is toegevoegd aan uw favorieten.

Weekblad van het regt; verzameling van regtszaken, bouwstoffen voor wetgeving, mengelwerk, jrg 35, 1872, no 3422, 22-02-1872

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat voor zoodanig antwoord al dadelijk pleit, dat dergelijk voorschrift , als waarvan ten deze sprake is, zoo in Nederland als in Frankrijk, in een groot aantal costumen min of meer gewijzigd werd aangetroffen en immer in dien zin werd verstaan, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk was vastgesteld, gelijk hier en daar in Holland, b. v. bij de keuren der Weeskamer te Leiden het geval was, welke keuren eene opzettelijke bepaling bevatten, luidende: «van gelijke zullen alle stiefvaders of stiefmoeders, zijnde de langstlevende, gehouden zijn pertinenten staat of inventaris, bij eede gesterkt, over te leveren* enz.;

dat hetzelfde denkbeeld zeer bepaald in art. 261 van het ontwerp van een nieuw Burgerlijk Wetboek, in 1820 aan de Vertegenwoordiging aangeboden, alsmede in dat, hetwelk in 1822 door deze werd aangenomen en tot wet verheven , is terug te vinden, vermits het verzuim van, binnen drie maanden na de ontbinding van het huwelijk , inventaris te hebben gemaakt, wanneer er minderjarige kinderen aanwezig waren, bij het laatste alleen werd gestraft door verlies van het vruchtgenot van het vermogen dier kinderen , en bij gevollt ook alleen ten aanzien van den langstlevende der ouders kon worden toegepast;

dat voorts tot regt verstand van de quaestieuse bepaling in het thans vigerend regt in aanmerking komt, dat zij , als vermeende uitzonde¬

ring op den regel, dat de huwelijks gemeenschap door den dood van een der echtgenooten wordt ontbonden, hare plaats heeft gevonden in den titel van het Burg. Wetb., die aan de wettelijke gemeenschap van goederen is gewijd, waaruit mag worden opgemaakt, dat de wetgever alleen het huwelijk, waardoor zulke gemeenschap is ontstaan, en de belangen der minderjarigen, daaruit geboren, heeft voor oogen gehad; en dat dit bevestigd wordt door de uitdrukkingen; indien er minderjarige kinderen overblijven, in art. 182 gebezigd, welke ook naar het gewoon spraakgebruik veronderstelt , dat van zulke kinderen , niet van die uit een vroeger huwelijk van een der echtgenooten, de rede isj

dat de gedachte bepaling wijders uit haren aard niet anders kan zijn dan een bevel, onder bedreiging van straf, aan den langstlevenden echtgenoot, dat hij, door het tijdig opmaken van eenen inventaris, voor de belangen der betrokken minderjarigen zal waken; en dat zoodanig bevel bij voorkeur schijnt te pas te komen , wanneer die mindeijarigen zijn kinderen der beide echtgenooten, omdat de langstlevende alsdan onmiddellijk tot de wettelijke voogdij over hen wordt geroepen, maar daarentegen naar de tegenwoordige begrippen overbodig is te achten ten aanzien van kinderen uit een vroeger huwelijk van den eerststervende, die bereids van een toezienden voogd zijn voorzien, en over welke ten spoedigste een voogd moet worden benoemd; *

dat de letter der wet trouwens met deze uitlegging volkomen in overeenstemming is: vooreerst, omdat bij het betwiste art. 182 B. W. wordt bepaald, dat de bedoelde boedelbeschrijving zal worden opgemaakt in tegenwoordigheid van den toezienden voogd, niet casu quo in bijzijn van den voogd; ten andere, omdat bij art. 370 van hetzelfde wetboek aan den langstlevende der echtgenooten , die verzuimd mogt hebben aan het voorschrift vau art. 182 gevolg te geven, eene tweede straf wordt opgelegd , welke alleen den vader of moeder der betrokken minderjarigen kan treffen , het verlies namelijk van het vruchtgenot der goederen, aan de minderjarigen toebehoorende;

