Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 3313.

geconstateerd en bestond metterdaad niet. Van de daadzaken tot staving dier beweringen wordt bewijs aangeboden.

Wat is er van deze beweringen?

Het proces-verbaal van den regter-commissaris is eene authentieke acte , niet van valschheid beticht en tegen wier inhoud geen bewijs toegelaten is. Dit houdt in : «Vervolgens wordt overgegaan tot de stemming en de berekening van het bedrag der vorderingen van de toetredenden. De werkzaamheden , wegens het gevorderde uur niet op heden hebbende kunnen ten einde looperi , zoo hebben wij de voortzetting derzelve gesteld" enz.

Alzoo de werkzaamheden waren niet afgeloopen ; en nn kan men toch niet vorderen, dat, hoe langdurig die ook zijn mogen , deze onafgebroken voortgezet worden tot het einde , al zou dit misschien dagen duren. De wet houdt hieromtrent geene uitdrukkelijke bepaling int maar het is ook niet noodig, dat zij in zulke bijzonderheden trede. Aan den regter-commissaris behoort overgelaten te worden, ot hij meent, dat er rust noodig is, en of het ook beter is de vergadering op een anderen dag voort te zetten. Het is daarom geene nieuwe vergadering, maar eene voortzetting. Daarom is het geval van art. 842 hier niet aanwezig: er is hier alleen eene af breking om rust te nemen, en ten tijde, daartoe door den regter-commissaris geschikt geoordeeld, voortzetting. Art. 842 onderstelt , dat de werkzaamheden afgeloopen zijn, het resultaat opgemaakt, maar het accoord niet aangenomen; ia dit geval houdt het eene exceptionnele bevoegdheid in, om, wanneer de daar gestelde vereischten aanwezig zijn, eene nieuwe vergadering te houden, om nog aan anderen gelegenheid te geven tot toetreding, ilier waren de werkzaamheden niet afgeloopen, de uitslag was met geconstateerd; er kan dus geen sprake zijn van toepassing van art. 842; maar men ging later met de afgebroken, met afgeloopen,

werkzaamheden door. ... . »

Maar zegt men, dit was het geval met: de stemming was afgeloopen , 'en het accoord was verworpen, en men biedt aan dit te be-

W Bewijs op de authentieke acte, daaraan moesten wij ons houden.

Men voert echter aan, dat wat men wil bewijzen, niet in strijd is met die acte, en beroept zich op de verandering van redactie. "Vroeger stond er : «Vervolgens wordt een aanvang gemaakt met de stemming over het accoord: die 6temming en de berekening van het bedrag der vorderingen van de loetredenden niet op heden hebbende kunnen ten einde loopen , zoo hebben wij de voortzetting der werkzaamheden gesteld» enz., daarvan is de verandering gevraagd. Ik zie het afdoende gewigt der verandering niet in : de regter-commissaris verklaart, dat de werkzaamheden niet afgeloopen zijn, en nu zijn ze nader voortgezet.

Maar, zegt men, op dien naderen dag en op den volgenden, waaraan dan dezelfde onwettigheid kleeft, is nader geverifieerd en zijn nieuwe stemmen uitgebragt. Ik geloof niet, dat dit in strijd is met de wet, met haar geest, zin en bedoeling: arg". art. 839, wordt de beslissing uitgesteld conform art. 837 ; dan kunnen op de daartoe belegde vergaderingen schuldeischers, die op geene der verificatiën opgekomen zijn , zich nog doen verifiëren en medestemmen Waarom zouden dan uitgesloten zijn zij, die niet terstond bij het begin der vergadering ingekomen zijn, maar staande vergadering en terwijl men reeds aan het stemmen was? Want, ik herhaal, het was eene vergadering op de verschillende dagen , en dus die den tweeden en derden dag opgekomenen moeten beschouwd worden als gedurende de vergadering ingekomen.

