Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dieren. Zulke mishandelingen zijn zeker af te keuren; ik zie echter geen voldoende reden om vóór de algetneene herziening van het Strafwetboek eene speciale wetsvoordragt te dier zake in te dienen.

Nu ik toch spreek van het Wetboek van Strafregt, dat in wording is , zal het der Kamer wel aangenaam zijn te vernemen, dat dit werk door de staats-commissie met allen spoed wordt voortgezet, zoodat ik hoop, dat wij den tijd zullen beleven, dat dit ontwerp alhier behandeld zal kunnen worden.

Wat de zaak van het notariaat en de hypothecaire wetgeving betreft, is uit de memorie van beantwoording gebleken , dat het werk der staats-commissie, met 's Konings vergunning, van den Raad van State is teruggevraagd. Mijn doel was, dat werk op nieuw te doen onderzoeken aan het Departement en, van de noodige wijzigingen voorzien, daarna weder naar den Raad van State terug te zenden. Bij de behandeling van dit gewigtig onderwerp zal ik gaarne acht slaan op de bedenkingen der geachte sprekers. Maar er is e'én punt, dat ik niet onaangeroerd mag laten. De geachte spreker uit Assen heeft gewaagd van de voordragten, van mijn voorganger en van mij uitgegaan, die zouden getuigen van zekere zucht tot bevordering van erfelijkheid in de betrekking van notaris. Wat hij gezegd heeft van de beide gevallen der laatste weken, is volkomen juist. Ik heb mij onbezwaard geacht een zoon tot opvolger van zijn schoonvader voor te dragen. En ik geloof, dat ik mij daaromtrent kan regtvaardigen. Er is dikwijls geen tnoeijelijker benoeming dan die tot notaris, omdat er eene reeks van candidaat-notarissen is, die gelijke aanspraken kunnen hebben. Nu reeds bezit ik de levendige overtuiging , dat bij het doen van voordragten tot notarissen geen vaste regel kan en mag worden gesteld. He betrekking van notaris is zeer belangrijk, en wanneer in den regel werd voorgedragen de oudste condidaat-notaris, zou men toch inderdaad, al bezit ook die oudste bekwaamheid en wetenschappelijke kennis, somwijlen eene verkeerde voordragt doen. Men moet bij de voordragt tot vervulling van dergelijke betrekking niet alleen letten op aanspraken van sollicitanten, maar ook op de belangen der justitiabelen. En dan verschilt de toestand op de eene plaats van dien op eene andere. Er zijn plaatsen, waar het voordragen van den zoon in de plaats van zijn overleden vader eene bepaalde onbillijkheid zou ziin tegenover anderen. Ik behoef geene namen te noemen. Maar het geval heeft zich voorgedaan — het kan aan sommige leden bekend zijn — dat een zeer achtenswaardig notaris in een onzer hoofdsteden stierf. Hij liet een zoon na, een zeer bekwaam jong mensch , die veel moeite deed en ook aanspraken kon doen gelden om in de plaats van zijn vader benoemd te worden. Maar wanneer ik zijne aanspraken vergeleek met die van anderen, zou ik, door hem voor te dragen, eene onbillijkheid gepleegd hebben jegens anderen. Dit is niet altijd en op alle plaatsen het geval. Wanneer een vader gedurende jaren notaris is geweest op het platteland en de zoon genoegzaam onder de oudste candidaten behoort, zou het onbillijk zijn den zoon niet voor te dragen in de plaats van den vader, want die voordragt is in het belang van de justitiabelen. Een notaris op het platteland kan dikwijls een grooten invloed uitoefenen op de belangen der ingezetenen. En nu is het in het belang van die ingezetenen hoogst noodig, dat de zoon, die zoovele jaren bij den vader op het kantoor is geweest, bij overlijden van den vader, dezen vorvangt. Ik geloof daarom, dat voor de voordragt van notarissen geen vaste regel kan noch mag worden aangenomen, maar dat ieder geval op zich zelf moet worden beoordeeld. Dan eerst zal men regt en billijkheid in acht nemen.

