Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 5358.

ten processe bedoelde obligatie ten laste van Turkije, welke aan de gefailleerde firma heeft toebehoord , wordt bewezen door de in confesso zijnde omstandigheid , dat de appellanten in het bezit zijn van het dusgenaamd kassiersboekje van de geïntimeerden , bevattende in credit van de Boer en Comp., onder den datum van 2 Julij 1869, een post, groot ƒ 507.16, aldus omschreven: 100 p. st. Turk. 42% f 508.50, interest 1 dag /'0.16, te zamen f 508.66 , af f 1.50;

G., dat de verkoop van een voorwerp, hetwelk het eigendom is van een ander, als onregtmatig is te beschouwen, wanneer niet blijkt, dat degeen , die verkocht heeft, het regt daartoe heeft ontleend, hetzij regtstreeks aan de wet, hetzij aan eene overeenkomst;

G., wat de wet betreft, dat ten deze geene sprake is van een den geïntimeerden toekomend pandregt, welk regt dan ook kassiers op de in hunne handen zich bevindende waarden slechts d&n hebben , wanneer zij het overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek hebben verkregen; dat nu echter de geïntimeerden zich beroepen op de uitdrukking "gelden//, voorkomende in art. 7 1 W. K., en beweren, dat met de gelden , welke volgens die wetsbepaling aan kassiers ter bewaring en uitbetaling worden toevertrouwd, ook effecten zijn bedoeld;

G., dat gemelde uitdrukking wel kan geacht worden, behalve muntspecie, muntpapier, ook te omvatten zoodanig papier, als: bankbilletten, interest-coupons of dergelijken, hetwelk door incassering tegen muntspecie of muntpapier tot de daarin uitgedrukte som inwisselbaar is ; maar dat het woord //gelden// niet kan worden uitgestrekt tot openbare schuldbrieven, die alleen door verkoop tot een wisselvalligen koopprijs, zij het dan ook gemakkelijker dan andere koopwaren en goederen , te gelde gemaakt kunnen worden ;

dat dus de verkoop van den bewusten schuldbrief niet door eenige op kassiers in het algemeen toepasselijke bepaling der wet wordt geregtvaardigd; en dat derhalve thans de vraag is, of er ten deze blijkt Yan eenige, hetzij uitdrukkelijke, hetzij stilzwijgende, overeenkomst;

O.y dat het bewijs niet is geleverd van eene uitdrukkelijke magtiging tot den verkoop, of van eene goedkeuring van dien verkoop, nadat die had plaats gehad;

dat dus nu nog is te onderzoeken , of uit de ten processe gebleken feiten eene stilzwijgende goedkeuring en bij gevolg daarvan de regtvaardiging van dezen verkoop ex conventione is af te leiden;

0., dat dienaangaande in aanmerking komen de navolgende in conJ'esso zijnde omstandigheden, namelijk: dat de geïntimeerden kassiers waren van de Boer en Comp.; dat de Boer en Comp. aan de geïntimeerden op 3 Mei 1869 hebben in handen gegeven den schuldbrief ten laste van Turkije, in quaestie; dat de appellanten niet hebben opgegeven, tot welk doel die afgifte heeft plaats gehad; dat de schuldbrief op 2 Julij 1869 door de geïntimeerden is verkocht en het bedrag van f 507.16 zuiver heeft opgebragt; dat op dienzelfden dag de i -oer en Comp. van de geïntimeerden hebben trachten te ontvangen eene som van / 500 op een kassiersbrief je , tot dat bedrag opgemaakt, doch slechts hebben bekomen ƒ 400, nadat op dat kassiersbriefje het woord en het cijfer vijf in vier was veranderd: dat, vóór den verkoop van den bewusten schuldbrief, de rekening van de geïntimeerden met de Boer en Comp. sloot met een saldo in het nadeel van laatstgenoemden van j !05.40s, en na dien verkoop met een saldo ten bate van de Boer en Comp. van f 401.75# ;

