Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Donderdag, 15 Junij 1871.

WEEKBLAD VAN HET REGT.

N°. 3333

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADYEKTENTIË-BLAD.

DRIE-EN- DERTIGSTE JAARGANG.

JUS ET VËRITAS.

Dit blad verschijnt

post

1 Maandags en Donderdags, en om de neertien dagen ook des Dingsdags. -— Prijs per jaargang f 20 ; voor de buitensteden franco per ƒ1.00 verhooging. — Prijs der advertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers.

WETGEVING.

STAATSBEGROOTING VOOR 1871.

In het voorloopig verslag van de Eerste Kamer der Staten-Generaal wordt over hoofdstuk IV (dep. van Justitie) het volgende gezegd:

1. De aanbieding van een wets-ontwerp tot af koopbaarstelling der tienden gaf aan sommige leden aanleiding tot het bespreken van dit onderwerp. Het beginsel van wederkeerigheid bij den afkoop en dat, volgens hetwelk de afkoop door don Staat moet geschieden , waren punten van gedachtenwisseling tussehen sommige leden; de meerderheid der leden wenschte zich echter om verschillende redenen voor alsnog van gedachtenwisseling over dit onderwerp te onthouden.

2. De voorgedragen vervanging der artt. 414—416 van het Wetboek van Strafregt door andere bepalingen maakte ook een onderwerp van bespreking tussehen sommige leden uit. De opmerkingen bepaalden zich ten slotte tot hetgeen daarover onder de algemeene • «schouwingen over de geheele staatsbegrooting gevonden wordt, waarheen de commissie van rapporteurs meent te mogen verwijzen. Daarin wordt gezegd : «Een punt ten slotte. Krachtige handhaving van het gezag is door de Regering toegezegd. Onverdeeld juichte men deze belofte toe. Zoowel in Indië als in Nederland schijnt handhaving van het gezag werischelijk; eenige leden veroorloofden zich echter de opmerking, of in de tegenwoordige omstandigheden de voordragt tot vervanging der artt. 414, 415 en 416 van het Wetboek van Strafregt door andere bepalingen met die toegezegde krachtige handhaving van het gezag geheel overeen is te brengen.»

30. Met het oog zoowel op de gebeurtenissen, onlangs in een naburig Rijk voorgevallen, als op zwervende benden van zoogenaamde Zigeuners, die zich nog van tijd tot tijd aan onze grenzen vertoonen, meenden sommige leden omzigtigheid en zorg tegenover inkomende vreemdelingen te mogen aanbevelen. Niet ongaarne zouden eenige leden de denkbeelden der Regering vernemen omtrent hetgeen zij voornemens is te doen ten opzigte van uitgewekenen , welke in de laatste gebeurtenissen te Parijs gewikkeld zijn geweest, ingeval zoodanige uitgewekenen in ons land eene schuilplaats mogten zoeken.

De Regering heeft op dat verslag het volgende geantwoord:

§ 1. De Regering is van oordeel, dat de gedachtenwisseling over de beginselen , waarop de af koopbaarstelling der tienden moet berusten, behoort te worden uitgesteld tot de behandeling van het aanhan¬

gige wets ontwerp Detrenenae uu onuerwerp.

§ 2. Men kan zich hier gedragen aan hetgeen is opgemerkt ter beantwoording van § 4 der algemeene beschouwingen. In die § 4 der algemeene beschouwingen wordt gezegd: »De twijfel, of de voordragt tot vervanging der artt. 414, 415 en 416 van het Wetboek van Strafregt, door andere bepalingen, wel is overeen te brengen met de krachtdadige handhaving van het gezag, schijnt niet gegrond. Billijke wetsbepalingen steunen het prestige van het gezag, dat in een constitutionnelen Staat op de wet berust. Daarom moet elke poging, welke ten doel heeft om strafbepalingen, die ongelijkmatig werken, te verbeteren, tot verhooging van den invloed van het gezag medewerken.»

§ 3. De hier gegeven wenk zal de Regering gaarne ter harte nemen.

Ten opzigte der uitgewekenen, welke in de laatste gebeurtenissen te Parijs gewikkeld zijn geweest, voor zooverre zij in ons land eene schuilplaats mogten zoeken, wordt de te volgen gedragslijn aangewezen door de wet van 13 Augustus 1849 (Staatsblad n". 39), in verband tot het met Frankrijk bestaande uitleverings-contract. Aan de stipte in-aoht-neming dier voorschriften worden de bevoegde autoriteiten, ook met het oog op de jongste gebeurtenissen, herinnerd.

bedreiging van straf tegen de vernieling en de

onbruik 15aarmaking van schei'en en andere vaartuigen door andere dan in de artt.

434 en 435 van het wetuoek van strafregt genoemde middelen.

