Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE ROTTERDAM.

Burgerlijke kamer.

fitting van den 15 April 1872.

Voorzitter, Mr. J. A. M. Bichon van IJsselmonde.

staat de Engelsche liquidation bij arrangement, ofschoon bij de Bankruptcy Act geregeld, bij de toepassing der Nederlandsche wet, gelijk met faillissement ? — Neen.

Wettigt de staat van liquidation bij arrangement, waarin de Jcooper, die zijne betalingen gestaakt heeft, verkeert, voor den verkooper een revindicatoir arrest op grond van reclame 1 — Neen.

Pleegt de inlader, die den kapitein in den waan brengt, dat de eigenaar der lading order tol lossing heeft gegeven, waaraan de kapitein ter goeder trouw geloof slaat, en ten gevolge waarvan hij de lading aan den inlader teruggeeft, tegenover den eigenaar der lading eene onregtmatige daad, voor welke hij, op grond van art. 1401 B. W.. tot schadevergoeding gehouden is? — Ja.

'' fiinghara Smith, accountant, wonende te Londen, ten deze handende in zijne hoedanigheid van Trustee under the liquidation bij :<Tangement of the affairs of E. Sewell en J. R. Metcalfe, kaas- en ''terhandelaren, wonende te Ipswich, en aldaar als vennooten handende onder de firma Sewell and Metcalfe, eischer , procureur 'Ir. H. Trostorff ,

tegen

f'e 'mndelsvennootschap onder de firma Gebr. v. R., kooplieden in < aas , gevestigd te Rotterdam , gedaagde, procureur Mr. W. Sik-

''ketsz van ReESEMA.

- 'e Regtbank enz.,

' «ehoord de conclusiën van partijen en gelet op de gehouden pleidooijen;

Oehoord de conclusie van het Openb. Min., strekkende, dat de ®®gtbank aan den eischer zijne vordering zal toewijzen, voor zooveel 'atreft de schade, veroorzaakt door het gelegd revindicatoir en conse'T#toir arrest en de weigering tot afgifte der kaas, met niet-ontvcelijk-verklaring van, immers ontzegging aan den eischer van het 0ll 'ige gedeelte zijner vordering, en met bepaling, dat de kosten vo"* drie vierden door de ged. , en voor één vierde door den eischer j 1 worden gedragen ;

'vervoegende, dat de eischer in zijne bovengenoemde hoedanigheid eg«n de gedaagde firma eene regtsvordering heeft ingesteld tot ver"!J : '*ng van kosten, schaden en interessen , wegens door haar gepielde onregtmatige handelingen , ten opzigte van eene hoeveelheid aa? , in de dagvaarding bepaaldelijk opgenoemd, en door haar op cr'";iet verkocht en geleverd aan de firma Sewell and Metcalfe . in de j11" nd Oct. 1870 in het stoomschip Thames, kapitein Richardson , liggende te Rotterdam, welke laatstgenoemde firma in staat van "l'<«dation bij arrangement verkeert onder het beheer van den eischer;

(j-, dat deze onregtmatige handelingen dBarin zouden bestaan he;.*,en:

1 • dat de ged., onder voorgeven, dat de firma Sewel and Metca' :- in staat van faillissement zoude verkeeren , op den 3 Nov. 1870 ''ev'"'ticatoir beslag heeft doen leggen op het schoenerschip Thames, bcv! tzeilree Eggende te Hellevoetsluis en op de lading kaas daarin

SP/'' ^at ged. na de opheffing van dit arrest, voor zooverre het co' 'enerscMp betrof, schip en lading op den 11 Nov. daaraanvolgende l ,;ervatoir in beslag heeft doen nemen;

dat de ged. firma, met opheffing van de onderscheidene arrese'-. op den 19 Nov. daaraanvolgende, onder het valsch voorgeven Vai' daartoe orders te hebben ontvangen, den kapitein Riehardson heeft overgehaald de bedoelde partij kaas te lossen en aan haar ged. at "• geven, en die firma weigerachtig is, de alzoo in het bezit gen°n*en kaas aan den eischer qq. terug te geven;

<J; dat de ged., die gesommeerd was die feiten te erkennen of te 01,t<ennen, daarop heeft doen zeggen , met ontkentenis der feiten, 200 a's die bij dagvaarding zijn gesteld :

de firma Sewell and Metcalfe, aan wie zij de bewuste partijen Ka:« in Oct. 1870 verkocht heeft, destijds in staat van deconfiture en hare betalingen gestaakt had, waardoor de gedaagde firma het ,J'' had de verkochte kaas bij reclame terug te vorderen, waardoor et gelegd revindicatoir arrest geregtvaardigd zoude zijn; <;:*t de omstandigheid, dat die firma hare betalingen gestaakt had en de wissels niet konde betalen, der ged. het regt gaf tot het conser>atoir beslag, vermeld in art. 305 B. R.;