Men zegt echter: dit uitstel heeft gediend om stemmen te bedelen en te koopen. Dit is voorzeker geene aanbeveling van het accoord , het is zelfs een gewigtig bezwaar, indien het bewezen is; maar atdoende is het niet. De wet onderstelt zelfs, en laat alzoo toe, pogingen om nadere toetreding te verkrijgen, daargelaten natuurlijk den aard dier pogingen, blijkens art. 842. Het bezigen van dit uitstel tot zoodanige pogingen is dus op zich zelf geen afdoend bezwaar, wanneer desniettemin het accoord wettig tot stand is gekomen en aan de Regtbank aannemelijk blijkt, dit is in het belang der schuldeischers. Ut nu evenwel in casu de pogingen van dien aard geweest zijn, dat de homologatie op grond daarvan behoort geweigerd te worden, hierover bij bezwaar n°. 2 van deze opposanten.

De slotsom is dus, dat de regter-commissaris zijne bevoegdheid met het uitstel niet is te buiten gegaan en de voortgezette vergadering op volgende dagen niet onwettig, noch ook hetgeen daar is voorgevallen, de nadere verificatie en stemming.

II Om stemmen te verkrijgen heeft men kunstmiddelen aangewend ; men'heeft eene garantie van de familie voorgespiegeld, die er niet is; men heeft de groote crediteuren uitgekocht; en ook dit wil men

bewijzen. .

Deze bezwaren tegen de homologatie van een op die wijze ver kregen accoord zijn zeker niet van gewigt ontbloot, maar ze zijn met

tijd en in alle gevallen afdoende tot weigering. Indien desniettemin net belang der schuldeischers vordert de homologatie, meen ik, dat, ai boezemen ook die middelen grooten weêrzin in, dit belang moet de overhand behouden. Ik zal echter aan de vraag, ol het gevraagde bewijs moet toegelaten worden, geene afzonderlijke esc ouwingen e hoeven te wijden, uit hoofde van hetgeen ik bij de bezwaren der overige opposanten zal aanvoeren, zoodat ik mijn advies omtren deze vordering tot later voorbehoud.

III. De inhoud van het accoord: men belooft 25 percent of meer, maar die zal men niet bekomen, daarvoor bestaat althans geen waarborg; die is niet gelegen in de onherroepelijke volmagt aan de curators, want elke volmagt is herroepelijk en, wordt die herroepen, de gefailleerden bieden zeker geen waarborg aan.

Dit bezwaar komt mij ongegrond voor.

Is het waar, dat men geen 25 pet. zal bekomen, omdat de massa ze niet opbrengen zal, ik geloof, dat de schuldeischers toch altijd meer zullen bekomen, dan bij vereffening na insolvent verklaring, om de daarop loopende kosten. En is dit dus het e'énige bezwaar, zoo de vereischte meerderheid het accoord gewild heeft, gelooi ik, dat het voor de Regtbank geene reden is tegen homologatie.

En een waarborg zie ik wel in de volmagt.

Het is waar, artt. 1850 en 1851 B. W. Maar dat ziet alleen op de verbindtenis tusschen lastgever en lasthebber. De curators zouden zeker geen regt hebben om op te komen tegen de herroeping der volmagt. Maar hier maakt de onherroepelijkheid deel uit van het accoord; tegenover de crediteuren hebben zich de gefailleerden ver bonden de volmagt niet te herroepen, hebben gerenuntieerd aan de bevoegdheid van art. 1851. Dit wordt toegelaten bij art. 14 Alg. Bep. en bindt hen ingevolge art. 1374. Tegenover de crediteuren is dus de volmagt onherroepelijk. .

Zooveel over de drie bezwaren dezer opposanten, zoo als gezegd is. Of de vordering tot nader bewijs, bij II bedoeld, bewijsbaar is, zal ik later bespreken; waardoor het onnoodig zal zijn te overwegen, of de beweerde kunstmiddelen, zoo ze bewezen zijn, afdoende zijn tot afwijzing van het accoord.

Men heeft van deze zijde nog gewezen op de kwade trouw, uit üet geheele faillissement blijkbaar. Deze is echter geen afdoende grond tegen homologatie van het accoord. Hoewel ten bate van den getailleerde strekkende, is zij hoofdzakelijk niet eene gunst voor hem; het belang der crediteuren staat daarbij op den voorgrond , en de wet zelve onderstelt dan ook homologatie, ondanks kwade trouw, art. 850. Ook waar geene rehabilitatie verleend wordt, kan een accoord gehomologeerd worden. Alzoo, waar de failliet niet ia ongelukkig en ter goeder trouw gehandeld hebbende. Zijne kwade trouw behoort met m

den weg te staan een accoord , dat het overwegend belang der schuld- ' eischers zou zijn, ook al wordt daardoor tevens gebaat een failliet, 1 die zulks niet verdiende. i

■2°. de opp. van Aken.

