Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

op hetgeen zij zullen hooren. Daarentegen hadden wij o. m. gaarne gezien " <iat de instructie van den rechter-eommissaris niet buiten den verdachte om geschiedde, en dat de hulp van een raadsman niet eerst na de sluiting "der instructie gegund werd.

De inrichting en de samenstelling der rechterlijke magt heeft opzijn "oedkoopst plaats gehad. Ken Hof van justitie , samengesteld uit een voorzitter, vier gegradueerde leden , drie leden plaatsvervangers , een procureur-generaal, een advocaat-generaal en een griffier. Voorts kantonrechters te Paramaribo , in Nickerie en in Coronie.

Het Hof van justitie heeft alhier deu werkkring van eene Rechtbank, en wat de criminele rechtspraak betreft, tevens dien van een Provinciaal Gerechtshof in Nederland. Een der leden van het Hof fungeert als rechter-commissaris, waartoe in Nederland leden van de rechtbanken benoemd worden. Vermits het lid, fungeerende als rechter-commissaris, zich even als in Nederlaud, bijna uitsluitend bezig houdt met de instructie der strafzaken, wordt daardoor van zelf het aantal leden van het Hof als het ware met één verminderd.

Daarbij brengt het klimaat mede , dat een ambtenaar in drukken werkkring, na een negen- of tienjarig verblijf in deze kolonie, eenigen tijd in eene koude luchtstreek verblijven moet; vóórdat men het weet, is hij het slagtoffer van zijn zenuwgestel. More majorum is er dus bijna altijd een lid van het Hof absent, met verlof. Het onlangs gepensioimeerde lid van het Hof van justitie was, reeds vóór de invoering der nieuwe wetgeving en de instelling van dat Hol, en dus nog als" lid van het vroeger Gerechtshof, met verlof naar Nederland en heeft nimmer gefungeerd als lid van het Hof van justitie, dat is : in de betrekking, waarin hij nu gepensionneerd is.

Maar ook het gedurig met verlof gaan der rechters in het midden "elaten is het personeel toch , doordien de werkkring van het Hof, Seliik wij aanduidden, zoo uitgebreid is, veel te beperkt. Bestond het Hof maar uit een voldoend personeel, dan had de zonderlinge instelling van plaastvervangers , gelijk wij die hier hebben, gevoegelijk achterwege kunnen blijven. Maar men heeft te weinig leden van het Hof benoemd en heeft het getal, hetwelk men begreep dat te klem was aangevuld niet plaatsvervangers. En zoover moest de zuinigheid niet' gegaan zijn. De instelling van plaatsvervangers , gelijk alhier , moet" in beginsel sterk worden afgekeurd en de toepassing van die instelling nog veel sterker.

De wetgever wist zeer goed, dat er in deze kolonie geene rechtsgeleerden zijn, die de betrekking van onbezoldigd plaatsvervanger zouden ambieeren. Dit blijkt uit de omstandigheid, dat het bezit van het meesterschap in de beide rechten niet als vereischte is bepaald; maar men schijnt te zijn uitgegaan van de steliing, dat men niet alles zoo in do fijne puntjes behoeft te hebben in een land, dat subsidie geniet, m. a. w. in dit geval, dat men het in zoo'n land uiet zoo naauw behoeft te nemen met de toepassing van het recht. De benoeming van plaatsvervangers is eene mislukte poging, om hier te verkrijgen wat men in Nederland heeft: daar zijn het meestal advokaten, die vereerd worden met de betrekking van plaatsvervanger. Gelijk elders reeds is opgemerkt, kan het daar het groote nut hebben, dat men de rechters kan leeren kennen vóór de definitieve benoeming, en dit voorkomt dikwijls teleurstelling, terwijl van de zijde der plaatsvervangers aldaar het streven en het vooruitzicht bestaan om later tot bezoldigde effectieve rechters te worden benoemd. En wat zien we hier gebeuren ? Hier zijn het gezeten , ambtelooze burgers , mannen , wel is waar van proefondervindelijke eerlijkheid en van gemoedelijke stipie naauwgezetheid, die dan ook zeer hoog zijn aangeschreven m de achting hunner medeburgers, maar die er volstrekt geene opleiding ... ... „I.r.1 i.oi.Ko,, in md Hof van iustitie zitting te nemen. Z.11

naar ueuau ^ .. - . , • .