'-^t bovendien de firma, voor wie de eischer qq. opkomt, nader 'er<laard had, den koop te annuleren en buiten effect te stellen, waar'*'r de ged. volkomen geregtigd was de kaas weder tot zich te nemen '»ider zich te honden , concluderende mitsdien tot niet-ontvankejj'' verklaring in of ontzegging van den eisch, met veroordeeling van " eischer qq. in de kosten ;

' ■ dat de eischer in een uitvoerige conclusie zijne beweringen nader ontwikkeld, en daarbij hoofdzakelijk opgemerkt, dat de firma . vell and Metcalfe, eerst na het afladen en de levering der kaas, 'I1 '«et schoenerschip Thames hare betalingen heeft moeten staken, rüa&r niet in staat van faillissement is verklaard; dat die firma nimvan den koop heeft afgezien , maar dat de ged. volgens overge^g1' telegram van den 17 Nov. 1870 (behoorlijk geregistreerd) den aPitein Richardson door valschelijk voorgeven, van daartoe orders , 'l tingeland te hebben ontvangen, overgehaald had, de kaas te lossen

het bezit der gedaagde firma te stellen;

0)i dat ter beslissing van het regtsgeding in de eerste plaats te l( ^zoeken is, of de ged. het regt had de verkochte en geleverde a,;;. waarvan de koopprijs niet gekweten was, terug te vorderen; jj J-, dat hiertoe vereischt wordt, dat de kooper in staat van fa.il s<iroent verkeere, dat is bij regterlijk vonnis zoodanig zij verklaard; 'y. dat het uit de overgelegde stukken blijkt, dat de firma Sewell Metcalfe niet verkeerde in staat van bankruptcy, waartoe een --'lelijk vonnis vereischt wordt, maar, volgens de bepalingen van r Engelsche regt, zelfs nog niet in staat van liquidation bij arranfeei>ient;

' » dat zoodanige toestand, ofschoon in vele opzigten met den Cü).' van faillissement overeenkomende, omdat het beheer aan een uic?tor w°rdt opgedragen , echter geen gevolg is van eene regterlijke ^!>raak;

die staat van liquidation bij arrangement, volgons de daartoe ga* ":j'te Engelsche wet van 1869 , eerst gerekend wordt in te J' .''0 de benoeming van den hustie of curator , hetgeen in casu ; " ' "led is op den 6 Dec. 1870 en dus lang na het gelegd revindit';lr arrest;

no y > dat de gedaagde firma, uit hoofde dat de koopster destijds on n'8'. 'ton g^cht worden in staat van faillissement te verkeeren , in yrC,gt'gd was de lading revindicatoir, krachtens regt van reclame jsslag te nemen en daardoor eene onregtmatige daad heeft gepleegd; oorjl' Aat het bovendien volgens de Nederlandsche wetgeving ongedti« t ° was 'let SC'1'P Thames, hetwelk volgens de eigen prodas-''} a.an ze''ree te Hellevoetsluis lag, te arresteeren,

be °ch' vo'gens art. 582 B. R., zulks verboden is, tenzij in het "■ geval daarbij uitgezonderd, en waarvan hier geen sprake is;

0, ten aanzien van het op den 11 Nov. op de lading kaas gelegd conservatoir beslag, dat dit arrest gewettigd wordt door de vrees voor verduistering, ontstaan door de weigering van betaling van geaccepteerde en vervallen wissels en het berigt, dat de schuldenares had opgehouden te betalen, waaruit volgt, dat het leggen van dit arrest, hetwelk met verlof van den voorzitter der Arrond.-Regtbank te Brielle en met in-acht-neming van de vereischte formaliteiten heeft plaats gehad, ten onregte door den eischer qq. als eene onregtmatige daad is gequalificeerd;

O. ten aanzien van de afgifte van de kaas door den gezagvoerder van het schip Thames , dat het ten processe niet blijkt, dat de firma Sewell and Metcalfe, van den koop van de ingeladen kaas zoude hebben afgezien en de koop-overeenkomst dien ten gevolge als geannuleerd zoude moeten beschouwd worden, daar het integendeel uit onderscheideue geproduceerde stukken blijkt, dat de koopster den koop wilde gestand doen en den kapitein gelast heeft met zijne lading naar Ipswich over te komen ;

dat uit een telegram van den 16 Nov. 1870 (waarvan de registratie boven is vermeld) blijkt, dat de gedaagde firma aan meergenoemden kapitein Richardson last heeft gegeven de kaas te lossen en aan haar af te geven volgens orders uit Engeland, terwijl het ten processe niet blijkt, en door den eischer ontkend wordt, dat zoodanige orders door de koopster gegeven zijn;

dat het derhalve daarvoor moet gehouden worden , dat de gedaagde firma voorgewend heeft die orders van de firma Sewell and Metcalfe te hebben ontvangen, en daardoor den kapitein te hebben overgehaald de lading te lossen en aan haar af te geven ;