Een enkel woord aan den geachten afgevaardigde uit Tiel, van wien ik reeds eene bedenking heb beantwoord. Die geachte afgevaardigde wenseht mijn oordeel te kennen over eene uitspraak van den

kantonregter te Wageningen. Hij houde mij ten goede, dat ik dit oordeel niet uitspreek. Wanneer bij dit vonnis een punt is beslist, dat van algemeen belang kan zijn en dat behoort tot de attributen van mijn Departement, zal ik daarop gaarne acht slaan ; maar ik geloof niet, dat het raadzaam is thans omtrent de quaestie, bij de uitspraak behandeld, mijne zienswijze nu te doen kennen.

Ten slotte. Ik hoop, dat ik de gemaakte bedenkingen zooveel mogelijk heb beantwoord. Mogt ik verzuimd hebben deze of gene opmerking te beantwoorden, het worde mij ten goede gehouden , daar ik als hoofd van dit belangrijk Departement voor de eerste maal eene begrooting verdedig.

Ik eindig met de verklaring, ook door sommige leden aangeroerd, dat voor mij op het wetgevend gebied zeer groote arbeid te verrigten is. Het zal mijn ijverig pogen zijn, op dat gebied veel voor te bereiden ; maar die voorbereiding zal vruchteloos zijn , zoo zij niet achtervolgd worde door veel afdoen en tot stand brengen. — Daartoe moge de medewerking der Kamer bijdragen.

De heer Blussé, Minister van Finantiën: Nu de Bildt-quaestie is aangeroerd, die eigenlijk behoort tot hoofdstuk VII B, wensch ik daarover een woord te zeggen , in de hoop , dat zij nu daardoor zal worden afgedaan.

Ik heb het voorregt gemist de geheele rede van den geachten afgevaardigde uit Friesland te hooren; doch uit zijne conclusie en het verder aangevoerde door den geachten afgevaardigde uit Amersfoort heb ik voldoende begrepen, waarover gehandeld werd.

De quaestie is oud. Verschillende mijner ambtsvoorgangers lieten haar onderzoeken door uitnemende regtsgeleerden ; maar de adviesen, die zij kregen, waren niet van dien aard, dat zij er door bemoedigd werden de zaak aanhangig te maken en eene actie in testellen. Mijn geachte ambtgenoot van Justitie deelde zoo even mede, welke verschillende gezigtspunten zich voordeden; en wanneer nu een regtsgeleerde van naam, die wel degelijk meent, dat hier eene verpligting op den grond rust, zegt: «de aanleg van een regtsgeding te dier zake moge welligt met moeijelijkheden gepaard gaan, maar onmogelijk schijnt het voor alsnog niet toe», dan kan een minister aan zoodanige uitdrukking weinig moed ontleenen om eene actie in te stellen , die hoogstens als niet onmogelijk wordt voorgesteld.

Ik meen dan ook, dat mijne ambtsvoorgangers zich teregt hebben onthouden. Het gezond verstand moge zeggen , dat hier werkelijk sprake is van een last op den grond, maar de woorden van art. 4 drukken het niet uit, die zeggen, dat de koopers verpligt en gehouden zullen zijn voor altoos, enz. Verder zijn er nog uitdrukkingen, waaruit ik zou moeten afleiden, dat de Staat er al thans geheel buiten is; onder anderen, nadat alles opgesomd is, waartoe de koopers verpligt zijn , komt het volgend slot: «zonder dat de provincie ooit daartoe zal hebben te contribueren».

Dus, de beteekenis van art. 4 is mijns inziens, dat de provincie er buiten is; en als men nu zegt, dat de Staat subintreert voor de provincie, dan is de Staat er evenzeer buiten.

Evenmin als mijne voorgangers zie ik eene aanleiding om eene actie in te stellen.

Ik geloof, dat de Staat daarbij geen belang heeft. Nu is er aan de hand gedaan om in eene schikking te treden ; ik ben niet ongeneigd daartoe mede te werken: maar ik geloof niet, dat men dit ernstig wil;

ik geloof, dat het veel minder te doen is om de knikkers dan om het regt van het spel; men wil die zaak uitgemaakt hebben en er den Staat voorspannen.