«■enieten geen tractement en weten ook , dat zij het vooruitzicht met hebben 0111 ooit effectief lid te worden, althans sedert zij kennis maakten met de publicatie van 2/7 Junij 1869, G. B. n°. 30. Hunne bevoegdheid gaat intusschen veel verder dan die eener jury: de jury doet alleen uitspraak over het feit; zij spreken niet alleen het schuldig of onschuldig uit, maar hebben ook eene delibereerende en natuur1 ijker wijs , dien ten gevolge, soms eene decidee rende stem ten aanzien fin dp. nn te leerden straf.

vau uo — — ~r - --00 „

Is dus in beginsel reeds de instelling der plaatsvervangers alhier at te keuren, de toepassing van dat beginsel is het nog veel meer. De plaatsvervangers zitten te dikwijls, ook in belangrijke crimineele en correctionnecle rechtsquaestiën; in de vacantie-kamer, en soms ook in civiele zaken hebben zij gelijk op zitting met de vaste leden.

De benoeming der plaatsvervangers heeft ook nog dit groot ongerief dat wel eens, bij plotseling opgekomen ongesteldheid van een hd en 'uitstedifheid, verhindering of onopgewektheid van een plaatsvervanger , de behandeling van strafzaken met getuigen uit de buitendistricten uitgesteld is moeten worden.

Er zijn in deze kolonie grooter abnormaliteiten in de magistratuur, die ook nadeeliger moeten terugwerken, en die het dus eveneens

plichtmatig is op te heffen.

Ieder zaUwel ingenomen zijn met het stelsel van den alleen rechtsprekenden en dus ook alleen verantwoordelijken rechter. Dit is voor ons voorzeker eene groote aanwinst. Eerlang zal in de Nederlandsche juristen-vereeniging worden behandeld de vraag: "üf; en zoo ja, binnen welke grenzen rechtspraak in burgerlijke en strafzaken kan worden toevertrouwd aan den alleen rechtsprekenden rechter». De heer Mr. A. ,j. Pijnappel heeft daaromtrent een praeadvies uitgebracht en 0. m. de conclusie voorgesteld: »de rechtspraak van den alléén rechtsprekenden rechter is voor civiele zaken in eerste instantie wenschelijk".

Naar de instelling, die wij nu hebben, behoort bij het Kantongerecht zooveel mogelijk huishoudelijkheid en een streven naar conciliatie te ziin Er is°een groot onderscheid tusschen eene zitting van een Gerechtshof of eene Rechtbank, waarbij uitsluitend praktizijns postuleeren, en eene zitting van het Kantongerecht, waar bijna altijd particulieren, zaakwaarnemers of partijen zeiven de zaken behandelen. Deze moeten worden geleid , geraden en ontraden. De kantonrechter moet, zooveel hij mag, toezien en niet gedoogen, dat eene goede zaak door eene slechte behandeling bedorven worde. De kantonrechter moet waken en tusschenbeide komen , al ziet hij, dat de omstandigheden dit vereischen. Hij heeft de bevoegdheid om meê te spreken, vragen ter verduidelijking te doen en ambtshalve de zaak uit te stellen , als hij voorzien kan, dat er tusschentijds eene schikking tot stand kan gebracht worden en alzoo kosten kunnen worden vermeden. De kantongerechten in Amsterdam den Haag , Utrecht en andere steden van Nederland zijn daar om te bewijzen, dat de kantonrechter altoos moet trachten te zijn