0., dat het Hof, ten aanzien van het gewigt der voormelde feiten, van oordeel is:

dat, vermits de werkkring der kassiers, volgens art. 74 W. K., daarin bestaat, dat zij bewaren en uitbetalen , en dus de aard van hun bedrijf niet medebrengt, dat zij voorschotten doen, althans niet ongedekt, — het feit van het ter hand stellen aan den kassier van effecten, vooral van zoodanigen , die, gelijk de schuldbrief in casu, vatbaar zijn voor spoedige realisatie, reeds op zich zelf doet vermoeden, dat daarmede bedoeld is den kassier een gereed middel te geven, om door den verkoop dier effecten zijne kas, zoo noodig, aan te vullen met de gelden , tot het doen der van hem verlangde uitbetalingen benoodigd;

dat nu wel, volgens het hiervoren overwogene, het feit der afgifte van effecten aan een kassier noch pandregt, noch , op grond van het woord //gelden// in art. 74 W. K., de magt tot realisatie dier effecten medebrengt; doch dat dit feit niettemin de waarde heeft van een vermoeden, hetwelk, in verband mefc andere, tot oplossing van de thans in overweging zijnde vraag kan leiden ;

O.y dat het vermoeden , hetwelk de afgifte op zich zelve reeds oplevert , nog wordt versterkt door de omstandigheid , dat geen ander motief, dat tot de afgifte van den schuldbrief zoude hebben geleid, wordt gegeven ;

dat de appellanten wel zeggen , dat de Boer en Comp. dat effect, onder meerdere waarden, hun ter incassering gegeven, bij de geïntimeerden hebben gedeponeerd; maar dat zij blijkbaar daarmede niet hebben bedoeld eene in-bewaar-geving, met het doel, dat het effect eenvoudiglijk onder de geïntimeerden zoude blijven berusten, om later aan de Boer en Comp. te worden teruggegeven , maar veeleer eene bewaring in den zin, waarin ook art. 74 W. K. dat woord bezigt, om namelijk onder de geïntimeerden te blijven, ten dienste, zoo noodig , van door hen als kassiers te doene uitbetalingen ;

O., dat, wanneer het Hof met de vermoedens, die voormelde feiten reeds a priori opleveren aangaande de bedoeling van de Boeren Comp., bij het ter hand stellen van den schuldbrief aan de geïntimeerden , in verband beschouwt de feiten, dat op den 2 Julij 1869 de schuldbrief is verkocht voor ruim / 500; dat op dienzelfden dag door de Boer en Comp. op de geïntimeerden een kassiersbriefje tot de ronde som van f 500 is afgegeven ; dat, indien er toen niet in de rekening tusschen de geïntimeerden en de Boer en Comp. een debet van ruim f 100 ten laste van laatstgemelden had bestaan, de gemelde rekening daarmede genoegzaam zoude zijn vereffend geworden; dat de Boer en Comp., in plaats van f 500 te ontvangen , zich hebben tevreden gesteld met /' 400 , dat is met het bedrag , hetwelk , na verrekening van het debet van de Boer en Comp. met de opbrengst van den schuldbrief, ter beschikking van die firma en ter vereffening nagenoeg van de rekening op dat tijdstip overbleef; dat, wanneer dit alles in verband met elkander wordt beschouwd, — er voldoende vermoedens, naar den eisch van art. 1959 B. W., worden geoordeeld aanwezig te zijn , ten bewijze van het feit, dat de Boer en Comp., met het oog op den verkoop van den schuldbrief en de verrekening van de opbrengst daarvan met hun debet, zich de vermindering van hun kassiersbriefje van ƒ 500 tot op f 400 hebben laten welgevallen ;

O.y dat dit aldus als bewezen aangenomen feit is te beschouwen als eene stilzwijgende goedkeuring van de handeling der geïntimeerden , zoodat die handeling daardoor is geratihabeerd, en derhalve ex post met gelijk gevolg is geregtvaardigd, als het geval zoude zijn, indien de geïntimeerden tot den verkoop van den schuldbrief a priori zouden zijn gemagtigd geweest;

O.y dat, daar, blijkens het overwogene, de handeling van de geïntimeerden op zich zelve geene aanleiding geeft tot schadevergoeding , en daaruit reeds voortvloeit, dat ook de tweede regtsvraag ontkennend moet worden beantwoord,— dien ten gevolge het onderzoek overbodig wordt, of er al of niet schade is geleden ;

O.y dat uit dit alles volgt, dat de vordering der appellanten teregt door den eersten regter is ontzegd ;

Gezien, behalve de reeds aangehaalde wetsbepalingen, art. 56 B. R.;

Bekrachtigt het vonnis a quo ;

Veroordeelt de appellanten in de kosten van het hooger beroep.

