Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de schuld van den tweeden req. is verkregen mede door een testimonium de auditu (elfde overweging, verklaring van den ne^en-en-twintigsten getuige);

O., dat de bedoelde getuige, IJ. Smeding , heeft verklaard: «dat A. J. Mulder, aan wie zij een mes had ter leen gegeven, dit in 1868 aan baar had teruggebragt, en dat, toen zij, IJpkje, kort daarna ten huize van Antje kwam , die toen nog alleen als weduwe woonde, zij d&&r op de tafel bij die gelegenheid had gezien een nieuw mes met een rood houten heft, gelijk als zij IJpkje zelve had, maar iets grooter, hetwelk zij, Antje, zeide van den derden besch. gekregen te hebben, met wien zij toen nog niet zamenwoonde, maar sedert nieuwejaar 1868 verkeering had, en dat het thans als overtuigings-stuk aanwezig mes met beenen heft een ander is en zij, IJpkje, dit laatste mes nooit bij Antje heeft in handen gehad of gezien»;

0; dat het Hof van deze verklaring heeft, gebruik gemaakt om wede daardoor te doen uitkomen de onwaarheid van de opgave van den derden besch. (tweeden req.), die, zoo voor den regter-commissaris als ter teregtzitting, beweerd had, dat hij het mes met beenen heft (het als overtuigings-stuk aanwezige) , welks bezit hij erkende , in den zomer van 1868 , "toen hij van het hooijen kwam, te Sneek op de 'Harkt van een d'iseh had gekocht van den getuige IJ. T. Bakker en aan A. J. Mulder, die toen nog alleen woonde, gegeven , en later, nadat deze bij hem was komen inwonen, er een vlierhouten heft had "•ongemaakt, omdat het beenen heft er telkens afging;

G. nu, dat de onbestaanbaarheid van dit beweren met de getuigenis van IJ. Smeding niet daarin gelegen was, dat A. Mulder het door <<e getuige bij haar geziene mes, volgens haar zeggen, van den besch. gekregen had, maar daarin, dat dit mes, hetwelk niet alleen het ée'riige v'as, dat de getuige ooit bij haar gezien had, maar ook blijkbaar het «'e'üigewas, dat zij bezat, vermits zij, eer zij het had, er een van de getuige had moeten leenen, niet was het als overtuigings-stuk aanwezige lnes, hetgeen de besch. beweerd had aan A. Mulder gegeven te 1'ebben;

0., dat mitsdien de door de getuige gehoorde woorden van A. Mulder, als van geen gewigt ten aanzien van datgene, waarop het in deze aankwam, van geen invloed kon zijn op 's Hofs beslissing , en derhalve het bij dit middel beweerde, dat het Hof mede op een testimonium «e auditu zoude hebben regt gedaan, is ongegrond;

0., dat als zevende en laatste middel van cassatie is voorgesteld : schending van de artt. 206, 211 , 427 tot 429 en 442 Strafvord., "Mdat het Hof als aanwijzing van de schuld van den tweeden req. heeft aangenomen, dat hij onderscheidene te zijnen bezware verklaarde "mstandigheden zonder oplossing heeft geloochend, zonder aan te duiden waarin die omstandigheden hebben bestaan ;

0., dat het middel doelt op de laatste al. der elfde overweging van het beklaagde arrest, waar als aanwiizing voor des requirants schuld

wede worden genoemd: »zijne opgaven en beweringen ter teregtzitting, dat hij bij die ontkentenissen verblijvende en bewerende in den avond nacht van den 25 op 26 Nov. 1867 zijne hut niet te hebben verlaten, onderscheidene te zijnen bezware door geloofwaardige getuigen ter teregtzitting stellig verklaarde omstandigheden zonder eenige de minste oplossing telkens eenvoudig heeft geloochend»;

0. dienaangaande, dat in de voorlaatste al. van dezelfde overweging eenige feiten worden opgenoemd, die door den besch. in zijn verhoor vo°r den regter-commissaris waren ontkend; en dat nu de zin der laatste al. blijkbaar deze is, dat de req., ter teregtzitting bij die ontkentenissen blijvende, in tegenspraak was met de verklaringen der ter teregtzitting gehoorde getuigen, die de in de onmiddellijk voorafgaande alinea vermelde feiten hadden bevestigd;

0-, dat alzoo uit het, beklaagde arrest wel degelijk blijkt, waarin de hij het cassatie-middel bedoelde omstandigheden bestaan: 0., dat derhalve ook dit middel is ongegrond;

Verwerpt enz.

