Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«onherroepelijk gemagtigd». Maar de bewoordingen der wet moeten toch zeker verklaard worden in verband met den tijd, waarin zij gebruikt zijn; en nu was tijdens de samenstelling van ons tegenwoordig Burgerlijk Wetboek de sedert reddeloos verslagen mandaattheorie omtrent den aard van het pactum de reddendo pignore nog de algemeen heerschende; wat wonder dus, dat onze wetgever dat pactum een volmaakt noemde, maar tevens: wat kon in den mond van den wetgever van 1838 de uitdrukking «onherroepelijke volmacht om het pand te verkoopen», anders beteekerien dan het «beding van buitengerechtelijken pandverkoop", een beding, dat zeker, hoe ook aangeduid, geen volmacht is. Trouwens de ongerijmde gevolgtrekkingen, aan de opvatting van het beding van art. 1223 als een volmaakt of lastgeving verbonden, waarop reeds meermalen gewezen is , en verschillende bepalingen onzer wet zelve, die ons den verkoop krachtens dat beding als een executie voorstellen (art. 771 W. v. K.), of dien, niettegenstaande art. 1850 B. W., ook ingeval van faillissement van den schuldenaar toelaten (artt. 854, 855 en 858 W. v. K.), verzetten zich tegen haar met kracht.

Zoomin als de bewoordingen der wet kan de geschiedenis der bepaling van art. 1223, al. 2, die de Hooge Raad in de tweede plaats als grond van beslissing aanvoert, het stelsel van dat collegie rechtvaardigen. Ons beding is niet de »procuratio in rem suam van het oud-Holiandsehe recht», dat de procuratio in rem suam tot pandverkoop niet als een bijzondere instelling kende, en bij hetwelk , evenmin als bij het Romeinsche recht, een andere procurator in rem suam bekend was dan de procurator ad agendam in rem suam, de cessionnaris eener vordering. Wel waren er uit de onzekerheid , die omtrent de bestaanbaarheid van ons beding naar het oud-Hollandsche recht bestond, vroeger hier te lande volmachten tot verkoop van het pand in gebruik gekomen, waarvan men de onherroepelijkheid trachtte te bedingen, maar deze volmachten konden nooit meer zijn dan een surrogaat voor het gewenschte pactum de rendendo pignore, niet te verwarren met dat pactum zelf. Wie zal nu onzen wetgever de dwaasheid toedichten wel het surrogaat, maar niet de instelling zelve te hebben gewild f

De geheel buiten hun verband met het overige gedeelte der 1. 29, fam. ercisc. (10,2) aangehaalde woorden: »quod creditor egit pro eo habendum est ac si debitor per procuratorem egisset» kunnen zeker niet bewijzen, dat naar het Romeinsche recht de pandhebber als lasthebber van den verpander verkocht. Vóórdat die plaats , trouwens reeds zoo vele malen geheel ten onregte geciteerd, om daarvan het bewijs te leveren, weer daartoe werd aangewend, had men toch wel een weêrlegging mogen verwachten van hetgeen Beekberg, in zijn werk over het pandrecht naar het Romeinsche recht (II, bl. 1 12 en 43 v.), over die plaats met betrekking tot de mandaat-theorie aanvoert.