Het eenige belang, dat de Staat bij de zaak kan hebben, zou ontstaan uit de 2de alinea van art. 168 der Grondwet. De eerste alinea is hier niet toepasselijk. Daarin is alleen sprake van het garanderen van door den Staat te betalen tractementen en pensioenen, terwijl het niet de bedoeling kan geweest zijn inkomsten te garanderen, die uit anderen hoofde door kerkgenootschappen genoten werden ; want er

volgt in de Grondwet in de 2de alinea onmiddellijk op, bijwijze van tegenstelling: «Aan de leeraars, welke tot nog toe uit ,s lands kas geen of een niet toereikend tractement genieten, kan eon tractement toegelegd of het bestaande vermeerderd worden.» Deze tweede alinea zou dan in werking treden, wanneer men aannam, dat die particulieren of particuliere goederen van die verpligting ontslagen zijn. De gemeente zou zich dan moeten wenden tot den Staat om subsidie te bekomen; maar dan zou ook de eerste vraag zijn : is die gemeente werkelijk behoeftig en in welke mate?

Nu heeft men dikwijls gezegd, dat de Staat niet ligtvaardig procedures mag instellen; en daarom zal mij nu ook wel niet ten kwade geduid worden, wanneer ik mij niet gezind verklaar om , zoolang ik niet beter ingelicht ben, namens den Staat die actie in te stellen.

A.RRON DISS E M ENTS-REGT BANKEN.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE ROTTERDAM. Burgerlijhd bmner.

Zitting van den 1 9 April 1871.

Voorzitter, Mr. J. a. m. Bichon van IJsselmonde.

Verkoop van gum damar, gefactureerd voor prima qualitkit.— vkrhocdino tusschen de makelaars van den inkooper en die van den kooper.

Ricard en Freiwald, te Amsterdam, eischers ,

tegen

Dunlop en Mees, te Rotterdam , gedaagden ,

en tegen

Trees en Adriani, te Amsterdam , gedaagden in vrijwaring, alsmede tegen

Wischerhoff en de Lange, te Rotterdam , gedaagden in ondervrijwaring.

De Regtbank enz.,

Gehoord partijen in hare conclusiën en pleidooijen;

Gelet op de vonnissen dezer Regtbank van den 14 Febr. IS70, waarbij aan de oorspronkelijke eischeres wordt toegestaan om de firma Trees en Adriani in vrijwaring op te roepen , en van den 27

Junij 1870, waarbij aan gezegde gedaagden in vrijwaring is toegestaan om de firma Wischerhoff en de Lange in onder-vrijwaring op te roepen; Overwegende met betrekking tot de daadzaken :

dat de firma Ricard en Freiwald beweert aan de makelaars Trees en Adriani last te hebben gegeven om voor haar en in haren naam 163 kisten (205 picols) gum damar te verkoopen tegen /5255/ioo VÈr half kilogram op drie en een halve maand promesse of 1 % pet. comptant, te leveren bij behouden aankomst der schepen Vesta, 109 kisten, 137 picols, en Peru, 54 kisten, 68 picols, voetstoots van boord te ontvangen , wat qualiteit aangaat, en, ingeval van schade, de vergoeding der assuradeuren voor de koopers;

dat die makelaars haar den 17 Sept. 1869 hadden medegedeeld aan dien last voldaan en den koop en verkoop door tusschenkomst van de makelaars Wischerhoff en de Lange, te Rotterdam, gesloten

te nebben met de gedaagde nrma Uunlop en ïviees ;

dat die firma Dunlop en Mees echter weigert de gum damar, per Vesta aangebragt en daaruit gelost, te ontvangen; dat zij dus op grond dier daadzaken regt heeft ontbinding der overeenkomst van koop en verkoop te vragen, met vergoeding van kosten, schaden en interessen, bij haar eischeres door de niet-nakoming der ged. geleden ;