PROVINCIALE HOVEN.

pkovinciaal geregtshof in zuid holland.

Tweede kamer.

Zitting van den 27 April 1871.

'^eleedkjekde woorden. — Bevelhebber der gewapende magt. — Artt. 224 en 225 C. P.

Vnh nnn dm hevelhebber der aewanende maat in de waarne¬

ming zijner bediening beleedigen door woorden en dreigementen onder het bereik van art. 225 , en niet van art. 224 Code Pénal ? — J a.

De Officier van justitie bij de Arrond.-Regtbank te Gorinchem, voor wien ten deze optreedt de proc.-gen. bij dit Geregtshof, appellant, tegen

C. Knypers, volgens zijne opgave oud vijf-en-twintig jaren, van beroep visscher , geboren en wonende te Gorinchem, geïntimeerde, comparerende in persoon.

Het Hof enz.,

Gezien de acte van hooger beroep van den 15 Maart 1871 ;

Gezien het vonnis , in eersten aanleg gewezen , houdende : " Overwegende, dat bij de dagvaarding aan den bekl. is ten laste gelegd, dat hij den 15 Nov. 1870, des avonds ten half elf ure, te Gorinchem, den sergeant der infanterie P. C. de Winter, op dat oogenblik bevelhebber der gewapeude magt aan de hoofdwacht, en voor genoemde wacht zich bevindende, heeft toegevoegd de woorden: «ploert, schoft, smeerlap» , en dezen met opgeheven vuist achterna liep;

» 0., dat in het onderzoek, naar aanleiding daarvan gehouden, door de beëedigde verklaringen van de twee gehoorde getuigen, die verklaarden dat te hebben gehoord en waargenomen, wettig en overtuigend is bewezen, dat de bekl., in den avond van den 15 Nov. 1870, on <lp markt te Gorinchem , vóór de militaire hoofdwacht, aan den

Sergeant der infanterie lJ. C. de Winter, die toen kommandant van de gewapende magt aan de hoofdwacht aldaar was , onder het op dreigende wijze opsteken der vuist, boosaardig heeft toegevoegd de woorden : «ploert, schoft , smeerlap» ;

» 0 dat de bekl. zich door dit wettig en overtuigend bewezen feit heeft schuldig gemaakt aan beleediging van een de gewapende magt in handen hebbend agent, ter gelegenheid van de waarneming van zijne bediening, aangedaan door woorden , strekkende om zijne eer °f kieschheid aan te tasten ;

«Verklaart hem daaraan schuldig;

"Gezien de artt. 224 Strafregt en 1 der wet van 22 April 1864(6(6/. n"- 29), luidende enz.;

"Regt doende enz.,

«Veroordeelt den bekl. ter zake voornoemd tot betaling eener geldboete van /' 25 ;

"Bepaalt, dat de geldboete, zoo de veroordeelde haar niet betaalt binnen twee maanden , na daartoe te zijn aangemaand , zal worden vervangen door gevangenis-straf voor den tijd van zeven dagen ;

"Verwijst den bekl. in de kosten, verhaalbaar bij lijfsdwang;»

Gehoord het rapport van den raadsheer Mr. "Wentholt ;

Gehoord den bekl. en geïnt., zoo in zijne antwoorden als in de middelen ,' van verdediging , door hem aangevoerd ;

Gehoord den adv.-gen. Mr. Terpstra , namens den proc.-gen., in zijn requisitoir, strekkende: dat het Hof, vernietigende het hooger beroep, zal bevestigen jjhet vonnis, waarvan ten deze is geappelleerd, wat betreft het bewezen verklaarde van de feiten en de veroordeeling van den bekl. in de kosten ; maar , voor het overige dit vonnis vernietigende , den bekl., thans geïnt., zal verklaren schuldig aan beleediging, eenen bevelhebber van de gewapende mngt in de waarneming zijner bediening aangedaan , door woorden, strekkende om zijne eer of kieschheid aan te tasten, en door dreigementen ; te dezer zake hem zal veroordeelen tot gevangenis-straf van ten minste zes dagen, ten hoogste ééne maand, alles met veroordeeling van den geïnt. in de kosten van het hooger beroep, des noods bij lijfsdwang op hem te verhalen;

Overwegende, dat de bekl. en geïnt. voor de Arrond.-Regtbank te Gorinchem heeft teregtgestaan, ter zake, dat hij den 15 Nov. 1870, des avonds ten half elf ure, te Gorinchem , den sergeant der infanterie P. C. de Winter, op dat oogenblik bevelhebber der gewapende magt van de hoofdwacht, en voor gemelde wacht zich bevindende, heeft toegevoegd de woorden; ploert, schoft en smeerlap, en dezen met opgeheven vuist achterna liep.