0., dat deze daad, waardoor de kapitein, die in de gedaagde firma vertrouwen stelde, is misleid geworden , teregt door den eischer qq. als een onregtmatige daad is beschouwd;

O., dat door de bovengenoemde onregtmatige handelingen van de gedaagde firma, de boedel, waarvoor de eischer qq. optreedt, schade heeft geleden, daar de gekochte en geleverde kaas aan dien boedel onttrokken is, en dat de gedaagde firma, die bovendien weigert de kaas terug te geven, als oorzaak dier schade verpligt is die te vergoeden ;

O., dat de ged. niet in allen deele in het ongelijk is gesteld er er alzoo gronden zijn tot gedeeltelijke compensatie van kosten ;

Gezien art. 1401 B. W., art. 232 W. K., en artt. 305 en 582 , mitsgaders art. 56 B. R.;

Veroordeelt de ged., om aan den eischer qq. te vergoeden de door hare bovenomschreven onregtmatige in-beslag-nemingingen, zoo van het zeilree liggende aan de firma Sewel and Metcalfe in eigendom toebehoorend en bij haar in gebruik zijnde schoenerschip Thames, als van de mede aan de firma Sewell and Metcalfe in eigendom toebehoorende en in de dagvaarding omschreven partijen kaas, en door het daarna zonder eenig regt of titel hoegenaamd , zich in het bezit doen stellen en niet teruggeven van deze, aan de gezegde firma in eigendom toebehoorende en bovenvermelde partijen kaas, bij de firma Sewell and Melcalfe haren boedel of massa reeds geleden of nog te lijden , schade, kosten en interessen, nader op te maken bij staat;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij lijfsdwang tegen de individuele leden der gedaagde vennootschap, zoo de door haar verschuldigde vergoeding van kosten, schade en interesen , de som van f 150 te boven gaat;

Compenseert de kosten van het regtsgeding, in voege dat drie vierde door de gedaagde firma en een vierde door den eischer qq, zullen worden gedragen.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE BRIELLE. i!iir$erlijk(! kamer.

Zitting van den 11 April 1872.

Voorzitter, Mr. W. F. van Deinse.

Regters: Mrs. J. H. Verschoor en W. J. Karsten.

Enkele nalatigheid in het doen van behoorlijke aangifte van een paard, zoo als in casu bij de dagvaarding is ten laste gelegd, valt niet in de strafbepaling van art. 39 der wet van 29 Maart 1833.

Het ten laste gelegde feit levert ook geen enkel ander misdrijf op, zoodat de beklaagde van alle regtsvervolging behoort ontslagen te worden.

De minister van ïïnantiën, eischer,

tegen

M. S., koopman en rijtuigverhuurder te Zwartewaal, gedaagde.

De Regtbank enz.,

Gezien de geregistreerde acte van dagvaarding dd. 8 Maart 1872 , ter requisitie van Zijne Exellentie den heer minister van Finantiën . en ter vervolging en voortzetting van den heer provincialen inspecteur der directe belastingen, in- en uitgaande regten en accijnsen te Rotterdam, aan den ged. beteekend, en inhoudende vermelding van het feit aan hem ten laste gelegd;

Gehoord de voordragt der zaak door den rijks-advokaat Mr. Verniers van der Loefi' , te Rotterdam;

Gezien het proces-verbaal den 23 Sept. 1871 door I. Wïjnperle en J. J. Matthijssen, ambtenaren bij het vak der directe belastingen, in- en uitgaande regten en accijnsen, gestationeerd te Nieuwesluis , opgemaakt ten laste van den ged., welk proces-verbaal behoorlijk is geregistreerd en ter openbare teregtzitting is voorgelezen;

Gehoord, alsmede de voorlezing van de vraag sub n°. 15 en van de vraag en het daarachter door den ged. ingevulde antwoord sub n". 18, van het aan den ged. uitgegeven besehrijvingsbiljet voor de belasting op het personeel over het dienstjaar 1871/72 ;