dat de ged., de firma Dunlop en Mees , heeft erkend door tusschenkomst van de makelaars' te Rotterdam, Wischerhoff en de Lange, de opgegevene hoeveelheid gum damar te hebben gekocht, doch, blijkens een ten processe overgelegd koopbriefje, door gezegde makelaars afgegeven (geregistreerd enz.), op deze voorwaarde : »de verkoopers geven de verzekering van afzending voor prima qualiteit, bij behouden arrivement tel quel van boord te ontvangen , zeeschade met rafactie, ouder voorbehoud der gewone regten van assuradeuren,» terwijl de gedaagde firma Dunlop en Mees beweert, dat het gevolg van die voorwaarde is , dat de eischeres verpligt zoude zijn door de factuur of door andere bescheiden aan te toonen, dat de gum damar per Vesta en Peru aan de eischeres voor eerste qualiteit was afgezonden; verklarende zij zich, indien de eischeres daaraan voldeed, bereid om de gum damar te ontvangen ;

dat de eischeres, bewerende hare makelaars Trees en Adriani geen last gegeven te hebben om onder die voorwaarde te verkoopen, gezegde makelaars in vrijwaring heeft opgeroepen ;

dat gezegde makelaars Trees en Adriani erkennen van de oorspronkelijke eischers Ricard en Freiwald geen anderen last ontvangen te hebben dan om de gum damar, zeilende per Vesta en Peru, bij inschrijving te verkoopen op zoodanige voorwaarden als hiervoor door de oorspronkelijke eischeres is opgegeven, terwijl zij voorts beweren, dat het door hunnen brief aan de makelaars Wischerhoff en de Lange, van den 17 Sept. 1869, bij extract uit hun brievenboek, ten processe overgelegd, in verband met het daarop van gezegde makelaars Wischerhoff en de Lansre. van den 21 Sept. daaraanvolgende, ontvangen ant¬

woord (voor zegel geviseerd en geregistreerd enz.), bewe/,en zijn zoude, dat zij onder die voorwaarden zonder meer verkocht hadden, en dat daarmede door de makelaars Wischerhoff en de Lange genoegen genomen was;

dat. toen de oorspronkelijke aed. en de oorspronkelijke eischeres

van oordeel waren, dat tegenover het door eerstgenoemde ten processe overgelegde koopbriefje van de makelaars Wischerhoff en de Lange de bewering der in vrijwaring geroepene firma Trees en Adriani niet genoegzaam was gestaafd, laatstgenoemde firma het noodig geacht heeft de makelaars te Rotterdam, Wischerhoff en de Lange, in ondervrijwaring op te roepen;

dat de in onder-vrijwaring geroepene, ofschoon erkennende den 14 Sept. 1869 van de eischeres in onder-vrijwaring een billet ter inschrijving ontvangen te hebben , van dezen inhoud :

«Amsterdam, l 4 September 1S69. Op Vrijdag 17 September eerstkomende, ten twee uur, zullen bij inschrijving worden verkocht 163 kisten, 205 picols , gum damar, waarvan 109 kisten, 137 picols, zeilende per Vesta, 54 kisten, 68 picols, zeilende per Peru, voetstoots van boord te ontvangen.

Met achting UEd. Dw. Dienaren, Trees en Adriani.»

en zich beroepende op haren brief van den 15 Sept. 1869 aan de firma Trees en Adriani (voor zegel geviseerd en geregistreerd), en het daarop ontvangen antwoord van de heeren Trees en Adriani van den 16 Sept. 1869 (geregistreerd),-—beweert volkomen geregtigd te zijn geweest om aan de oorspronkelijke gedaagden, Dunlop en Mees, de gum damar te verkoopen, onder de voorwaarde, zoo als door haar was geschied en zoo als daarvan door haar het ten processe voorhanden koopbriefje was afgegeven;

0. met betrekking tot het regt;

dat hier in de eerste plaats moet worden uitgemaakt, of de principale vordering der eischeres haar kan worden toegewezen ;

O., dat de eischeres hare vordering tegenover de oorspronkelijke gedaagden niet heeft bewezen ;