0., dat gemelde Regtbank bij het vonnis a quo als wettig en overtuigend bewezen heeft aangenomen door de beëedigde verklaringen van de twee gehoorde getuigen, die na te noemen feiten hadden gehoord en waargenomen, dat de bekl. en geïnt., in den avond van den 15 Nov. 11., op de markt te Gorinchem, voor de militaire hoofdwacht, aan den sergeant der infanterie P. G. de Winter, die toen kommandant van de gewapende magt aan de hoofdwach: aldaar was , onder het op dreigende wijze opsteken der vuist, boosaardig heeft toegevoegd de woorden : «ploert, schoft, smeerlap» ;

0., dat het Hof zich met deze beslissing des eersten regters, wat betreft het bewezene der daadzaken en de schuldpligtigheid van den bekl. en geïnt. daaraan , volkomen vereenigt;

0., dat de eerste regter op deze bewezene feiten van toepassing heeft geacht art. 224 Strafregt, als zoude de bekl. en geïnt. zich daardoor hebben schuldig gemaakt aan beleediging van een de gewapende magt in handen hebbend agent ter gelegenheid van de waarneming zijner

bediening, aangedaan door woorden, strekkende om zijne eer ot kieschheid aan te tasten;

0., dat de bekl. en geïnt. dien ten gevolge bij het vonnis a quo tot eene geldboete van f 25 of subsidiaire gevangenis-straf van zeven dagen is veroordeeld;

O., dat het Mof zich met deze aan de bewezene feiten gegevenequalifieatie en de dien ten gevolge opgelegde straf niet kan vereenigen ;

0. toch, dat de sergeant de Winter, tegen wien door den bekl. en geïnt., onder het op dreigende wijze opsteken der vuist, de beleedigende woorden van: «ploert, schoft en smeerlap» werden geuit, destijds was, zoo als uit de bewezene feiten blijkt, kommandant van de aan de hoofdwacht, op de markt te Gorinchem, geplaatste gewapende magt;

O., dat die sergeant alzoo op het oogenblik der door woorden en dreigementen ondergane beleediging was in de uitoefening zijner bediening , als bevelhebber van de gewapende magt;

0., dat de bewezene feiten mitsdien behooren te worden gequalificeerd als beleediging door woorden en dreigementen van een bevelhebber der gewapende magt in de waarneming zijner bediening, verboden en strafbaar gesteld bij art. 225 , in verband met art. 224, Strafregt;

0., dat het vonnis des eersten regters dus, ten aanzien van de qualificaiie der bewezene feiten en de daarvoor aan den bekl. en geïnt. opgelegde straf, moet worden vernietigd ;

«l Ijl. cjutuicgl , 1u1uc11uo cijlZi.,

Gelet op artt. 207 , 227, 247 Strafvord. en op art. 52 Strafregt; Regt doende op het hooger beroep,

Doet het ingesteld appel te niet;

Vernietigt het vonnis der Arrond.-Regtbank te Gorinchem , waar¬

van is geappelleerd, in zooverre de aan de bewezene feiten gegevene qualificatie en de opgelegde straf betreft; en, met bevestiging overigens van dat vonnis, op nieuw regt doende,

Verklaart den bekl. en geïnt. schuldig aan beleediging door woorden en dreigementen van een bevelhebber der gewapende magt in de waarneminsr ziiner bediening ;

Veroordeelt den bekl. en geïnt. te dezer zake tot gevangenis-straf voor den tijd van zes dagen;

Veroordeelt den bekl. en geïnt. in de kosten van dit hooger beroep, ten behoeve van den Staat, des noods uitvoerbaar bij lijfsdwang.

ARROND18SEMENÏS-REGTBANKEN.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE BREDA. Hurgerlijke kamer.

Zitting van den 6 Junij 1871.

Voorzitter, Mr. J. J. Luk,e.

Voeging. — Niet-ontvank.elijk-verklarinu der eischeresse in hare incidentele conclusie.

T> 1.