Ook het doel dezer bepaling : de vermijding van den omslag en de kosten van een gewonen executorialen verkoop , en de aard der hier bedoelde levering : overdracht van het verkochte in de macht en het bezit van den kooper , met verplichting mede om over te geven de bewijzen van eigendom, tot welk een en ander de hypothecaire schuldeischer zonder medewerking van den eigenaar buiten staat is, moeten er, volgens den Hoogen Raad, toe doen besluiten den schuldeischer van de verplichting tot levering te ontheffen. Ware het hier om het jus constituendum te doen , ik zou de eerste willen zijn dit te erkennen , daar toch ons recht niet, even als het Romeinsche, den hypotheeairen schuldeischer een door de actio hypothccaria te handhaven recht op het bezit van zijn pand toekent, en hij alzoo zeer bezwaard wordt door de verplichting om den kooper het bezit eener zaak te verschaffen, waarvan hij zich zelf niet eens in het bezit kan stellen. Maar nu het het jus constitutum geldt, komt het eenvoudig hierop aan : verkoopt de hypotheekhebber als lasthebber van den verpander of krachtens zijn zelfstandig verkooprecht op eigen naam ? Is het eerste het geval, dan is alleen de verpander als lastgever tot levering gehouden ; is het tweede waar, dan rust de verplichting tot levering op den hypothecairen schuldeischer als v er kooper , omdat, hoe wenschelijk het tegendeel ook zijn moge, onze wet nergens den schuldeischer, die zijn pand verkoopt, van die in het algemeen op den verkooper rustende verplichting ontheft. En zal men nu beweeren, dat het doel, dat de wetgever met de bepaling van art. 1223, al. 2, voorhad , volgens de eigen woorden van den Hoogen Raad: «het zooveel mogelijk geven van zekerheid aan den geldschieter», den wetgever er toe moest leiden slechts het bedingen van een onherroepelijk mandaat tot verkoop te vergunnen, een instelling, die zich bijkans in alles, behalve de onherroepelijkheid, van het pactum de rendendo pignore, en in niets, uitgezonderd de onherroepelijkheid, van het gewone mandaat onderscheidt ? Want van waar heeft de Hooge Raad het recht tot die concessie: dat het beding van art. 1223, al. 2, B. W. »wat eenige regtsgevolgen betreft» van de gewone lastgeving verschilt, wanneer hij vooropzet, dat het in zijne eerste beteekenis een lastgeving is ? Wat geeft ons de vrijheid om — eenmaal in het besproken beding een lastgeving ziende — daaraan naar willekeur enkele der eigenschappen van het mandaat toe te kennen en andere te ontzeggen ?

Éen laatste argument put de Hooge Raad uit de overweging, dat »de verleener dier magtiging is gebleven eigenaar» ; immers, daar de eigendom van het verhypothekeerde goed door den verkoop, volgens art. 1223, al. 2, op den kooper overgaat, en toch alleen de eigenaar zijn goed op een ander kan overdragen, moet het de verleener der machtiging (die eigenaar gebleven is) wezen, die verkoopt, terwijl de schuldr eischer slechts als diens gemachtigde handelt. De stelling echter, dat alleen de eigenaar zijn goed op een ander kan overdragen, mist allen grond. Het eenige toch, wat noodig is om een beschikking van A over B's goed bestaanbaar te maken, is dit: dat het recht aan die beschikking zijn zegel hechte, m. a. w. dat A het recht hebbe over li's goed te beschikken, eene voorwaarde, waaraan door het geoorloofd zijn van het beding van pandverkoop voldaan is.

De verleener der machtiging eigenaar gebleven. Toch niet altijd: immers de schuldenaar kan het verhypothekeerde goed, met den last der hypotheek bezwaard, op een ander overdragen , en de Hooge Baad kent den schuldeischer, ook na die overdracht, het verkooprecht toe (zie het arrest van 20 Januari 1854 in Weekbl. n°. 1509). Het bezwaar, dat hieruit tegen de mandaat-theorie ontstaat, dat nl. de schuldeischer nu verkoopen zou op last van den niet-eigenaar, poogt de Hooge Raad op te lossen , door er op te wijzen, dat de schuldeischer als lasthebber niet alleen den oorspronkelijken lastgever, maar na dezen ook diens rechtverkrijgende vertegenwoordigt (zie de uit het beklaagde arrest overgenomen overweging, die op hare benrt weer overgenomen is uit het arrest van den Hoogen Raad van 22 Mei 1868 (Weekbl. n°. 3011)). Zeker een vergeefsche poging: want zoo eene overeenkomst zich in hare werking buiten de oorspronkelijke contracteerende partijen ook tot hare rechtverkrijgenden uitstrekt, dan zijn dit toch zeker alleen de rechtverkrijgenden onder algemeenen titel, niet een ieder, die maar in eenig opzicht rechtverkrijgende van eene der partijen is. Bovendien is juist de lastgeving in hare werking tot de oorspronkelijke contractanten beperkt, een regel, waaraan voor het beding van art. 1223, al. 2 , zoo het een volmacht was, niet gederogeerd zou zijn.