■juqe de paix. . ,

'vien is zonderling te werk gegaan met de benoeming der kantonrechters in Nickerie en Coronie, voor wie het bezit van het meesterschap in de beide rechten niet tot vereischte is gesteld. Men heeft n. 1. de districts-commissarissen als zoodanig benoemd. Dit nu is o. i. ten zeerste af te keuren. De verhouding van een districts-commissaris tot het Gouvernement is van dien aard, dat hem moeilijk de functien van kantonrechter opgedragen en dc daaraan verbonden rechten en bevoegdheden toegekend kunnen worden, ivloeilijk zal, om maar iets te noemen aan het administratieve hoofd van het district de bemoeiing in familiezaken, die juist eene der schoonste roepingen van den kantonrechter is , kunnen worden toevertrouwd.

Wat den kantonrechter in Nickerie betreft, verdient bovendien gereleveerd te worden, dat deze door zijne vele administratieve functien nMrht als kantonrechter kan doen. In. dat belangrijk

district mocht wel een rechtsgeleerd kantonrechter geplaatst worden , wiens hoofdwerk de rechtspraak is. Het is geheel toevallig, dat de

tegenwoordige districts-commissaris-kantonrechter een rechtsgeleerde is , bij wien ook de rechtspraak in goede handen berust.

Tsn opzichte van Coronie dient te worden opgemerkt, dat het Kantongerecht daar weinig of niets te doen geeft. Voor alsnog zeer gelukkig; daar, in tegenstelling van den districts-commissaris van Nickerie, de opleiding van den tegenwoordigen districts-commissaris van Coronie, een gewezen luitenant der infanterie, er niet naar geweest is om hem voor de betrekking van kantonrechter geschikt te achten; terwijl de producten van zijne jurisprudentie niet van dien aard zijn geweest om hem te dien aanzien als een autodidact te leeren kennen. Zijne benoeming moge eene aanwinst zijn voor het corps burgerlijke ambtenaren, voor het corps rechterlijke ambtenaren is dit althans zeker het geval niet. Intusschen mogen wij wel in één adem hierop laten volgen, dat de tegenwoordige districts-commissaris van Coronie zeker ook geen rechterlijk ambt zal hebben verlangd.

De zucht om het subsidie niet te verhoogen, heeft nog andere vreemde combinatiën in het leven geroepen. Om maar iets te noemen citeeren wij de voorziening in het Openbaar Ministerie in Nickerie en Coronie. Aanvankelijk was in Nickerie de ontvanger der belastingen de waarnemer van het Openbaar Ministerie, doch sinds eenige maanden weet men officieel niet eens, wie nu die functien aldaar waarneemt. In Coronie zijn het de post-kommandanten, die tot nu toe requisitoiren nemen. Wij zeggen niet te veel, als wij beweren, dat een ontvanger van belastingen en een luitenant niet gerekend kunnen worden genoegzame notie van het recht en van behandeling van rechtszaken te hebben voor de betrekking van het Openbaar Ministerie, die wel eene der moeilijkste is.

Maar de districts-commissarissen van Nickerie en Coronie kosten als rechters den Staat niets, en de tegenwoordige ambtenaren van het Openbaar Ministerie aldaar moeten zich vergenoegen met eene niet noemenswaardige toelage. En zuinigheid schijnt voorzeker het klinkendste argument te wezen, dat men in deze bedenken kan om voor alsnog de zaken te laten voortduren, zoo als zij nu zijn, hoe nadeelig dit alles op de rechts bedeeling ook moge terugwerken.

Ook de navolgende opmerking meenen wij te dezer plaatse te mogen maken.