JLJG ncguuauiv CU

Gehoord partijen , benevens den heer officier van justitie in zijne conclusie, strekkende tot toewijzing der gevraagde voeging;

Overwegende, dat de eischeresse, sustinerende van eene vennootschap, welke te Breda, onder de firma IC. v. A., in steenkolen en ijzerwaren zal hebben handel gedreven, te vorderen te hebben eene som van / 1601, bij exploit van den 11 Maart 11., den liquidateur dier nu ontbonden vennootschap heeft doen dagvaarden, om zich tot betaling dier som, met interessen en kosten, te hooren veroordeelen, voorts bij een ander exploit van dezelfde dagteekening, daarvan aan denzelfden ged. in privé' en aan twee andere , die gezamenlijk zullen zijn leden van gedachte vennootschap, heeft kennis doen geven, met oproeping om in gemeld geding tusschen te komen, immers de daarbij gevorderde betaling te geheugen en te gedoogen; — en eindelijk, toen

de aldus geaaagae partijen procureui uauuen geisieiu eu uuui uc/.c m rolle waren verschenen , heeft geconcludeerd dat er eene voeging zal worden uitgesproken , opdat op de beide vorderingen te gelijk kan worden regt gedaan ;

dat de gedaagden van hunnen kant ten deele hebben verklaard, dat ir.ii r.icli tniTpn de toewiizina dezer incidentele conclusie niet ver¬

zetten, ten deele, onder reserve van al hunne regten, zich aan het oordeel der Regtbank hebben gerefereerd;

dat echter, om eene voeging uit te spreken, een eerste en onmisbaar vereisehte is, dat er twee, wel is waar verwante, maar toch principale, ieder op zich zelve bestaanbare vorderingen zijn aanhangig gemaakt, en dat deze voorwaarde ten deze geheel ontbreekt, daar de nnrnnni n c der P-ednarrden. leden van de hiervoor genoemde, ontbon-

dene vennootschap, geen ander doel heeft dan hen in de gelegenheid te stellen, in het geding, tegen den liquidateur aangevangen, te inter¬

veniëren, in ieder geval eene beslissing te verkrijgen, dat de condemnatiën, ten laste van dezen uit te spreken, ook ten hunnen aanzien zullen gelden , zoodat zij daartegen niet als derde belanghebbenden in verzet zullen kunnen komen ;

dat wel is waar in de afdeeling van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, welke aan interventie is gewijd, promiscue van voeging en van tusschenkomst wordt gesproken , maar dat de voeging aldaar bedoeld, is eene voeging van personen in een geding, dat tusschen andere partijen aanhangig is of wordt gemaakt, wel te onderscheiden van de voeging van zaken , bij art. 15 3 van hetzelfde wetboek vermeld, en die in casu wordt gevraagd ;

dat het trouwens in den aard der zaak ligt, dat een eisch om als interveniënt in geding tusschen anderen aanhangig, hetzij op te treden, hetzij te worden toegelaten, alle zelfstandigheid mist, en behoudens de bevoegdheid om zulken incidentelen eisch te betwisten, onmiddellijk in dat geding ingrijpt en daarmede als 'tware een geheel uitmaakt; en dat de incidentele conclusie, waarvan ten deze sprake is, derhalve is onnoodig en uit dien hoofde de eischeresse niet kan volgen ; Verleent acte aan de gedaagden van hunne respectieve verklaringen; Verklaart de eischeresse niet-ontvankelijk in hare incidentele conclusie , en verwijst haar in de kosten, daarop gerezen.

(Procureur voor de eischeresse Mr. H. A. van Moens , voor de gedaagden Mr. A. Pels Rijcken.

ARRO.NDISSEMENTS- HEG ï'B ANK TE AMSTERDAM. Tweede kamer.

Zitting van den 14 Junij 1871 Voorzitter, Mr. A. E. Penning.

Het vastgestelde cijfer in eene brandpolis, met de clausule "dat het intrest met wederzijdsch goedvinden getafxeerd en vastgesteld wordt op de respectivelijh daarvoor gestelde sommen, welke sommen in cas van schade , nu voor alsdan , door den verzekeraar worden aangenomen voor de waarde, welke hel verzekerde onmiddellijk vóór den brand gehad heeft" , is niet te beschouwen als eene waardering door deskundigen, bij art. 2 7 5 IV. K. vermeld.

Eene verzekerinq met die clausule valt in de termen van art. 274

W. K.

Tahxatie der overblijfselen na den brand, ten gevolge van éénzijdige aanvrage van den verzekerde, levert tegenover de verzekeraars geen bewijs op , inzonderheid wanneer de verzekerde, door de verzekeraars uit de beschadigde perceelen te weren . hen beroofd heeft van hun reqt om ook van hunnentwege de schade, te doen opnemen en tauxeren.