Een meer uitgewerkte behandeling van de vraag naar den aard van het beding van art. 1223 , al. 2, heb ik trachten te geven in mijn academisch proefschrift, in het vorige jaar te Leiden verdedigd, waarin ik iceds gelegenheid had de eerste rechterlijke uitspraak inde zaak, waarin thans de Hooge Raad het laatste woord gesproken heeft (nl. een vonnis der Rechtbank te Amsterdam van 18 Februari 1869, Weekbl. u°. 3177), met een enkel woord te bespreken.

In de hoop niet te veel plaats voor mijn brief in uw blad te hebben gevraagd , schoon het tegendeel vreezende , blijf ik met hoogachting , mijne heeren ,

Uw Dienstw. Dienaar, Rotterdam, 30 Januari 1872. J. Rombach.

HOOGE RAAD. — Kamer van Strafzaken.

Zitting van JDingsdag, 6 Februarij.

namiddags ten twee ure, eene openbare algemeene vergadering houden , tot plegtige installatie van Mr. C. Polis, nieuw benoemd advocaat-generaal bij den Raad.

Verbeterino. — Onder het vonnis van de Regtbank te Rotterdam, geplaatst in Weekbl. n°. 3416 , staat als gepleit hebbende voor den eischer Mr. van Raalte. Moet zijn Mr. Knottenbelt.

ADVERTENTIEN.

Bij GEBR. BELINEANTE, te \s Gravenhage,

ziet het licht:

le SUPPLEMENT

op den

TWEEDEN VERMEERDERDEN DRUK

yan

DB REGTSPRAAKvan Mr. D. LÉON,

Deel II, Aflevering 4 |(Koopliand.el),

dook

Mr. J. ,,V. LEVY.

Prijs f 1.

Elke Aflevering van dit werk is afzonderlijk verkrijgbaar tegen de volgende prijzen :

Deel I (Staatsregt) ƒ 5.40

» i (Iste vervolg door Mr. E. L. van Emden) ... - 8.—

„ i (2de » » » ) • • • " 8-25

» I (3de » « " ) • • • ' 6-~

» H 1ste afl. (Regt. Org.) 1.576

« II 2de en Sde afl. (Burg. Wetb.) nieuwe druk in bewerking. » II 4de afl. (Kooph.) (2de druk door Mr. J. A. Levy)

met 1ste supplement f 11.25

» H 5de afl. (Burg. Regtsv.) • 8-25

» II 6de » (Strafvord.) "

Door D. BLOK, Boekhandelaar te Hage, worclt voor een koopje aangeboden :

LUTTENBERG'S CHRONOLOGISCHE VERZAMELING der Wetten en Besluiten , door Schuurman , voortgezet van 1813 tot 1868 , tot 1865 gebonden , met Register, zoo goed als nieuw ƒ 60. •

Voorduin , BEGINSELEN DER NEDERLANDSCHE WETBOEKEN, 11 deelen, 12 stukken. . f 33.—-

THEMIS, Regtskundig Tijdschrift, van 1839 toten

met 1870 ƒ 90.—

NEDERLANDSCHE PANDECTEN, voortgezet door Mr. P. Simons, 12 deelen f 6.—-

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

I. Uitspraak gedaan in zake:

1". den proc.-gen. bij het Hof in Utrecht, tegen een arrest in zake E. A. Emond. Het arrest vernietigd en den gereq. veroordeeld tot cellulaire gevangenis-straf van drie dagen en twee boeten a / 15.

2°. H. W. van Workum, tegen een vonnis der Regtbank te

Arnhem. Verworpen.

3°. ,J. H. van der Burg, tegen een vonnis van dezelfde Regtbank.

Verworpen.

40. D- A. Dumosch, tegen een arrest van het Hof in Utrecht.

Verworpen.

5». J. K. Klatter, tegen een arrest van het Hof in Groningen. Verworpen.

II. Conclusie genomen in zake:

lu. H. Inpijn c. s., tegen een arrest van het Hof in Noordholland. Adv.-gen. Smits concludeert tot verwerping. Uitspraak 27 Februarij.

