE GENEESKUNDE,

VOOR.

ARTSEN EN RECHTSGELEERDEN.

Vrij bewerkt naar het Duitsche Leerboek van Dr. E. Büchner ,

DOOK

er. W. KOSTER,

Hoogleeraar te Utrecht.

Prijs ƒ 4.15.

Uitgave van H. C. A. CAMPAGNE , te Tiel.

Bij GEBROEDERS BEIjINFANTE, te '« Gravenhage•„ wordt uitgegeven :

DE BEGTSPBAAK

VAN DEN

HOOGEN RAAD,

GEBRAGT OP DB AKTIKhLEN DEK STAATS- EN BURGERLIJKE WETTEN, BESLUITEN EN VERORDENINGEN,

alles met ophelderingen en geschiedkundige toelichtingen,, verwijzingen enz.,

DOOK

-Mr. 13. iL & O JS ,

advocaat te ys Gravenhage.

Deel II, afl. 4 fKoopliarLd.el) 1ste {gedeelte.

2DE VERMEERDERDE DRUK

DOOR

Mr. J. A.. LEYY,

advocaat te Amsterdam.

Prijs f 4.

Het 2de gedeelte is ter perse en verschijnt in de eerste helft van 1871.

De prijs van LÉON's Regtspraak is thans :

Deel I, Staatsregt • . f 5.40

» i, , (1ste verv. door Mr. E. L. y. Emdek). 8.00

» I, « (2de ' ' ' ). s.25

» II, 1ste afl. (Regt. Org.) 1.57»

« II, 2de en 3de afl. (Bnrg. Wetboek) uitverkocht (*).

„ II, 4de afl., 1ste ged. (Koophandel) (2de druk) . . 4.00 i II, 5de » (Burg. Regtsv.) uitverkocht (*)

„ XX, 6de » (Strafvordering) 10.00

(*) Van deze afl. werden nieuwe drukken bewerkt.

Vnetperiidrak en Uitgave van GEBHOEB®®* BKManFASiaFJi • te 'aGtravenlisffe*

Sluiten