Het deurwaarders-ambt in Nickerie en Coronie, dat als bijbetrekking wordt waargenomen, levert, in verband ook met de wijziging van het domiciliestelsel, groote moeilijkheden op. Vroeger moesten de bewoners van Nickerie en Coronie, even goed als die van de buitendistricten in de oude kolonie, een rechterlijk domicilie kiezen te Paramaribo, en, bij gebreke hiervan, geschiedden de exploiten, hen betreffende, aan het parket van den procureur-generaal, en dus onder opzicht van degenen , die de deurwaarders te werk stelden. Deze verplichting tot het kiezen van woonplaats is met de nieuwe wetgeving voor de bewoners van Nickerie en Coronie komen te vervallen. Men is derhalve nu genoodzaakt de exploiten tegen hen, die wonen of

verblijf houden in JNickene en uorome, aoor ue deurwaarders ataaar te laten doen.

Vermits deze alle geschiktheid missen voor het deurwaarderswerk, moet niet alleen al het schriftelijk werk hier worden verricht, maaiden titularissen nog breede schriftelijke instructies gezonden worden. Want de groote kosten, daaraan verbonden, maken het zoo goed als onmogelijk een deurwaarder van hier met verrichtingen in Nickerie of Coronie te belasten.

Groot was het aantal transitoire quaestiën. Voor zooverre de onderwerpen niet geregeld waren bij de bepalingen op den overgang van de vroegere tot de nieuwe wetgeving , moesten de gerezen geschillen uit algemeene beginselen van transitoir recht opgelost worden. Maar ook omtrent de toepassing van sommige van bedoelde bepalingen ontstonden er geschillen; in het bijzonder ten opzichte van de voortzetting der executiën, onder het oude recht begonnen. Gelijk in den aard der zaak ligt, zullen transitoire quaestiën zich nog lang blijven voordoen.

Ter nakoming van de daaromtrent bestaande voorschriften deinieuwe wetgeving, is ook het aantal der van bestuurswege genomen resolutiën betrekkelijk zeer groot geweest. Dat het Bestuur evenwel, niettegenstaande dien ijver, toch ten achteren is geweest, blijkt o. m. uit de gouvernements-resolutie dd. 28 Maart 1871, G. B. n°. 2, genomen ter uitvoering van art. 533 Wetb. Kooph., en aanwijzende den ambtenaar, in wiens handen gesteld moeten worden do schepen of goederen, die in zee of op de buitengronden gered, geborgen of gevischt worden, zonder dat de schipper, andere bevelhebber, eigenaar der lading of geconsigneerde daarbij aanwezig of bij de bergers bekend zijn.

Dit besluit werd genomen naar aanleiding van het gebeurde ten opzichte van den schooner Johan , waarvan op den 25 Jan. 1871 de lading gedeeltelijk gered werd (1).

Ter vermijding van herhaling, verwijzen wij naar ons opstel: Wijzigingen in de koloniale wetgeving, voorkomende in onze n fl. van 15 en 19 Febr. en 5 Maart. In dat opstel hebben wij, naar aanleiding der beraadslagingen iu de Koloniale Staten over de door den gouverneur aan de Staten ter goedkeuring aangeboden drie ontwerp-verordeningen:

a. tot wijziging van eenige artikelen van het reglement op de inrichting en de samenstelling der rechterlijke magt;

b. tot wijziging van eenige artikelen van het Wetboek van Strafrecht;

c. tot wijziging van art. 77 van het Wetboek van Strafvordering;

o. a. behandeld meerdere onderwerpen betreffende de rechterlijke

inrichting, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en het notariaat in de buitendistricten.

Wij hebben, wat onze rechterlijke organisatie betreft, op veel meenen te moeten wijzen wat ons verkeerd voorkomt. Alles is het gevolg van het systeem: goedkoopte en bezuiniging. Wij zeggen (omdat het niet genoeg herhaald kan worden), dat alles op rekening komt van de misplaatste zucht tot vermindering van het subsidie, dat ons met onverdiende verwijten gegeven wordt. De zucht tot bezuiniging, met voorbijziening van de rechten dezer kolonie en van de nog altoos han¬