2°. A. Nijenhuis, tegen een arrest van het Hof in Gelderland. Adv.-gen. Smits concludeert tot vernietiging van het arrest, schuldigverklaring van den req. aan één wanbedrijf van mishandeling en veroordeeling tot eene geldboete van / 8 of gevangenis-straf van twee dagen. Uitspraak 2 7 Februarij.

III. Behandeld het beroep van:

1». J. Noord, tegen een arrest van het Hof in Drenthe. Rapp., raadsh. Huguenin. Adv.-gen. Smits concludeert tot verwerping. Uitspraak 20 Februarij.

2o. den proc.-gen. bij het Hof in Drenthe , tegen een Arrest in zake N. Barends. Rapp., raadsh. Gertsen. Adv.-gen. Smits concludeert tot verwerping. Uitspraak v6 Februarij. 3°. J. Alderkamp, weduwe van P. Kok , tegen een arrest van het Hof in Drenthe. Rapp., raadsh. Kalff. Adv.-gen. Smits concludeert tot verwerping. Uitspraak 20 Februarij.

NB. Woensdag is er geene zitting gehouden.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ

Bij Z. M. besluit van den 3 dezer, n". '23, is benoemd tot plaatsvervangend kantonregter te Grave, J. S. Hussem, ontvanger der registratie en domeinen aldaar.

— Bij Z. M. besluit van dezelfde dagteekening, n°. 24, is benoemd tot plaatsvervangend kantonregter te Enschedé, A. A. D. E. Hooglandt, notaris aldaar.

BERIGTEN.

's Gravenhage, den 7 Februarij.

De Hooge Raad der Nederlanden zal Zaturdag den 10 dezer, des

BELANGRIJKE PRIJSVERMINDERING.

Prof. G. W. Vreede , "geschigdemis der stederlawdsche iiiploiiame , 6 dln. Vroegere prijs f 39.20 , thans ƒ 15.

Afzonderlijk wordt afgeleverd:

GESCHIEDENIS «EK mkukbl. DIPLOMATIE (1579 —1650) 2 dln. 3 st. Vroeger f 18.90, thans f 8.50.

geschieiiems der diplomatie vam de bat1afsche republiek (1795— 1810), 2 dln.

3 st. Vroeger f 20.30 , thans f 11.50.

Joach. Hoppe ai, emstolae ad vichliitj» ab attta xviche«vh (1561—1574). Traj. 1802.

4 . Vroeger f 3.75 , thans ƒ 2.40.

Hoogst belangrijk voor de kennis van dien tijd. — Supplement TOOr de Analecta Belgica, door Hoïnck v. Papendrecht uitgegeven, maar 60 jaren later verschenen, ontbreekt dit aan menig Exemplaar van dat werk. Slechts weinige Exemplaren zijn hiervan overig. Verkrijgbaar bij alle Boekhandelaren en bij den Uitgever PREDERIK MULLER, te Amsterdam.

r" ttf 1■ïiViiii'i " "" " m 'i' ^VaBagaaBgHii^^lïir"iitiVT''

Bij H. A. M. ROELANTS. te Schiedam, ziet het licht:

eene Zesde, belangrijk vermeerderde TJitg-aaf

yan

DE STAATSWETTEN VAN NEDERLAND.

ZAK-F0RMAAT, 650 Bladzijden Druks, in linnen band f 2.70.

//Wij bevelen deze nieuwe Uitgaaf, die, niet minder dan 93 Staatswetten bevat, als eene volledige Verzameling te beschouwen is, en zich ook uitwendig door eene duidelijke letter en een sierlyk linnen band onderscheidt, ten zeerste aan.,, De Gemeente-Stem, 13 November 1871.

//Wij vestigen gaarne de aandacht van onze lezers op den Zesden, vermeerderden Druk van de //Staatswetten va11 Nederland.// Men vindt daarin, behalve de Grondwet, en de zoogenaamde Organieke Staatswetten, de wetgeving omtrent alle takken van Onderwijs, Armwezen, Geneeskundig Staatstoezigt, Onteigening, enz. enz. De uitvoering verdient bovendien, om hare naauwkeurigheid en netheid, bijzonderen lof.//

Weekblad van het Regt, 20 November 1871.

Snelpersdruk en Uitgave van ftEBROEDERI BEUlïFAllïKt te 's Oravenliage.

Sluiten