De aanneming is verkregen door zijne stem. Ch. van Melsen heeft die als zijn gemagtigJe voor het aceoord, uitgebragt; en nu was daar- i voor geene volmagt gegeven, deze wordt door den lastgever uitdruk- ' kelijk ontkend.

Dat die stem over het accoord beslist heeft, is onbetwist en ook i onbetwistbaar. Trekt men het bedrag dezer vordering af van dat der i gezamenlijke vorderingen van de voorstemmers, dan zijn de vereischte drie vierde niet aanwezig.

Hiertegen wordt aangevoerd : 1°. er is niet gestemd voor den opp. : interveniënt, maar voor de interveniënte J. van Melsen; 2". er is geene volmagt aanwezig van deze opposante om oppositie te doen.

lu. De bewering is feitelijk onjuist; Ch. van Melsen heeft zelf op het accoord geteekend : «namens den heer van Aken.»

En zijne zuster kon ook niet stemmen, kon niet tot stemming toegelaten worden , want zij was niet geverifieerd, art. 838.

De beweringen voor het sustenu zijn door mij bij de daadzaken eenigzius uitvoerig aangehaald; ze stuiten ailen af op dit feit en deze wetsbepaling. Daartegen baat geen beroep op al de aangehaalde artikelen van het B. W., noch op billijkheid en goede trouw. Art. 14 Alg. Bap. kan hier buiten beschouwing blijven , want opp. heeft aan geene wet kracht trachten te ontnemen; artt. 1276 en 1277 handelende van de verbindtenis om iets te doen of niet te doen evenzeer, want opp. had geene zoodanige verbindtenis aangegaan.

Artt. 1292 en 1293 handelende van voorwaardelijke verbindtenissen op denzelfden grond; opp. had er geene aangegaan.

Art. 1356 handelt van de bestaanbaarheid der overeenkomsten ; maar geene onbestaanbare overeenkomst wordt zelfs beweerd.

Art. 1375. Overeenkomsten verbinden tot hetgeen door de billijkheid enz. wordt gevorderd, naar den aard der overeenkomst; maar die billijkheid kan den aard der overeenkomst niet veranderen , kon opp. niet noodzaken om goed te keuren , wat zonder of tegen zijn last geschied is, kan veelmin aan art. 838 derogeren.

Art. 1393. Opp. beweert, dat zijne belangen niet behoorlijk zijn waargenomen, daar tegen zijn last gehandeld is, waardoor alle denkbeeld vannegotiorum gestio vervalt, arg. art. 1390. Van art. 1830 kan geen sprake zijn, als handelende van stilzwijgende aanneming van last; art. 1418, nu. 2, kan evenmin toepasselijk zijn, omdat hier geene verbindtenis gekweten is.

En nu de beweerde subrogatie.

Ze heeft geen plaats gehad, art. 1436; opp. is niet betaald; hem zijn aanbiedingen gedaan, maar ze zijn niet aangenomen.

ivlaar waren al die artikelen toepasselijk, zij zouden misschien de interveniënten van Melsen actiën kunnen geven tot nakoming, tot schadevergoeding, maar zij kunnen aan het voorhanden feit en de voorhanden wet niet derogeren.

De bevoegdheid tot stemmen is eene formele; de schuldeischer moet geverifieerd zijn en gestemd hebben, en noch het eene noch het andere is het geval. Zij interveniënte kon niet ipso jure in de plaats treden van opp., waar gevorderd wordt een uitbrengen van eene stem, waartoe zij bevoegd was; terwijl zij niet gestemd heeft en niet kon stemmen, maar haar broeder uitdrukkelijk gestemd heeft voor opp. Is zij nu ten onregte niet geverifieerd, dit kan hier niet afdoen, de wetsbepaling is uitdrukkelijk.

2». Deze bewering is hier zonder belang.