dende finantiele quaestien, is net monsirum uorrenaum vooi aiics gucus ; zij neutraliseert ook in vele opzichten de goede werking van de nieuwe wetgeving. De leden-plaatsvervangers van het Hof en de districtscommissarissen-kantonrechters zijn er mede de toonbeelden van, terwijl de districts-commissarissen er tevens onder lijden. Zoo als de heer X in zijn stuk : Iets over het subsidie, voorkomende in ons nummer van 19 Maart jl., waarbij hij zoo duidelijk doet uitkomen, dat Suriname o-oen lastDost voor het Moederland kan genoemd worden, terecht

aanmerkt: het streven der Regeering om deze bijdrage quand même zoo min mogelijk te doen zijn, heeft voor de kolonie het allerongelukkigst gevolg, dat het publiek belang geheel uit het oog wordt verloren en daardoor aan de kolonie de genadeslag wordt toegebracht. Alle streven naar ontwikkeling en vooruitgang wordt door de geldquaestie belemmerd (2).

De wetgeving heeft velen teleurgesteld. De grieven, die wij in den aanhef hebben medegedeeld, de wijze, waarop het Hof van Justitie is

en Zie Themis. II. 1871.

(2) Omtrent de finantiële quaestie tusschen Nederland en Suriname kan ook met vrucht worden geraadpleegd het goed geschreven stuk: «Afdrukken van indrukken bij de lezing der gehouden redevoeringen in de Tweede Kamer der Staten-Generaal, bij de beraadslaging over de definitieve vaststelling der begrooting van Suriname voor het jaar 1871».

samengesteld, en de vereeniging der functiën van districts-commissarissen van Nickerie en Coronie en kantonrechters in dezelfde personen hebben daartoe veel bijgedragen. Ook betreurt men het en zeer teregt, dat aan het publiek is onthouden de geschiedenis der, zij het ook weinige , afwijkingen van de Nederlandsche wetboeken en der overgangsbepalingen.

Maar een deel van het publiek heeft zich ook om andere redenen bedrogen gezien. Men had gemeend, dat, als men de wetboeken maar had, een ieder zijn eigen raadsman zou kunnen zijn , zelfs in ingewikkelde geschillen. Men meende nl. elk voorkomend geval afgepast in de wet te zullen kunnen terugvinden. Spoedig ondervond men echter, dat dit het geval niet was, maar dat men integendeel zich veel minder kon behelpen dan onder het gebied van het oude recht, waarvan men door ondervinding van voorgekomen zaken, meer of min , iets wist. Deze teleurstelling is zeer natuurlijk, omdat de verwachting veel te hoog opgevoerd was.

Wij eindigen met eene apologie. Deze nl., dat wij voornemens waren de voorloopige werking van de nieuwe wetgeving eerst veel later te behandelen, doch dat bijzondere redenen ons hebben doen besluiten dit reeds nu te doen.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Kon. besluit van den 8 dezer, n°. 17, is aan G. Verhoef, gewezen schrijver of adjunct-cipier van het huis van arrest te Dordrecht, verleend een pensioen , ten laste van den Staat, van ƒ 99 's jaars , en zulks op grond van artt. 5, 8, 13 en 33 der wet van 9 Mei 1846 (Stbl. n°. 24), gewijzigd bij die van den 3 Mei 18^1 (Stbl. n°. 49).

— Bij Kon. besluit van dezelfde dagteekening, n". 18, is aan Mr. J. H. W. Swellengrebel, gewezen officier van justitie bij de Arrond.Regtbank te Rotterdam , ten laste van den Staat, een pensioen verleend ten bedrage van /' 2000, en zulks op grond der artt. 3 en 43 van de wet van 9 Mei 1846 (Stbl. n». 24), zoo als zij is gewijzigd bij die van 3 Mei 1851 (Stbl. n°. 49).