Het alternatief aanbod door verzekeraars gedaan, waarbij zij aan den verzekerde de keuze laten tusschen herbouw , met vergoeding van kosten, en eene bepaalde geldsom, zou voldoende kunnen geacht worden, ware het nizt , dat de verzekering is gesloten in gemeenschap met andere verzekeraars , die niet mede-gedagvaard zijn, terwijl de daad van herbouw in de uitvoering niet vatbaar is voor verdeeling, en de aangeboden geldsom niet behoorlijk is gejustificeerd.

De conclusie tot suppressie van eene zinsnede, in de conclusie van antwoord vervat, kan niet volgen, wanneer niet is gebleken, dat die woorden zijn gebezigd met het doel om den eischer te honen.

H. E. Smith, makelaar, eischer, procureur Mr. E. J. Asser , tegen

het brandverzekering-genootschap te Amsterdam, gedaagde, procureur

Mr. J. H. yan Èys.

Mr. E. J. Asser, als procureur van den eischer, concludeert: dat bij vonnis der Arrond.-Regtbank te Amsterdam in het eerste ressort uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hooger beroep, de ged. zal worden veroordeeld om aan den eischer, tegen behoorlijke kwijting , te voldoen de in voege voormeld verschuldigde som van f 8209.50 , zijnde 5473/ioo pet. over het door den ged. aan den eischer verzekerd bedrag van f 15,000, en zulks met de wettelijke renten van dien tot de volle en algeheele voldoening toe, alles met veroordeeling van den ged. in de kosten van het geding.

Mr. J. H. van Ets , als procureur van den ged., zegt voor antwoord en concludeert: dat bet der Regtbank moge behagen , aan de

gedaagde maatschappij acte te verleenen, dat zij, voor naar aanueei, handhaaft het aanbod door de gezamenlijke verzekeraars der opstallen op 22 April 1870 gedaan aan den eischer, hierboven breeder omschreven, en wel mag lijden voor haar aandeel tot de praestatie daarvan te worden gecondemneerd s te dien effecte, dat de eischer zal gehouden zijn zich binnen acht dage:; na de beteekening van het in deze te wijzen vonnis te verklaren, welk alternatief hij kiest, en dat, voor het geval dat de eischer in gebreke blijft om zich deswege te verklaren, ofte wel de contante betaling kiest, de ged. zal kunnen volstaan met, tegen behoorlijke quitantie, aan hem te betalen de som van ƒ3187.50, uitmakende 21 % pet. over de door den ged. verzekerde som van f 15,000; en dat het wijders der Regtbank moge behagen, den eischer in zijnen verderen en meerderen eisch niet-ontvankelijk te verklaren, immers hem dien te ontzeggen, met veroordeeling in de kosten van het geding.

Mr. E. J. Asser zegt voor repliek, onder persistit bij zijne bereids genomen conclusie, dat het der Regtbank moge behagen , met toepassing van art. 377 Strafregt, bij het te wijzen vonnis te verklaren, dat de in de conclusie van antwoord opgenomen zinsnede, "dat al spoedig na den brand de toeleg van den eischer is kenbaar geworden, om van de te hooge verzekering misbruik te maken en zich ten koste van de assurantie-maatschappij te verrijken" , als te-last-legging en honende redenen bevattende , zal worden onderdrukt met zoodanige andere beschikkingen ten opzigte van degenen, die zich daaraan nebben schuldig gemaakt, als de Regtbank in goede justitie zai vermeenen te behooren.

Mr. J. H. van Eys zegt voor dupliek naméns den ged. te persisteren bij de genomen conclusie var? antwoord en wijders concludeert, dat de door den eischer genomen conclusie tot suppressie eener 111 Ie conclusie van antwoord voorkomende zinsnede, door de J egt bank zaï worden gepasseerd of afgewezen.

De Regtbank enz.,

Overwegende in facto : _

dat tusschen partijen vaststaat, dat de ged. aan den uit^n^r op 9 Aug. 1869 voor den tijd van twaalf maanden i;eeft verzekerd vo -. zün aandeel, edoch in gemeenschap met anderen, een^som van r 1 ,000, van een totaal bedrag van ƒ 40,000, en v. el ƒ ^.),000 op (ien opsta! van een huis te Amsterdam, geteekend .1, n'. 85 , e / ■■JG op den opstal van een daarnaast gelegen paknuis, gete ^e -, n ' 86, en zulks voor brand en schade uien te;1, gevolge. cl . o< ,-enaindering enz.; dat daarbij is bepaald, dat het interest mei vöoeïziju&cfi

Sluiten