Opp. is hier in het geding wettig vertegenwoordigd; en nu ontkent hij volmagt gegeven te hebben om voor het aceoord te stemmen. Interveniënten erkennen dit, want Ch. van Melsen zegt: ik heb ook niet voor u gestemd, maar voor mijne zuster, en deze bevestigt dit. En dit feit is door het geding ter kennis der Regtbank gebragt: deze nu is bevoegd toe te staan of te weigeren, onverschillig ot er verzet is gedaan, en dus ook of het gedaan verzet met of zonder volmagt is gedaan. En dan zal ze moeten weigeren, waar het blijkt, dat de vereischte meerderheid niet aanwezig was, en het accoord alleen is aangenomen door medewerking van een lasthebber, die tegen zijn last handelde, zoodat er geen toestemming was van hem, namens wien men stemde.

Het bezwaar van dezen opp. komt mij dus als afdoende voor. De subsidiaire conclusie der interveniënten tot vernietiging van het accoord is buiten en tegen de wet; en die tot nieuwe oproeping van schuldeischers, na uitspraak der Regtbank over de vorderingen , die naar haar verwezen zijn wegens gerezen verschil, in strijd met art. 839. De stemming is afgeloopen. Het accoord is feitelijk aangenomen, maar langs een onwettigen weg, die wel bij de aanneming niet bleek, maar thans gebleken zijnde, de Regtbank verplat tot weigering der homologatie van het accoord, waarvoor wezenlijk de toestemming der vereischte meerderheid niet aanwezig was. Al ware dus het belang der schuldeischers evident voor de Regtbank, zij kan een accoord , dat aan gemis van zoo essentieel een vereischte laboreert, niet homologeren.

3-. De oppositie der firma E. L. Ansiaux-Rutten en Comp. Het daartegen voorgestelde middel van niet-ontvankelijkheid, op gron , dat deze zou zijn hypotheeair crediteur, laat ik daar.

Men kan zeggen : art. 845 vordert niet, dat men zij chirographair om oppositie te doen; maar men kan daar ook tegen aanvoeren, dat die quaiiteit ondersteld wordt, omdat wordt gesproken van met toetredenden, en de hypothecaire crediteur met kan toetreden.

Zoo als echter omtrent den opp. van Aken is gezegd, de ^gtbank is aan geene oppositie gebonden; en als haar een afdoend bezwaar blijkt, op welke wijze ook, dan kan zij hem weigeren, zonder verzet

of zonder wettig verzet. ,,

De bewering nu is: hier is één accoord aangeboden aan alle ciediteuren, terwijl er vier boedels zijn, die der beide gefailleerden en die der beide handelszaken; allen is een gelijk bedrag hunner vordering beloofd, te betalen uit de gewmenlijke opbrengst; dit gaat niet op, want de bijzondere schuldeischers der beide gefailleerden hebben geen regt op de goederen der firma's, noch die van den eenen failliet op

die des anderen. .... . . , , ,.

Daartegen is aangevoerd, dat de verschillende boedels zoó aan elkander verbonden zijn, dat zij één onsplitsbaar geheel uitmaken. Hierbij is de vraag ter sprake gebragt, ol de vennootschap onder eene firma regtsnersoonlijkheid heeft, waaraan jurisprudentie is vastgeknoopt en de dissertatie J. van der Drift. Ik geloof deze vraag te kunnen voorbijgaan , als zonder practisch belang in deze.

Tot bevestigende beantwoording zou ik stellig overhellen op de gronden, kortelijk zamengevat bij ''v'• J. VAH Hall,, Handt, tot de beoef. van liet burg. Regt in Nederland, 2de druk, 1ste boek, 1ste hoofdst., p. 124.

Maar ik zeg: die vraag is hier zonder belang, omdat, ook bij tegenovergestelde meening, zeker niet te ontkennen is, dat de vennootschap een bijzonder vermogen heeft, dat ze dan op grond der bij yan Hall opgenoemde kenteekenen een universitas rerum is, een «Gesellschatfsvermögen», bestaande uit »die Summe der Antheile Jenerwelche zu derem Gesamnitvermögen gehören»; dat dit vermogen niet omvat de bijzondere vermogens der vennooten, ofschoon deze voor hare verbindtenissen hoofdelijk aansprakelijk zijn, veelmin het vermogen van dezen omvat het vermogen der vennootschap.