Gehoord het requisitoir door den rijks-advokaat genomen , strekkende : dat de Regtbank bij haar in deze te wijzen vonnis zal verklaren bewezen het bij dagvaarding den ged. ten laste gelegde; dat zij hem mitsdien zal schuldig verklaren aan de bovengestelde overtreding en hem te dier zake zal veroordeelen in eene boete van f 85 , alsmede in de kosten op de bekeuring en de vervolging gevallen, boete en kosten verhaalbaar bij lijfsdwang;

Gehoord de verdediging, namens den ged. voorgedragen ;

Gehoord de conclusie van den officier van justitie , strekkende : dat het der Regtbank moge behagen, den ged. vrij te spreken van de aanklagt tegen hem ingebragt, en hem vrij te stellen van de betaling der kosten van dagvaarding en schadeloosstelling der getuigen door hem opgeroepen , met veroordeeling van den Staat in de kosten;

Overwegende, dat door de ter teregtzitting afgelegde bekentenis van den ged., bevestigd door voormeld proces-verbaal, wettig en overtuigend is bewezen, dat de ged. op 3 Aug. 1871, te Nieuwersluis , gemeente Heenvliet en op 22 Sept. daaraanvolgende te Zwartewaal, en alzoo in den loop van het dienstjaar voor de personele belasting 1871/ 72, een paard heeft gebezigd en in gebruik gehad voor een rijtuig, rustende op veeren;

dat mede door de bekentenis van den ged., in verband met voormeld beschrijvingsbiljet, wettig en overtuigend is bewezen, dat de ged. voor de personele belasting over genoemd dienstjaar , sleehts aangifte

heeft gedaan van één paard, vallende ia de derde klasse, eerste soort, omschreven bij art. 20 fF, 4a, der wet van den 29 Maart 188Ï (Stbl. no. 4) ;

O., dat de ged. tot zijne verdediging in de eerste plaats heeft aangevoerd, dat hij zich door de bedoelde aangifte behoorlijk van zijne verpligting zoude hebben gekweten, aangezien hij zoude zijn een landbouwend persoon in eigen gebruik hebbende het bij de wet vereischte aantal bunders wei- en hooiland ;

0., dat deze verdediging niet kan opgaan ;

dat toch bij gemeld art. 20 , ff 4, onder meer is bepaald, dat da 'paarden van een landbouwend persoon, alleen dan in de derde klasse worden toegelaten, wanneer hij , des winters op eene andere plaats wonende dan des zomers, zijne paarden ook des winters houdt in de gemeente, alwaar het bij hem in gebruik zijnde land gelegen is ;

dat zoowel uit die bepaling, als uit de beweegredenen, welke aau de bij art. 20, ff 4, ten behoeve van den landbouwersstand, op art. 20 , ff 2 , dier zelfde wet gemaakte uitzondering, kennelijk ten grondslag ligt, noodwendig volgt, dat het land, waarvan het gebruik voor de aangifte van paarden in die klasse een vereischte is, moet gelegen zijn in dezelfde gemeente, alwaar de paarden gehouden worden ■

dat nu, daargelaten de vraag, of de ged. bewezen heeft een landbouwend persoon te zijn, en het vereischte aantal bunders wei- of hooiland in eigen gebruik te hebben, hij in geen geval het op hem rustende bewijs heeft geleverd, dat het door hem in gebruik bezeten land, was gelegen in de gemeente Zwartewaal, zijnde de gemeente alwaar hij blijkens meergemeld beschrijvingsbiljet het paard, als door hem gehouden, heeft aangegeven;

O., dat mitsdien door voormelde bewijsmiddelen het aan den ged, bij de acte van dagvaarding ten laste gelegde feit, wettig en overtuigend is bewezen ;

O. echter, dat bij art. 39 der wet van den 29 Maart 1833 {Stbl. o". 4), welks toepasselijkheid in dezen door den rijks-advokaat beweerd is, op het zich niet, of niet behoorlijk kwijten van de verpligting , tot het doen van eenige bij de wet gevorderde aangifte alleen dan straf bedreigd is, wanneer door die nalatigheid de verschuldigde belasting is verkort, of daartoe onmiddellijk aanleiding is gegeven;

dat derhalve op de enkele nalatigheid in het doen van behoorlijke aangifte, zoo als die in casu bij de dagvaarding is ten laste gelegd , da strafbepaling van dat artikel niet van toepassing is;