dat de eischer nog getracht heeft zijne vordering te verdedigen door de opmerking, dat het verzuim van boedelbeschrijving na het overlijden van M. d. J. in ieder geval ten gevolge heeft gehad, dat de huwelijks-gemeenschap tusschen dezen en J. M. niet werd ontbonden, omdat er een minderjarig kind, uit hun huwelijk, met name zijne halve zuster J. A. d. J., aanwezig was, alsmede dat eene gemeenschap niet te gelijk kan ophouden en voortduren; doch dat ook deze poging geen doel kan treffen, eensdeels, daar zij zich oplost in eene bewering e jure tertii, anderdeels, vermits de wetgever expressis verbis heeft te kennen gegeven, dat de gemeenschap zal voortduren in het belang der minderjarigen, wier lot hij zich aantrok , niet in dat van meerderjarige kinderen, uit hetzelfde huwelijk geboren, of andere geïnteresseerden ;

dat het evenmin aangaat uit de omstandigheid, dat noch bij het overlijden zijner moeder een toeziende voogd , noch bij dat van zijnen vader een voogd over den eischer is benoemd, te besluiten, dat deze op de goederen, door de meergenoemde J. M. nagelaten, eenige aanspraak heeft; en dat alzoo bij het opmaken der massa van de te verdeelen huwelijks-gemeenschap, tusschen laatstgenoemde en M. d. J. bestaan hebbende, voor zooveel de regten van den eischer aangaat, alleen op den toestand dier gemeenschap bij het overlijden van denzelfden M. d. J. kan worden gelet; terwijl bij iedere boedelscheiding als regel geldt, dat elk der deelgenooten bevoegd is de voorwerpen aan te wijzen, die tot den te verdeelen boedel behooren , maar van zijnen mede-deel genoot noch zoodanige aanwijzing, noch een negatief bewijs kan vorderen;

Verklaart den eischer ongegrond in de sustenuen, door zijnen voogd en zijnen toezienden voogd, ter comparitie voor den notaris van Gils en getuigen, op den 14 Junij 1871, te Breda, gevoerd, en door hem bij dagvaarding en conclusie herhaald;

Verklaart, dat bij de scheiding en verdeeling der huwelijks-gemeenschap tusschen des eischers vader , M. d. J., en zijne echtgenoote in tweede huwelijk J. M., voor zooveel den eischer betreft, tot grondslag zal moeten worden genomen de toestand, waarin de gemeenschap zich by het overlijden van den eerstgenoemde bevond;

Beveelt, dat partijen, om, met in-acht-neming van dien grondslag, de operatiën der bij vonnis dezer Regtbank van den 23 Mei 1871 bevolene scheiding en verdeeling voort te zetten, ten kantore van den evengenoemden notaris zullen verschijnen op Woensdag den 20 Dec. a. s., des voormiddags ten tien ure;

Verwijst den eischer in de kosteu, op dit contest gerezen.

(Gepleit voor den eischer Mr. H. Maarschalk , en voor den gedaagde Mr. F. Walter.)

MENGEL WEEK.

HUWELIJKS-INZEGENING.

(Ingezonden.)

Geachte Redacteur !

In het Weekbl. n°. 3416 is door u opgenomen een strafvonnis der Regtbank te Leiden, houdende eene beslissing omtrent art. 199 Code Pénal. Gij hebt daarbij in eene noot eenige bedenkingen, of beter gezegd eene ongunstige kritiek van het vonnis, gevoegd. Thans zult gij billijk genoeg zijn om ook aan eene antikritiek plaats te verleenen.