Algemeen wordt dan ook aangenomen, dat er verschillende boedels : zijn, die der vennooten en die der vennootschap, hetgeen dan ook i noodwendig is, omdat de bjjzondere vermogens der verschillende veni

nooten tegenover elkander toch niet zoodanig in de vennootschap kunnen opgaan of omgekeerd, dat de bijzondere bezittingen of schulden die des anderen worden.

En hieruit volgt juist de tweede reden , waarom de bovengestelde vraag hier zonder belang is. Ai kon men de vennootschap zoo met de vennooten vereenzelvigen, dat de vermogens slechts één geheel werden, zoo gaat dit toch niet met de bijzondere vermogens der vennooten onderling; zij kunnen niet voor elkanders bijzondere schulden gehouden zijn. Stel, de eene is schatrijk en de andere heeft niets dan schulden; nu gaat de venuootschap failliet, en de schuldeischers hebben verhaal op de solidair aansprakelijke vennooten; maar nu kunnen de bijzondere schuldeischers van den éénen toch niet van den anderen vorderen datgene, waartoe hij nimmer gehouden was.

Er zijn dus verschillende boedels; de crediteuren der gefailleerden zijn niet die der firma, veelmin die des eenen ook des anderen, en de bewering van deze opposante is alzoo gegrond.

Deze omstandigheid nu maakt het accoord geheel onannnemelijk. Het is aangeboden aan allen gezamenlijk, allen krijgen 25 pet. uit de gezamenlijke opbrengst, meer als er meer is, maar allen evenveel; maar als de goederen minder opbrengen, waaromtrent geene zekerheid kan bestaan , zal het ook minder moeten zijn; want op de persoonlijke garantie der voortvlugtige gefailleerden, tegen wie een regtsgeding, zegge regtsvervolging , aanhangig is, valt niet te rekenen; is het minder , altijd krijgen allen evenveel. Dit nu kan niet opgaan.

Kr zijn vele bijzondere schuldeischers geverifieerd voor huishoudelijke leveringen, voor onderwijs van kinderen, voor onbetaalde koopprijzen van goederen enz., die kunnen toch niet in de goederen der firma opkomen; en zeker kan de schuldeischer van den eenen in privé voor het vermogen van den anderen opkomen. Indien dus de schuldeischers der firma meer kunnen bekomen dan *25 pet. , dan kan dit bedrag niet verminderd worden ten behoeve van die van den eenen gefailleerde; veelmin kan de bijzondere schuldeischer vau den éénen meer of minder ontvangen, naar mate bet vermogen van den anderen meer of minder opbrengt; zoodanig accoord is onbillij k tegen verschillende schuldeischers, wier onderpand (art. 1177 B. VV.) niets gemeens heeft. En toch leidt liet accoord werkelijk tot dit resultaat : men vindt onder de voorstemmers bijzondere'schuldeischers der gefailleerden , als : Zegners, Dreessen, Felix Nypels, tierhant en Alard enz. Deze hebben medegewerkt tot het vaststellen der regten van de schuldeischers der vennootschap en van die der beide gefailleerden in privé, ook van wie zij geene schuldeischers waren.

Dit accoord, dat tot die resultaten leidt, is onbillijk en onaannemelijk.

Ik resumeer alzoo:

Het accoord kan niet als aangenomen worden beschouwd, omdat wezenlijk de toestemming der vereischte meerderheid ontbreekt; het krenkt de belangen en regten van schuldeischers.

Alzoo ontbreken de gronden voor homologatie.

En thans terugkomende op de bezwaren sub 2 van de eerste opposanten, acht ik het aangeboden bewijs overbodig, omdat de aangevoerde bezwaren, zoo ze bewezen zijn, grond geven tot weigering der homologatie en reeds voldoende gronden voor die weigering zijn, en alzoo de zaak in staat van wijzen is.

Ik heb alzoo de eer te concluderen:

dat het der Regtbank behage acte te verleenen , waarvan acte is gevraagd, aan de opposanten interveniënten van Aken, de geopposeerden curators, en interveniente J. van Melsen ; voorts , passerende het aangeboden getuigenbewijs en de subsidiaire conclusie der geopposeerden interveniënten, gefailleerden en echtgenooten, het verzet der interveniënten gegrond te verklaren, de homologatie van het aangeboden accoord te weigeren en de geopposeerden te veroordeelen in de kosten.