0., dat het ten laste gelegde feit mitsdien geene overtreding van gemeld artikel, in verband met art. 20 dier wet oplevert, en het dus overbodig is te onderzoeken en te beslissen omtrent de gegrondheid of ongegrondheid van de door den ged. in de tweede plaats ter zijner verdediging gedane bewering, dat door hem in casu de verschuldigde belasting inderdaad niet verkort, noch daartoe aanleiding is gegeven, omdat hij gedurende het jaar 1871 , en wel bepaaldelijk ook in bet tijdsverloop tusschen de maanden «Vlei en September van dat jaar, ook nog uitoefende het beroep van rijtuigverhuurder, eu daarvoor ook patent genomen had;

Gezien, behalve de voormelde wets-artikelen, art. 50 der wet van 29 Maart 1833 (Stbl n°. 4), en de artt. 222 , 227, 230 , 234 en 210 Strafvord.;

Regt doende enz.,

Verklaart dat het feit, den ged. bij de akte van dagvaarding ten laste gelegd, wettig en overtuigend is bewezen, doch geene overtreding van de wet van den 29 Maart 1833 (Stbl. n„. 4), noch eenig ander misdrijf oplevert;

Ontslaat den ged. van alle regtsvervolging te dier zake, an veroordeelt den eischer in de kosten van het regtsgeding.

(Gepleit Mr. J. Rombach , advokaat te Rotterdam.)

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE AMERSFOORT.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 13 Maart 1872.

Voorzitter, Mr. A. R. van Bel.

Is een notaris, die als zoodanig boomvruchten en te veld staande gewassen verkoopt op tijd, geregtigd op eigen naam het door de gebrekige koopers verschuldigde, van hen in te vorderen 1 — Neen.

Mr. «J. van der Leeuw en F. J. Beeftink, in hunne hoedanigheid van provisionele bewindvoerders in den boedel van Mr. v. D., vroeger notaris te Z., eischers, procureur Mr. J. vak deb Leeuw , tegen

J. Wijnbergen, landbouwer, wonende te Odijk, gedaagde, procureur M. L. Colosse.

De Regtbank enz.,

Gelet op de conclusiën van den officier van justitie , daartoe strekkende , dat de vordering der eischers zal worden toegewezen, met veroordeeling van de ged. in de kosten van het geding ;

Overwegende ten aanzien der daadzaken :

dat de eischers, als bewindvoerders der goederen en belangen van den afwezigen Mr. v. D., vroeger notaris te Z., van den ged. vorderen de som van f 743.71 , met de renten sedert den dag der dagvaarding tot de geheele voldoening toe, ter zake van door den ged. op eene publieke verkooping van boomvruchten en veldgewassen, gehouden den 8 Aug. 1870 te Zeist, door voornoemden notaris, ten overstaan van getuigen, gekochte vruchten en gewassen, met de daarop gevallen onkosten, bedragende f 676.10, verhoogd wegens wanbetaling op den daartoe bepaalden tijd met 10 pet. en alzoo met f 67.61, overeenkomstig de voorwaarden van verkoop, welke som van/"743.71, ged. weigerachtig is gebleven aan eischers of hunnen auteur te betalen , op grond dat zij hebben geconcludeerd, dat hij zal worden veroordeeld tot betaling dier gelden, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en in de kosten van het regtsgeding; terwijl zij zich tot staving hunner vordering beroepen op het door Mr. v. D. gehouden proces-verbaal van verkoop, hetwelk bij extract is overgelegd;

dat de ged. bij antwoord erkent destijds de bedoelde vruchten en gewassen te hebben gekocht en daarvoor schuldig te zijn geweest f 676.10, doch beweert daarop in mindering aan Mr. v. D. tempore utili betaald te hebben f 500, terwijl hem toen door dezen voor de betaling der restant-som van f 176.10 uitstel is verleend tot het einde van Maart 1871 , op welk tijdstip echter Mr. v. D. was verdwenen, met achterlating van een desolaten boedel, waarom hij ged. ongenegen was dat restant te betalen, alvorens hij eene kwijting had ontvangen der vroeger betaalde f 500; dat hij alsnog bereid is en aanbiedt voorzegde ƒ 176.10 te betalen, doch alleen aan den tot die ontvangst wettelijk geregtigde, en tegen volledige kwijting van al wat hij ter zake voorschreven schuldig is geweest; dat ged., zich beroepende op de onsplitsbaarheid zijner bekentenis, overigens de door eischers gestelde daadzaken ontkent, de bewijskracht van het procesverbaal der gehouden verkooping betwist en in ieder geval tegenspreekt, dat daarom Mr. v. D. zelf, en nog veel meer dat de eischers namens hem, een regt van vordéren zouden ontleenen, weshalve de ged. concludeerde tot niet-ontvankelijk-verklaring der eischers, of althans tot ontzegging hunner vordering , met veroordeeling in de kosten van het geding, terwgl de ged., onder referte aan de prudentie

Sluiten