(Gepleit voor de appellanten Mr. J. A. Hoyy , en voor de geïntimeerden Mr. J. van s. Mulder.)

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN GRONINGEN.

Burgerlijke kamer,

Zitting van den 4 April 1871.

Voorzitter, Mr. B. Wichers.

Onregtmatige daad. — Waterschaps-bestuur. — Concessie. — Bevoegdheid der regterlijke magt. — Incidenteel appel. — Schriftuur van antwoord. — Niet-ontvankelijkheid.

Kan aan de woorden schriftuur van antwoord in art. 339 B. R.} naar de bedoeling des wetgevers , eene andere beteekenis worden gegeven dan die van memorie van antwoord ? — Neen.

Moet het door een Waterschaps-bestuur slaan van een kistdam, ten gevolge waarvan de doorgraving van een weq is gesloten en ongeschikt gemaakt voor het gebruik , waarvoor hij is bestemd, worden beschouwd als eene onregtmatige daad, welke ter cognitie

staat van den burgerlijken regter ? Ja.

In iri casu op eene bestaande concessie inbreuk gemaakt ? — Neen.

H. U., houtzaagmolenaar, te Zuidbroek, appellant, incidenteel geïntimeerde , procureur Mr. A. Modderman

tegen

L. L. H. , te Nieuwolda, en verdere litis-consorten , te zamen uitmakende het Hoofdbestuur van het waterschap Oldambt , geïntimeerden , incidenteel appellanten, procureur Mr. J. Lohman.

Het Hof enz.,

Gehoord partijen in hare conclusiën en pleidooijen ;

Gehoord de conclusie van den proc.-gen., strekkende: met betrekking tot den eisch in conventie, tot niet-ontvankelijk-verklaring van de incidenteel appellanten in hun hooger beroep , en subordinaat tot bevestiging van het vonnis a quo, met veroordeeling van de incidenteel appellanten in de kosten ;

met betrekking tot den eisch in reconventie : tot verbetering van gemeld vonnis , voor zooverre de uitgesproken niet-ontvankelijk-verklaring betreft, en tot ontzegging van die vordering, met veroordeeling van den principalen app. in de kosten ;

Adopterende de daadzaken , vervat in de verschillende vonnissen, door de Arrond.-Regtbank te Winschoten in deze zaak gewezen, en bepaaldelijk die, welke zijn opgenomen in het eindvonnis , door gezegde Regtbank den 30 Oct. 18(> 7 tusschen deze partijen gewezen, zijnde even als de overige behoorlijk op de expeditie geregistreerd; bij welk laatste vonnis de eisch in conventie is ontzegd, met veroordeeling van de eischers in de kosten, daarop gevallen, en de eischer in reconventie niet-ontvankelijk is verklaard in den door hem ingesteldeo reconventionnelen eisch, met veroordeeling in de kosten, op dien eisch gevallen ; en wijders

Overwegende, dat de oorspronkelijk ged., eischer in reconventie, zich bij dat vonnis fyezwaard achtende, daarvan bij bovenvermeld exploit, onder procureur-stelling, is gekomen in booger beroep, voor zooverre den recon ven tionnelen eisch aangaat, en daarna , ten dage dienende , ter rolle heeft geconcludeerd, op de daarvoor aangevoerde gronden :