De Regtbank heeft daarop het volgende vonnis gewezen : De Regtbank enz.,

Gehoord de conclusien van partijen, bij slotsom luidende: 1". die van de eischers Hupkens en consorten, van den 2 April 1870: dat het der Regtbank behage de homologatie van het accoord te weigeren, met veroordeeling der failliete massa in de kosten;^

2°. die van den interveniënt N. van Aken, van den 2 April 1870: dat het der Regtbank behage hem acte te geven, dat hij ontkent aan den heer Ch. van Melsen, of aan wien ook, magt te hebben gegeven om namens hem voor het door de gefailleerden Crahay aangeboden accoord te stemmen; dat hij de door den heer van Melsen uitgebragte stem houdt voor nietig en zonder waarde , en zich in geenen deele door haar gebonden acht, en dienvolgens gemelde namens hem uitgebragte stem als niet gedaan te beschouwen, ten einde, met inacht-netning daarvan , omtrent de homologatie van het accoord zoodanig te beschikken, als zal bevonden worden te behooren; het al met veroordeeling der gefailleerde massa, of, zoo voornoemde heer van Melsen in het geding verschijnt, van dezen in de kosten;

3». die van de curators van den 16 Junij 1870: het behage der Arrond.-Regtbank den ondergeteekenden procureur acte te verleenen van zijne verklaring, dat hij pertinent ontkent, dat in de vergadering van 3 en 8 Maart al de aanwezige schuldeischers hunne stem zouden uitgebragt hebben; voorts dat hij zich omtrent het al of niet verleenen der homologatie van het aangeboden accoord refereert aan de , wijsheid der Uegtbank, altijd en in ieder geval met veroordeeling der succumberende partij in de kosten, aan de zijde der curators gevallen;

4°. die van den interveniënt, de firma E. E. Ansiaux-Rutten en

■ Comp., van 18 Junij 1870: zoo concludeert de ondergeteekende ; procureur namens de interveniërende firma E. L. Ansiaux-Rutten en

Comp., op de gronden, in de acte van verzet en in de conclusie van • den interveniënt van Aken, dd. 2 April 1870, vermeld, alsmede op : grond, dat ten deze niet blijkt, dat door de bij de wet vereischte meerderheid van crediteurs in de verschillende massa's het aangebo' den accoord is aangenomen, — de homologatie daarvan te weigeren , I met veroordeeling der failliete massa in de kosten van het proces; i 5». die van de gefailleerden M. en A. Crahay en derzelver echtgenooten van den 30 Junij 1870: dat het der Regtbank behagen i moge het aangeboden accoord te homologeren, de gedane oppositie nier-ontvankelijk en ongegrond te verklaren, de eenheid van de gefailleerde massa te maintineren en uit te spreken; subsidiair, indien de Regtbank zoude vermeenen de door den heer Ch. van Melsen ,

■ namens mevr. J. Crahay, voor de schuldvordering van Aken uitgebragte stem niet te kunnen aannemen, dan het aangeboden accoord te vernietigen, en te bevelen, dat eene nieuwe oproeping vau schuld-

. eischers zal geschieden, die niet tot stemming over een accoord ' zullen kunnen overgaan , dan nadat regt zal zijn gesproken over de naar de Regtbank gerenvoyeerde schuldvorderingen, cum expensis; 6". die van den interveniënt Ch. van ilelseti en de echtgenoote | van 'den gefailleerde A. Crahay van 7 Julij 1870: dat hij met vertrouwen aan de wijsheid der Regtbank overlaat de beslissing over de '. al of niet geldigheid der door hem, namens zijne zuster mevr. Jt Crahay, uitgebragte stem, en toetreding tot het accoord voor en m plaats vau den heer N. van Aken;

7". die van de eischers Hupkens en consorten van den 4 Au„, 1870: zoo verklaart de ondergeteekende procureur der opposanten bij zijne namens die clienten genomen conclusie te volharden, onder i aanbod, om, zoo noodig, door getuigen te bewijzen diegene der boven^

■ gestelde daadzaken , welke ontkend mogten worden , en voorts . \ andere, bij zyn exploit van oppositie vermeld;

Sluiten