Den 26 Mei 11. is bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal ingekoöien het volgend ontwerp van wet :

Wij WILLEM III enz.

Allen, die deze zullen zien of hooren lezen, salut 1 doen te weten:

Alzoo Wij in overweging genomen hebben, dat het noodzakelijk 's straf te bedreigen tegen de vernieling en de onbruikbaarmaking vsn schepen en andere vaartuigen door andere dan de in de artt. 434 435 van het Wetboek van Strafregt genoemde middelen :

Zoo is het, dat Wij, den Raad van State gehoord en met gemeen "verleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Art. l. Hij, die opzettelijk en wederregtelijk schepen of andere vaartuigen, die hij weet dat geheel of ten deele aan anderen toebehooren, zonder diens toestemming , doet zinken of stranden, of door andere dan in de artt. 434 en 435 van het Wetboek van Strafregt genoemde middelen vernielt of onbruikbaar maakt, wordt gestraft met gevangenis-straf van «én tot vijf jaren ; en , indien hij de schipper is 01 dezen vervangt, met tuchthuis-straf van vijf tot tien jaren.

De poging tot het in dit artikel omschreven wanbedrijf is strafbaar.

l)e gevangenis-straf wordt echter bij strafbare poging met een derde

verminderd.

Art. 2. Hij, die, met het oogmerk om zich of anderen wederregtelijk te bevoordeelen of anderen wederregtelijk te benadeelen, schepen of andere vaartuigen doet zinken of stranden, of door andere dan in de artt. 434 en 435 van het Wetboek van Strafregt genoemde mid¬

delen vernielt of onbruikbaar maakt, wordt gestraft met tuchthuisstraf van vijf tot tien jaren.

Art. 3. Hij , die door het opzettelijk en wederregtelijk doen zinken of stranden, of het door andere dan de in de artt. 434 en 435 van het Wetboek van Strafregt genoemde middelen vernielen of onbruikbaar maken van schepen of andere vaartuigen het leven van een ander in gevaar brengt, wordt gestraft met tuchthuis-straf van vijf tot vijftien jaren, en, ingeval daardoor de dood van een mensch is veroorzaakt, met tuchthuis-straf van vijf tot twintig jaren.

Art. 4. Art. 463 van het Wetboek van Strafregt en art. 20 der wet van 29 Junij 1854 (Stbl. no. 102) zijn toepasselijk op het in art. 1 omschreven wanbedrijf en de poging daartoe.

Lasten en bevelen enz.

Bij dit ontwerp is gevoegd de volgende memorie tan toelichting :

Bij Koninklijke boodschap van den 26 November 1869 werd aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal ter overweging aangeboden een ontwerp van wet ter aanvulling en uitbreiding van art. 437 van het Wetboek van Strafregt.

Dit ontwerp, in de afdeelingen der Kamer niet ongunstig ontvangen, gaf bij de openbare beraadslaging in de zittingen van 14 en 15 Maart 1870 tot vele bedenkingen aanleiding; zoo zelfs, dat het, na aanneming van een amendement van den heer de Lange, waardoor de drie artikelen van het regeringsvoorstel in één artikel werden zamengevat, met 28 tegen 24 stemmen werd verworpen.

Het gevolg dezer verwerping was, dat in ons strafregt eene betreurenswaardige leemte bleef voortbestaan. De opzettelijke vernieling of onbruikbaarmaking van schepen is thans, ingeval zij den dader niet toebehooren, alleen strafbaar als politie-overtreding, en, ingeval zij hem toebehooren, geheel straffeloos, onverschillig in beide gevallen, of aan het opzet zich een bedriegelijk oogmerk paart, en of het materiële feit een voor de openbare veiligheid bijzonder gevaarlijk karakter aanneemt, omdat daardoor menschlenevens in gevaar zijn gebragt of zelfs de dood van een mensch is veroorzaakt.

De ondergeteekende haeft het zijn pligt geacht, in afwachting van het Wetboek van Strafregt, waarvan de zaïnenstelling met kracht wordt voorbereid door de daartoe ingestelde staats-commissie, eene nieuwe poging aan te wenden tot aanvulling dezer leemte. Tot dat einde strekt de tegenwoordige voordragt.

Zij is, in afwijking van de vroegere, losgemaakt van art. 437 Code Penal. Misverstand en verwarring kunnen daardoor worden voorkomen. Immers, zoo al de aanranding van schepen , als misdrijf tegen eens anders eigendom (crime ou délit contre la propriété) kan worden aangemerkt als eene aanvulling van art. 437 van het Strafwetboek, waar deze aanranding geschiedt met een bepaald bedriegelijk oogmerk, gaat zij over in eene geheel andere categorie van misdrijven.