Gij zegt: »wat het artikel heeft willen verbieden is zeer duidelijk , de kerkelijke ingezening van een huwelijk, dat niet burgerlijk voltrokken is.» Het is inderdaad zeer duidelijk, dat de wet dit heeft willen verhinderen. Maar even duidelijk is het m. i., dat de wet iets anders heeft willen verbieden , nl.de kerkelijke inzegening zonder dat aan den inzegenaar gebleken zij van het bestaan der burgerlijke huwelijks-acte, welke niet slechts het legale bewijs der huwelijksvoltrekking is, maar ook tot het wezen dezer uitsluitend schriftelijke regthandeling behoort. Willen verhinderen en verbieden nu zijn twee. Zij kunnen als doel en middel tot elkander staan. Dit is hier het geval. Om de inzegening zonder voorafgaande voltrekking van het

burgerlijk huwelijk te verhinderen, heeft de wet geëischt, dat het bestaan der huwelijks-acte aan den inzegenaar behoorlijk blijke. En wat bewoog haar tot de keuze van dit middel ? Met bestreden vonnis geeft het antwoord: op die wijze zou worden belet «dat de bedienaars der godsdienst zich door getuigenissen en publieke geruchten zouden laten misleiden, of zich bij opzettelijke overtreding op zoodanige misleiding zouden beroepen.» Door het gebod "geene inzegening zonder dat u van de acte gebleken zij , al ware ook het burgerlijk huwelijk werkelijk voltrokken», wordt het doel «geene inzegening zonder voorafgaande burgerlijke huwelijks-voltrekking» zekerder bereikt.

In ieder geval, wij hebben hier niet te kiezen tusschen hetgeen de wet letterlijk zegt en hetgeen zij eigenlijk bedoelt, maar tusschen hetgeen de wet blijkbaar voorschrijft en hetgeen zij blijkbaar niet voorschrijft.

Wanneer Chauveau en Hélie van meening zijn, dat »van de toepassing van art. 199 nooit sprake kan zijn, indien er vóór de inzegening werkelijk een wettig voltrokken burgerlijk huwelijk bestaat», dan is dit m. i. slechts hierdoor te verklaren , dat zij , gelijk hun in hun eminenten commentaar wel meer gebeurt, hun eigen jus constituendum voor het ontwijfelbare jus constitutum in de plaats stellen. Men verlieze nimmer uit het oog, dat de Fransche uitleggers zich eene vrijheid veroorloven die aan ons Nederlanders eene ongeoorloofde willekeur toeschijnt.

Maar gij hebt nog eene andere bedenking. «Aangenomen de strafbaarheid van den inzegenaar van een reeds burgerlijk voltrokken huwelijk, indien hij van die voltrekking niet behoorlijk kennis heeft bekomen: dan vordert de wet nog alleen , dat hem van het bestaan der huwelijks-acte gebleken zij , hoe dan ook , door getuigen , door het openbaar gerucht, zelfs door de verklaring der partijen. De wet schrijft niet voor, dat de acte aan hem moet worden vertoond, of dat hij die moet hebben gezien of gelezen; zij laat hem over, hoe hij zich van het bestaan der akte zal willen overtuigen ; hij onderzoekt suo periculo.»—Het is waar, de wet spreekt niet van vertoonen , zien of lezen ; maar zij bezigt het zinvolle woord justifier, dat (volgens Littré in voce) «en termes de jurisprudence» met de gebezigd wordt, en beteekent «prouver la vérité d'une chose». Door het openbaar (lees algemeen) gerucht nu, of door verklaringen der partijen of van derden, kan het bestaan der huwelijks-acte voor den geestelijke niet gejustificeerd worden. Noch op praatjes, noch op plegtige verzekeringen mag hij afgaan. Deze geven hem niet den minsten waarborg, dat hij niet bedrogen wordt, of niet te doen heeft met personen , die zeive bedrogen , ligtgeloovig en niet op de hoogte zijn van het wezen eener huwelijks-acte. Hij moet dus tot de bron zelve opklimmen, zal het bestaan der acte voor hem gejustificeerd of bewezen worden. Het laat zich denken, dat men daartoe slechts een afschrift of extract van den ambtenaar van de gemeente der huwelijks-voltrekking voldoende, en het inzien der registers door de bedienaars zelve ongenoegzaam acht, omdat ook deze door onbedrevenheid in zake van burgerlijken stand in dwaling zouden kunnen geraken. Maar verder dan legaal extract uit, of zelf inzien van de registers, kan dan ook de justificatie niet gaan.