dat het den Hove moge behagen te verstaan, dat er kwalijk is gevonnisd bij het vounis, den 30 Oct. 1867 door de Arrond.• Kegtbank te Winschoten tusschen partijen op den eisch in reconventie gewezen, waarvan is appel, en dat overzulks het Mof, met vernietiging van dat vonnis, voor zooverre daarvan is appel, alsnog, aan app., gelieve toe te wijzen zijnen in eersten aanleg in reconventie gcdanen eisch , strekkende daartoe, dat het geïntimeerd Waterschapsbestuur moge worden veroordeeld tot vergoeding aan app. van al de schaden , kosten en interessen, bij dezen geleden of nog te lijden, door het plaatsen van den bij dien eisch bedoelden dam; in allen gevalle door na te laten dien dam weg te ruimen, nadat het gepretendeerde, doch ontkende gevaar geweken was , nader op te maken bij staat en te vereffenen ingevolge het voorschrift der wet; wijders het geïntimeerd Waterschaps-bestuur te veroordeelen om, binnen een door het Hof te bepalen korten termijn, dien dam wederom op te ruimen , met magtiging op den app. om, voor zooverre binnen den te stellen termijn daaraan niet door het geïntimeerd Waterschaps-bestuur wordt voldaan, zulks ten koste van hetzelve te doen uitvoeren, met bena-

ling, dat, ten opzigte van het laatste punt, het te vellen arrest voorloopig uitvoerbaar zal zijn, niettegenstaande verzet of cassatie-beroep, met veroordeeling van het geïntimeerd Waterschaps-bestuur in de kosten der procedure;

O., dat hierop de geïntimeerden, na procureur-stelling hunnerzijds, eveneens ter rolle hebben gediend van conclusie van antwoord , en in den aanhef' daarvan hebben verklaard incidenteel in hooger beroep te komen van bovenvermeld vonnis van 30 Oct. J 867, in zooverre hun daarbij de eisch in conventie is ontzegd, en op daarvoor aangevoerde gronden vervolgens hebben geconcludeerd:

wat den eisch in conventie betreft:

dat het den Hove moge behagen, met verbetering van het vonnis a quo, den incidentelen appellanten , cas conventie , hunne in eerste instantie ingestelde vordering toe te wijzen , met veroordeeling van den incidenteel geïnt., cas conventie, in de kosten van beide instantiën , op den eisch in conventie gevallen ;

en, wat den eisch in reconventie betreft, tot bevestiging van het vonnis, voor zoover den eisch in reconventie betreft , met veroordeeling van app. in de kosten van het hooger beroep;

G., dat hierop van zijde van den principaal app. , incidenteel geïnt., is geconcludeerd tot nietig-verklaring van het incidenteel appel, of althans tot niet-ontvankelijk-verklaring in dat appel , met veroordeeling van de incidenteel appellanien in de kosten ;

en , voor het geval van rejectie dezer exceptie, en onder protest van gehoudenheid daartoe, antwoordende op het incidenteel appel, geconcludeerd :

dat het den Hove behage te verstaan, dat er goed is gevonnisd en kwalijk geappelleerd; mitsdien gelieve te bevestigen het vonnis, den 30 Oct. 1867 gewezen door de Arrond.-Regtbank te Winschoten , voor zooverre daarbij regt gedaan is op den eisch in conventie ; en mitsdien , met vernietiging van het appel, bevele, dat dat vonnis in zooverre zal blijven bestaan , met veroordeeling van appellanten in de kosten , op dit appel gevallen;

G., dat vervolgens partijen over en weder de zaak hebben bepleit, en daarna de heer proc.-gen. zijne conclusiën heeft voorgedragen, waarvan de slotsom hierboven is uitgedrukt;

G. ten aanzien der opgeworpen, exceptie van niet-ontvankelijkheid in het incidenteel appel, dat daarvoor twee gronden zijn bijgebragt, te weten :

a, dat dit appel niet is ingesteld in den vorm, bij de wet voorgeschreven ; en

b. dat de incidenteel appellanten niet bevoegd zijn als zoodanig op te treden zonder een door heeren Gedep. Staten goedgekeurd besluit van het Hoofdbestuur;

Wat den eersten grond betreft:

0., dat bij art. 339, 2 de al., B. R. de wijze is voorgeschreven, waarop de ged. in beroep van zijne zijde incidenteel appel kan instellen ; namelyk, dat hij dit kan doen , of bij zijne schriftuur van ant¬

woordt , of bij eenvoudige acte, aan den procureur zijner wederpartij beteekend;