0. toch, dat de oorspronkelijke gedaagden, door de overlegging van het koopbriefje, door de makelaars te Rotterdam, Wischerhoff en de Lange, afgegeven, door wier tusschenkomst de oorspronkelijke eischeres erkent, dat de koop en verkoop der in deze bedoelde gum damar heeft plaatsgehad,—het bewijs geleverd heeft, dat die koop en verkoop is geschied, niet alleen op de voorwaarde, door de oorspronkelijke eischeres gesteld, maar ook onder deze, dat de eischeresverkoopster de verzekering had gegeven van afzending voor prima qualiteit;

0., dat het tusschen partijen vaststaat, dat de verkoopers, door zoodanige verzekering als beding bij den verkoop te geven, den kooper het regt toekennen om, vóór zij het gekochte in ontvang nemen, van de verkoopers het bewijs te vorderen, dat de gekochte partij aan de verkoopers als prima qualiteit is gefactureerd;

0., dat de oorspronkelijke ged. die onder zoodanige voorwaarde blijkt gekocht te hebben, nu de oorspronkelijke eischeres als verkoopster weigert of zich ongehouden acht haar het bewijs ter hand te stellen, dat de gekochte partij gum damar aan haar als prima qualiteit is gefactureerd, geacht moet worden teregt de ontvangst der partij gnm damar te weigeren , immers dat de eischeres het bewijs niet heeft geleverd, dat de oorspronkelijke ged., door te weigeren de gum damar ex Vesta zonder die factuur te ontvangen, nalatig is in de vervulling van hare uit de overeenkomst van koop en verkoop voortspruitende verpligtingen;

0., dat de vordering der oorspronkelijke eischeres tegen de oorspronkelijke ged., als onbewezen , haar alzoo niet kan volgen, en deze haar dus zal moeten worden ontzegd, met hare veroordeeling in de kosten;

0., dat er echter geene termen zijn om de vordering der oorspronkelijke ged. toe te wijzen, dat de ged. in vrijwaring veroordeeld zal worden haar de kosten te vergoeden, die zij ten slotte niet zal kunnen verhalen op de partij, die in het ongelijk gesteld wordt;

0. toch, dat, zoo als boven is uitgemaakt, de eischeres, die blijkt haar ged. ten onregte in een proces gewikkeld te hebben, veroordeeld behoort te worden om haar al de kosten , die daarvan het gevolg zijn, te vergoeden, en dan ook tusschen de oorspronkelijke ged. en de ged. in vrijwaring geen regtsband bestaat;

O., dat in de tweede plaats behoort te worden onderzocht, wie ter zake van dien koop en verkoop tot vrijwaring jegens de oorspronkelijke eischeres gehouden is;

0dat het tusschen de oorspronkelijke eischeres en de ged. in vrijwaring, aan wie eerstgenoemde den verkoop bij inschrijving van de gum damar heeft opgedragen, in conjesso is, dat die verkoop niet mogt plaats hebben met de clausule; de verkoopers geven de verzekering, dat de gum damar voor prima qualiteit is gefactureerd; zoodat, indien de heeren Trees en Adriani, gedaagden in vrijwaring, eischers in onder-vrijwaring, de heeren Wischerhoff en de Lange, gedaagden in onder-vrijwaring, hebben gemagtigd om met die clausule te verkoopen, zij daardoor hunnen last zouden zijn te buiten gegaan en uit dien hoofde tot vrijwaring jegens de oorspronkelijke eischeres gehouden , terwijl daarentegen , indien mogt blijken, dat de ged. in onder-vrijwaring door de eischeres in onder-vrijwaring niet gemagtigd is geworden om met die clausule te verkoopen, eerstgenoemde , door desniettemin met die clausule te verkoopen , en dien-overeenkomstig een koopbriefje af te geven, dien op haar verstrekten last zou hebben overschreden en daardoor verpligt is om hare lastgevers te dier zake te vrijwaren:

0. te dien opzigte, dat tusschen de eischeres en de ged. in ondervrijwaring in confesso is , dat eerstgenoemde tusschen 10 Febr. en 5 Junij 1869 herhaalde malen voor hare principalen (de oorspronkelijke eischeres in deze) gum damar, zeilende, bij inschrijving te koop had aangeboden , doch dan altijd in de gedrukte aankondiging had opgenomen de clausule: «voetstoots van boord te ontvangen, wat qualiteit aangaat» ; en daarop had laten volgen: «de verkoopers geven de verzekering, dat alles voor prima Batavia qualiteit is gefactureerd»; doch dat, in afwijking daarvan, in de gedrukte aankondiging van den

verkoop bij inschrijving van de gum damar, waarover mans gescnu, alleen voorkomt, zonder meer: «voetstoots van boord te ontvangen»;