Uwe leer komt ten slotte hierop neder: is eene burgerlijke voltrekking voorafgegaan , dan is de inzegenaar nimmer , is zij niet voorafgegaan , dan is hij altijd strafbaar. Ook dit laatste wordt duidelijk door u geleerd. Intusschen is het niet alleen iets geheel anders dan art. 199 bepaalt; maar het kan ook tot zeer crimineele gevolgen leiden. Immers, wanneer den geestelijke een valsche copie of extract der huwelijks-acte bezorgd wordt, waaronder de naam van den hem bekenden ambtenaar der betrokken gemeente staat, of wanneer hem eene echte acte wordt geleverd, die andere dan de in te zegenen personen betreft, omtrent wier identiteit men hem misleid heeft: — dan is hij, volgens uwe leer, doch niet evenzoo volgens art. 199, strafbaar.

Schoon ook in uwe zienswijze volhardende, zult gij echter willen toegeven, dat er «nog wel iets voor de leer van het vonnis te zeggen is» , al blijft men niet hangen »aan den letterlijken inhoud van het artikel.» In ieder geval zult gij deze tegenspraak ten goede houden aan

Uwen dv. dienaar, 10 Ifebr. 72. Tbbtids.

(Wij plaatsen gaarne dit stukje van Tertids, maar wij veroorloven ons, zonder voor het oogenblik op de zaak zelve terug te komen, daarop twee opmerkingen.

De eerste betreft de criminele gevolgen , die de geachte schrijver

van onze leer vreest. Daargelaten, dat net door hem onderschrapte woord altijd door ons niet gebezigd is, het lag volstrekt niet in onze bedoeling den inzegenaar strafbaar te verklaren, indien men hem bedrogen heeft met eene valsche acte; en wij gelooven ook niet, dat dat noodzakelijk volgen moet uit de woorden, waarvan wij ons bediend hebben. Het zou echter de vraag zijn, of datzelfde verwijt niet met meer regt zou kunnen gedaan worden aan de leer van het vonnis. Als toch de vertooning gevorderd wordt van eene huwelijksacte , dan zal daarmede waarschijnlijk niet bedoeld zijn eene valsche acte.

De tweede opmerking is deze: als wij van gevolgen spreken , wat zal dan het gevolg zijn van de leer van Tertids ? Bedriegen wij ons

niet, dit: dat er bijna geen huwelijk wordt ingezegend, waarvoor de inzegenaar niet strafbaar is. Wij meenen ten minste, dat deze nooit ontvangt een authentiek afschrift of uittreksel der acte; en dat de eenvoudige verklaring, door den ambtenaar van den burgerlijken stand afgegeven, zelfs door hem niet onderteekend wordt.

Maar, wat er van dat alles zij , voor den uitlegger der wet is het alleen de vraag, wat de wet beveelt, niet welke hare gevolgen zijn, waarvoor hij niet aansprakelijk is. Red.)

HOOGE RAAD. — Kanier van Strafzaken.

Zitting van Maandag, I 9 Februarij.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

I. Uitspraak gedaan in zake :

1». H. J. Siepkens, tegen een vonnis van het Kantongeregt te 's Hertogenbosch. Het vonnis vernietigd en de dagvaarding nietig verklaard.

2". K. A. Muller c. s., tegen een arrest van het Hof in Noordbrabant. Verworpen.

3". den ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te Wijchen, tegen een vonnis in zake A. van den Elzen. Het vonnis vernietigd en de zaak naar hetzelfde Kantongeregt teruggewezen.

4°. J. H. Visser, tegen een arrest van het Hof in Friesland. Verworpen.

II. Conclusie genomen in zake:

1". Jhr. S. E. J. M. van Nispen tot Sevenaer, tegen een vonnis van het Kantongeregt te Tilburg. Adv.-gen. Smits concludeert tot vernietiging van het vonnis en verwijzing der zaak naar de Kegtbank te 's Bosch. Uitspraak 11 Maart.

2". W. Hubertus, tegen een arrest van het Hof in Zuidholland. Adv.-gen. Smits concludeert tot verwerping. Uitspraak 11 Maart.