O., dat in deze zaak , ofschoon van gewone behandeling zijnde, evenwel geene memoriën zijn beteekend ; en dat de geïntimeerden, incidenteel appellanten , bij hunne conclusie van antwoord, ter rolle

genomen, hebben verklaard van hunne zijde incidenteel te appelleren; i 0., dat de beoordeeling, of deze wijze van procederen voldoet aan het voorschrift van de wet, niet zoozeer afhangt van de vraag, of I niet aan de conclusie van geïntimeerden , als bevattende een geschre¬

ven antwoord , in het algemeen de naam : schriftuur van antwoord zou kunnen gegeven worden, maar veel meer van de vraag, welke de beteekenis is , die de wetgever geacht moet worden te hebben gehecht aan de woorden: schriftuur van antwoord, in bedoeld art. 339 ;

O., dat aan die woorden , in dat artikel, naar de bedoeling des wetgevers, moeijelijk eene andere beteekenis kan worden gegeven dan die van : memorie van antwoord , omdat:

1°. wil men daaronder mede verstaan hebben conclusie van antwoord , de laatste woorden der alinea , het alrernatief voorschrift //of bij eenvoudige acte, aan den procureur zijner wederpartij beteekend,-' doelloos zouden zijn ; en

2o. in zake van gewone behandeling art. 347 van genoemd wetboek geene andere schrifturen kent dan eene memorie van bezwaren en eene memorie van antwoord ;

0., dat, vermits alzoo het voorschrift van genoemd art. 339 in deze niet is nageleefd, thans te onderzoeken valt, of die niet-naleving de niet-ontvankelijkhèid in het appel ten gevolge heeft;

0., dat zoo evengenoemd artikel. bevat een voorschrift van vorm , op welks niet-nakoming wel niet uitdrukkelijk nietigheid is bedreigd, maar dat, juist omdat het den vorm betreft, niet straffeloos kan worden overtreden ;

0. immers, dat vormen streng dienen te worden nagekomen , en dat dit nog te meer het geval is, wanneer het, zoo als hier, een bijzonder voorschrift betreft, waarbij van den gewonen regel wordt afgeweken , en aan den ged. in beroep nog de gelegenheid wordt gegeven om , zelfs na het verstrijken van den gewonen termijn van appel, van zijne zijde hooger beroep in te stellen ;

G., dat uit vorenstaande volgt, dat de geïntimeerden , incidenteel appellanten, in hun beroep behooren te worden verklaard niet-ontvankelijk ; dat het daardoor overbodig wordt den tweeden grond, voor de niet-ontvankelijkheid bijgebragt, te onderzoeken; en dat, vermits het incidenteel appel ten onderwerp heeft den eisch in conventie, het hooger beroep van dezen, bij het vonnis a quo ontzegden, eisch niet kan worden aangenomen, en dus geen onderwerp van 's Hofs beoordeeling kan uitmaken , zoodat nu nog alleen te onderzoeken en te beslissen overblijft het principaal appel, ten onderwerp hebbende de reconventionnele vordering ;

0. , dat die vordering hierop is gegrond, dat het Waterschapsbestuur den kistdam heeft gelegd in strijd met de bepalingen der aan den app. verleende concessie, zoodat de doorgraving van den weg is gesloten en ongeschikt gemaakt voor het gebruik, waarvoor hij bestemd is ;

dat in allen gevalle het voortdurend behoud van dien dam onnoodig en geheel onregtmatig is, en de schade, die daardoor aan den reconventionnelen eischer is toegebragt, moet worden vergoed, onverminderd de verpligting tot wegruiming van den dam ;

0., dat, zal die vordering kunnen worden toegewezen , het moet vaststaan, dat de regten van den app. door de geïntimeerden onregtmatig zijn verkort en benadeeld;