0., dat de eischeres in onder-vrijwaring daaruit afleidt, dat dus bij laatstgenoemden verkoop die verzekering niet werd gegeven;

0., dat de ged. in onder-vrijwaring dit, voor zooverre het uit de gedrukte annonce zoude voortvloeijen, wel toestemt, maar er op wijzende, dat de verkoop bij inschrijving eerst op den 17 Sept. zoude plaats hebben, zich beroept op haren brief aan de eischeres in ondervrijwaring, den 15 Sept. geschreven, waarin hij haar deze vraag had gesteld: «de heeren R. en Fr. geven toch de verzekering, dat de te koop zijnde partijen damar aan hen gefactureerd zijn voor prima qualiteit» , en op het antwoord van de eischeres in onder-vrij waring van den 16 Sept. daaraanvolgende, aan haar ged. geschreven, en waarin gelezen wordt: «ter beantwoording van uwe waarde letteren van gisteren dient, dat de heeren Ricard en Freiwald als gewoonlijk de verzekering gegeven hebben , dat de damar voor prima gefactureerd is, natuurlijk treden zij echter in geenerlei garantie voor qualiteit;» en waaruit zij afleidt, dat zij gemagtigd was om te verkoopen, zoo als zij dit aan de oorspronkelijke gedaagden, de heeren Dunlop en Mees, gedaan had ;

0., dat de eischeres in onder-vrijwaring die brieven wel erkent, maar beweert, dat de inhoud van laatstgemelden brief alleen als eene voorwaarde, waaronder verkocht mogt worden, te beschouwen was> vooral niet met het oog op den inhoud van het gedrukte aankond'gingsbiljet, en zich verder dan ook , om te bewijzen, dat de ged. onder-vrijwaring dien brief niet anders heeft opgevat, beroept op haren brief van 17 Sept. 1869, bij extract uit haar brievenboek, ten processe overgelegd, aan de ged. in onder-vrijwaring geschreven, waarin voorkomt : »wij ontvingen uwe geëerde letteren van 16 dezer, met bieding van J 52.05, welk bod wij voor u uitbragten en koopers werden tot f 52.55 , op uwe depêche aan de heeren Ricard en Freiwald, 'e leveren bij behouden aankomst der schepen Vesta en Peru, voetstoots van boord te ontvangen, wat qualiteit betreft", en waarin dan volg'«uwe accoordbevinding, benevens opgave der koopers, zien wij tt; gemoet», in verband met het antwoord daarop van de ged. in onder* vrijwaring van den 21 Sept. 1869, waarin gelezen wordt: «ter beantwoording uwer letteren van 17 dezer is dienende, wij met den inkoop der 163 kisten gum damar accoord gaan» ;

0., dat uit de correspondentie, tusschen de eischeres en ged- 111 onder-vrijwaring gevoerd, en meer bepaald uit den brief van de eischeres in onder-vrijwaring van den 16 Sept. 1869 volgt, dat de ged. in ondervrijwaring de gum damar per Vesta en Peru mogt verkoopen, op de voorwaarde, door haar in het aan de oorspronkelijke ged. afgege^11 koopbriefje vermeld;

0. toch, dat uit gemelde correspondentie blijkt, dat de makelaar Wischerhoff en de Lange, aan wie de gedrukte annonce van den ^el* koop van den 14 Sept., afwijkende van soortgelijke vroegere annonces, was gezonden, juist uit die afwijking aanleiding genomen hebben otn te vragen, of de heeren Ricard en Freiwald de verzekering geven, da de partijen damar voor prima qualiteit aan hen gefactureerd waren , en dat het antwoord van de heeren Trees en Adriani: »de heere Ricard en Treiwald hebben als gewoonlijk de verzekering gegeven»

Sluiten