III. Behandeld het beroep van:

1„. den ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te Eaam, tegen een vonnis in zake H. F. van der Wissel. Rapp., raadsh. Kist. Gepleit Mr. W. Thorbecke. Conclusie bepaald op 26 Februarij.

2°. H. van Duuren, tegen een vonnis der Regtbank te Arnhem. Rapp., raadsh. Kalff. Gepleit Mr. J. de Rouville. Conclusie bepaald op 26 Februarij.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ

Bij Kon. besluit van den 9 dezer , n°. 22 , is , ten laste van den Staat, pensioen verleend aan Jhr. Mr. B. van den Velden, gewezen vice-president van den Hoogen Raad der Nederlanden, ten bedrage van j 3333 'sjaars, en aan Mr. S. Schmolck, gewezen president van het Prov. Geregtshof in Zuidholland, ten bedrage van f 1602 'sjaars.

— Bij Z. M. besluit van den 17 dezer, n°. 20, is benoemd tot raadsheer in het Prov. Geregtshof in Noordbolland, Mr. F. J. A. Fles, thans regter in de Arrond.-Regtbank te Arnhem.

BERIGTEN.

's Gravenhage, den 19 Februarij.

Den 18 dezer overleed alhier de minister van Staat, Mr. J. K. Baron van Goltstein, een man, wiens langdurige parlementaire loopbaan in het naauwsce verband staat met Nederlands staatkundige geschiedenis der laatste dagen. Geboren den 31 Mei 1794 te Arnhem, mogt hij dus den hoogen ouderdom van 78 jaar bereiken. Na zijne welvolbragte studiën werd hij spoedig advokaat-fiscaal bij het Hoog Militair Geregtshof, en van daar de degelijkheid en belangrijkheid zijner latere adviezen over de militaire regtspleging. Het staatsregt was en bleef eene zijner geliefkoosde studiën, en hij voelde zich daarbij inzonderheid aangetrokken door de geschriften van Hogendorp en Meijer , die bij hem de zucht tot het staatsleven en het voorstaan van constitutionnele gevoelens deden ontwikkelen. Weldra zou hij zich daaraan geheel kunnen wijden. Immers in Junij 1840 werd hij door de Staten van Utrecht tot lid der Tweede Kamer afgevaardigd en is hij daarin onafgebroken werkzaam geweest, vele jaren ook als voorzitter en slechts met kortstondige uittreding, tijdens zijne benoeming tot minister van Buitenlandsche Zaken van 1858—1860. Laatstelijk door de provincie Utrecht ter Eerste Kamer afgevaardigd, mogt hij déL&r nog tot in de laatste zitting van zijne kennis doen blijken. De overledene was kommaudeur van de orde van den Nederlandschen Leeuw, ridder Grootkruis van de orde der Eikenkroon en tevens ridder van verschillende buitenlandsche orden.

ADVERTENTIEN.

Bi] H. A. M. ROELANTS. te Schiedam, ziet het licht:

eene Zesde, belangrijk vermeerderde Uitg-aaf*

VAN

DE STAATSWETTEN VAN NEDERLAND.

ZAK-FORMAAT, 650 Bladzijden Druks, in linnen band ƒ 2.70.

//Wij bevelen deze nieuwe Uitgaaf, die, niet minder dan 93 Staatswetten bevat, als eene volledige Verzameling te beschouwen is, en zich ook uitwendig door eene duidelijke letter en een sierlijk linnen band onderscheidt, ten zeerste aan.// De Gemeente-Stem, 13 November 1871.

//Wij vestigen gaarne de aandacht van onze lezers op den Zesden, vermeerderden Druk van de //Staatswetten van Nederland.// Men vindt daarin, behalve de Grondwet, en de zoogenaamde Organieke Staatswetten, de wetgeving omtrent alle takken van Onderwijs, Armwezen, Geneeskundig Staatstoezigt, Onteigening, enz. enz. De uitvoering verdient bovendien, om hare naauwkeurigheid en netheid, bijzonderen lof.//

Weekblad van het Regt, 20 November 1871.

ir■" i —i i'v ij, i

Snelpeisdrnk en Uitgave van QüilitOEOBRS WKIilif te 's Gravenba^e*