O. , dat bij het vonnis a quo zeer juist is overwogen , dat de gedaagden in reconventie, als Waterschaps-bestuur, bevoegd waren die maatregelen te nemen, die zij in het belang van het waterschap noodigoordeelden; dat de regterlijke magt slechts in zooverre bevoegd is die handelingen te beoordeelen, als door handelingen van een dergelijk Bestuur, buiten den kring zijner bevoegdheid, burgerlijke regten van anderen zijn gekrenkt; dat echter eene handeling, gelijk in casu, op zich zelve niet als eene onregtmatige daad kan worden beschouwd, maar tegen derden onregtmatig worden kan ; dat, als door het slaan van een dam de recon ventionnele eischer in de uitoefening der hem bij de concessie verleende regten verhinderd werd, eene onregtmatige daad zou kunnen zijn gepleegd, indien het gebleken was , dat de eischer in reconventie door het vervullen van de voorwaarden der concessie het regt had verkregen van die concessie gebruik te maken , terwijl, zoolang hij dit niet had, het aanwezig zijn van dien dam voor hem was eene onverschillige zaak ;

0. , dat daarentegen min juist door den eersten regter is geoordeeld, dat «ie vraag, of eischer in reconventie aan deJ voorwaarden der concessie heeft voldaan , niet zou kunnen gebragt worden onder het oordeel des regters, maar beslist moeten worden door het administratief gezag ;

0. toch, dat de app. zijne vordering grondt op de hem verleende concessie, en beweert, dat de regten, die hij daaruit ontleent, door de handelingen van het geïntimeerd Bestuur zijn gekrenkt;

dat het hier dus een geschil betreft over burgerlijke regten; en dat, zoo ook al de beoordeeling daarvan afhankelijk is van de vraag , of door den app. is voldaan aan de voorwaarden der concessie , deze omstandigheid den aard van het geschil niet kan veranderen , en dit dus, naar het voorschrift der Grondwet in art. 148, uitsluitend behoort tot de kennisneming der regterlijke magt;

G. nu , dat de daad van het geïntimeerd Bestuur (het slaan van den bewusten dam) als eene onregtmatige daad jegens den app. moet worden aangemerkt, als deze laatste zal hebben bewezen , dat hij in alle opzigten aan de voorwaarden der hem verleende concessie voldaan, en daardoor het regt heeft verkregen om van die concessie gebruik te maken, d. r., om den weg geheel te mogen doorgraven , en op die wijze uit te monden in het Munterdammer-diep;

G., dat de uitdrukking '/doorgraving van den weg,'/ in het positum van den reconventionnelen eisch, is min juist, daar er nog geene geheele doorgraving van den weg had plaats gehad, en dat die doorgraving, d. i. waterverbinding van balkgat en wijk met het Munterdammer-diep , ingevolge art. 8 der voorwaarden in de concessie, niet mogt plaats hebben , zoolang niet het balkgat en de wijk waren gegraven en bekaad , in voege bij de concessie bepaald ;

G., dat nu wel is beweerd en steeds volgehouden, dat aan die laatste voorwaarde, het bekaden van balkgat en wijk , overeenkomstig de voorschriften der concessie zou zijn voldaan , en dat de kade door Gedep. Staten zou zijn goedgekeurd; maar dat^ van zoodanige goedkeuring, hetzij dan uitdrukkelijk» hetzij stilzwijgend, in deze niet is gebleken, terwijl daarentegen èn uit de gehoudene enquête, èn vooral ook uit het rapport van deskundigen, blijkt, dat met betrekking tot die kade niet is voldaan aan de voorwaarde der concessie; 4

G., dat, vermits alzoo de app. niet heelt bewezen zijn regt om van de concessie gebruik te mogen maken, de handeling van het geïntimeerd Bestuur ten zijnen opzigte niet kan worden aangemerkt als eene onregtmatige daad, waardoor hij schade heeft geleden , en dat hem mitsdien , en in zooverre met verbetering van het vonnis a quo , zijne vordering moet worden ontzegd;

O. , dat uit het vorenstaande volgt, dat ook de eisch tot opruiming van den dam , immers zoolang aan de gestelde voorwaarden niet is

voldaan , eten eiscner met Kan volgen, en ook dat gedeelte van den

reconventionneien eisen dienvolgens Denoort te worden ontzegd;

uezien , uenaive ue aangenaaide artiKeien , art. 56 ö. rv.j Regt doende enz.,

Sluiten