Eene derde soort van misdrijf — niet alleen eene verzwarende omstandigheid van de beide eerste, zoo als art. 3 van het vroegere ontwerp het voorstelde — is aanwezig , waar de vernieling of onbruikbaarmaking, hetzij tegen eigen, hetzij tegen vreemde schepen en al of niet met bedriegelijk oogmerk ondernemen, mensehenlevens in gevaar stelt.

Deze drieledige ouderscheiding vindt men ook terug in het laatste voortbrengsel der codificatie op het gebied van het strafregt, het den

1 Januarij 1871 in werking getreden Strafwetboek voor den NoordDuitschen Bond. § 305 van dat wetboek komt voor onder de rubriek: Sachbeschddigung en betreft alleen de opzettelijke vernieling of onbruikbaarmaking van aan een ander toebehoorende schepen ; § 205 , gerangschikt onder de rubriek Betrug und Untreue, treedt niet in de eigendoms-quaestie, maar eischt tot de strafbaarheid van het doen zinken of stranden van een verzekerd schip een gequalificeerd opzet of bedriegelijk oogmerk (wer in betrügerischer Absieht); § 323 eindelijk noemt onder de gémeingefiirliche Verbrechen het opzettelijk doen zinken of stranden van een schip, wanneer daaruit gevaar voor het leven van een ander ontstaat. In gelijke verhouding staan de artt. 1,

2 en 3 van dit ontwerp tot elkander.

Zij, die zich vroeger verklaarden tegen deze onderscheidingen en van oordeel waren , dat alle opzettelijke aanrandingen van schepen moesten worden zamengevat in ééne en dezelfde strafbepaling, beriepen zich toen voornamelijk op het Fransche decreet van 24 Maart 1852 en de Belgische wet van 21 Junij 1849. Men verlieze intusschen niet uit het oog, dat deze verordeningen geen deel uitmaken van het gemeene strafregt; en dat in het bijzonder ook art. 89 van het Fransche decreet en art. 31 der Belgische wet alleen betreffen personen, op de scheepsrol ingeschreven, leden der equipage; terwijl men zich daarbij voorstelde, zoo niet uitsluitend, toch voornamelijk misdrijven (crimes et de'lits maritimes), gepleegd zoolang het schip varende is. Het groote gevaar voor de veiligheid aan boord, het blijkt ook uit de zeer zware straffen, was dus hier voor den wetgever het overheerschend element. Waar dit aanwezig is en de dader zich daardoor niet laat afschrikken van het door hem opzettelijk gepleegde feit, wordt het gevaar voor mensehenlevens het criterium, het onderscheidend kenmerk van het misdrijf (gemeingefahrliches Verbrechen); en vervalt uit dien hoofde het belang om nog te onderzoeken, of het tegen eens anders eigendom, of, aan wien het schip ook behoore, met bedriegelijk oogmerk, ter verkorting van eens anders regten, is begaan. Geen ander beginsel ligt ten grondslag aan art. 3 van het ontwerp. Is , ten gevolge van de daarin omschreven, opzettelijk gepleegde feiten, door wien dan ook, want dit ontwerp betreft niet uitsluitend de bemanning van schepen, een menschenleven in gevaar gebragt, dan is daarom alleen reeds eene hoogere straf bedreigd dan in de gevallen, voorzien bij de artt. 1 en 2 ; en de onderscheidingen van deze twee artikelen blijven dus bij dit zwaardere misdriif buiten rekeninp-.

Art. 1. Achter zinken is hier nu, even als in de artt. 2 en 3, gevoegd: of stranden. Tegen deze verduidelijking, die bij de vroegere behandeling van dit onderwerp door velen wenschelijk werd geacht, kan geen bezwaar bestaan.

Wat het vereischte van den dolus, hier en in art. 3, betreft, blijft

de ondergeteekende het woord opzettelijk verkiezen boven de in onze strafwetgeving ongewone en, naar zijne zienswijze, ook voor het vervolg niet aan te bevelen uitdrukking «met boos opzet». Ten einde echter allen twijfel te voorkomen, dat door de algemeene voorschriften der strafwet niet strafbaar zullen worden handelingen , welke , ingevolge art. 699, 15»., Wetboek van Koophandel, in de dadr bedoelde exceptionnele gevallen geoorloofd zijn en geoorloofd moeten blijven, is hier en in art. 3 het opzet, voor zooveel noodig, nader omschreven door de woorden : «en wederregtelijk". Ook § 305 N. 1). Bond bezigt de uitdrukking vorsiitzlich und rechtswidrig.

Ten aanzien van de straf wijkt dit artikel af van art. 1 van het vorige ontwerp. In het algemeen wordt tegen de aanranding van eens anders eigendom hier, even als in § 305 van het Noordduitsche wetboek , correctionnele gevangenis-straf bedreigd; maar de gevangenis-straf wordt tuchthuis-straf, het wanbedrijf wordt misdaad, wanneer het gepleegd wordt door den schipper, aan wien het schip was toevertrouwd, en alzoo het karakter aanneemt van gequalificeerd misbruik van vertrouwen.