— Bij Kon. besluit van den 16 dezer, n". 20, is de heer Mr. T. H. der Kinderen , directeur van het Departement van Justitie in Ned. Indië, benoemd tot president van het Hoog Geregtshof van Ned. Indië en tot de daaraan verbonden betrekking van president van het Hoog Militair Geregtshof daar te lande.

— De Hooge Raad der Nederlanden heeft dezer dagen tot leden van het bureau van consultatie alhier herkozen de op 1 Oct. aanst. aftredende leden, do heeren Mrs. D. Léon en Jhr. J. de Witte van Citters.

BERLGTEN.

's Gravenhage, den 21 Augustus.

Den 14 dezer is overleden Jhr. Mr. J. W. F. J. du Peyrou van Breugel, notaris te Winssum, en op den 16 daaraanvolgende te Oosterblokker, de notaris F. H. Abbing.

— Jonas Melhado , die, wegens deelneming aan het Rotterdamsche oproer van 1868, tot zes jaar tuchthuis-straf was veroordeeld , heeft kwijtschelding verkregen van de nog overige vier jaren straf. Op dit oogenblik zijn van de in 1869 veroordeelden nog maar drie personen te Leeuwarden gedetineerd.

REGTSGELEERDE UITGAVEN.

DUITSCHK LITERATUUR.

Wimmer, Oberst-Auditor Jac. , Normalien-Sammlung f. Militar* Gerichte. 15e Suppl.-Hft. [Jahrg. 1870]; gr. 8"., 243 S.; Wien, Lechnbr.

Brentano , Dr. L., die A rheitergilden der Gegenwart. 1 Bd. zum Geschichte der engl. Gewerbvereine; gr. 8°., 228 S.; Leipzig, Dunckler ii. Humblot.

ENGELSCHE LITERATUUR.

Iverry (W. W.), A Treatise on the Law of Discovery, 8vo, pp.

322 ; London , Maxwell.

Millar (F. C. J.), A Treatise on Bills of Sale, with an Apendix, 3rd edit. revised and enlarged , !2mo, pp. 367 ; London, Stevens and S.

The Statutes. Henry III — James II A. D. 1235—1685, Vol. I, Revis. edit. in gr. 8vo, pp. 792 ; London; Eybe and S.

Ybatman (J. Pym.), The Mayor's Court of London Procedure Act, 1857, with Notes, i-'mo; London, Waldy.

Archbold's Pleading and Evidence in Criminal Cases. By J. Jervis. 1 7th. edit., including the Practice in Criminal Proceedings by Indictment. By Brüce. Post 8vo, pp. 1108; London, Sweet.

Smith (J. W.', Handy Book on the Law of Master and Servant. New edit. 12mo, pp. 90; London, E. Wilson.

Ortolan The History of Roman Law , from the text of Oriolan s

u .lil DrOlt.

rllSlOli e (IC ia xjegisiauuu ïvuiuauic , et genei -

Edition of ls70 translated with the Author's permission, an supplemented by a Chronometrical Chart of Roman History, y 111 " chard and D. Nasmith. 8vo , pp. 746 ; London, Bctterworths.

Beeton's Handbook of the Law relating to Property. 12mo,pp. iiiO, London, Ward.

— Id. of the Law relating to Woinan and Childien.

— Id. of the Law relating to Divorce and Matrimomal eases.

Goddard (J. L.), A Treatise on the Law of Easements, 8vo; London , Stevens and S.

Guide to the Bar, 8vo; London , Stevens and H.

Elphinstone (II. Warbdrtos) , A Practical Instruction to Conveyancing. Post 8vo, PP- 454; London, Maxwell.

Shaw (G J) Practical Treatise ou the Law of Bankers's Cheques, Letters'of Credit, and Drafts. 2nd ed., post 8vo, pp. 182, London , Waterlow.

Smith (J. W.), Handy Book on Law of Bills, Cheques etc., 12mo; London , Wilson.

li «*n llitarHve van J.KKMOi

ïïucSjSI, te '• ta«•«»»■ «*•■»

Sluiten