Daarentegen is bij de misdrijven, voorzien in de artt. 2 en 3 , de hoedanigheid van schipper geene verzwarende omstandigheid. Het bedrog verandert zoomin als de voor de openbare veiligheid gevaarlijke misdaad, van aard, als het door den gezagvoerder wordt gepleegd; en de ruimte tussehen het minimum en het maximum is voldoende om op die omstandigheid bij de toepassing der straf te letten.

In de plaats van de uitdrukking gezagvoerder, is in de artt. 1, 2 en 3 van het ontwerp gebezigd het woord schipper, ter meerdere overeenstemming met het Wetboek van Koophandel, de wet omtrent de huishouding en tucht op de koopvaardijschepen en de wet op de zeebrieven.

Art. 2 , § 265 , van het Noordduitsche wetboek noemt als object dezer misdaad alleen een schip, dat als zoodanig of waarvan de lading of het vrachtloon verzekerd is. Voor deze beperking bestaat geen aannemelijke grond. Het criterium van dit misdrijf is de bedriegelijke bedoeling, het bepaalde oogmerk om zich of anderen wederregtelijk te bevoordeelen of anderen wederregtelijk te benadeelen. Dat oogmerk kan, buiten het geval van verzekering, ook bestaan, als geld op bode merij is geschoten onder verband van een of meer der voorwerpen, in art. 574 Wetboek van Koophandel vermeld; of wel wanneer het schip voor meer dan de volle waarde is bezwaard, en nu door den eigenaar wordt in den grond geboord ter bedriegelijke verkorting der regten van de houders der daarop ingeschreven pandbrieven.

De wetgever kan niet alle gevallen voorzien, waarin de vernieling of onbruikbaarmaking van een schip een middel kan worden, om zich of anderen wederregtelijk te bevoordeelen of anderen wederregtelijk te benadeelen. Het veiligst is dus dit gequalificeerd bedrog in algemeene termen strafbaar te stellen, zonder opnoeming van bijzondere gevallen.

Art. 3. Op het groote onderscheid tussehen dit artikel en art. 3 van het vorig ontwerp, daarin gelegen , dat hier een delictum sui generis, niet bloot eene verzwarende omstandigheid van de in de artt. 1 en 2 vermelde misdrijven wordt omschreven, is reeds gewezen. Een ander punt van verschil is, dat, in overeenstemming met § 323 van het Noordduitsche wetboek, als stellig objectief vereischte wordt aangewezen het doen ontstaan van gevaar voor een menschenleven, niet de subjective mogelijkheid bij den dader om dit gevaar te voorzien.

Eene verzwarende omstandigheid is dan verder gelegen in de verwezenlijking van het gevaar, door het werkelijk veroorzaken van den dood van een mensch; ook dan, wanneer de misdadige wil niet op dit gevolg van het misdrijf gerigt was. Is dit laatste wel het geval, dan bestaat er moord of doodslag. Het is echter geheel onnoodig dit met zooveel woorden in de wet uit te drukken.

De ondergeteekende kan zich volkomen vereenigen met en zich mitsdien gedragen aan hetgeen dienaangaande reeds werd opgemerkt in de memorie van beantwoording op art. 3 van het vorig ontwerp.

De Minister van Justitie, J. A. Jolles.

PROVINCIALE HOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN ZUIDHOLLAND.

HurgerliJUe kamer.

Zitting van den 20 Maart 1871.

Voorzitter, Jhr. Mr. F. W. A, Beelaebts van Blokland.

Zee-verzekering. — Veranderd risico door buitengewoon lang stilliggen in InDIC. — ZeEFORTDINEN. —

Eigen gebrek.

Wanneer is verzekerd eene retourreis van Indië naar Nederland, met bepaling, dat de risico zal ingaan bij het stilstaan der uitgaande risico , dan blijft de assuradeur verbonden, ook wanneer het schip na zijne aankomst een jaar in Indië blijft stilliggen.

Eene met andere assuradeuren gemaakte regeling omtrent verhooging der premie niet alt erkenning van veranderde risico, maar als maatregel van billijkheid te beschouwen.

Hooge . moeijelijke zee, buijige en harde koeltewilde, door elkander hopende zee, zwaar werkend en stampend schip enz., zijn omstandigheden, waartegen een goed zeewaardig schip bestand moet zijn, en die dus niet den naam verdienen van van buiten aankomende onheilen, maar veeleer van gewone gebeurtenissen welke op iedere zeereis van eenigen duur plaats hebben.

Een certificaat van zeewaardigheid, afgegeven bij het aanvaarden der reis, kan niet opwegen tegen het ontbreken van zee-evenementen.

Sluiten