Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dingsdag, 11 Junij 1872. N°. 5462.

WEEKBLAD VAN HET REGT.

KEGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

VIER-EN- DER TI GS TE JAARGANG. JUS ET VERITAS,

DU blad verschijnt des Maandags en Donderdags, en om de veertien dagen ook les Dingsdags. -Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der advertentiën, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke kamer,

Zitting van den 3 Mei 1872.

Voorzitter, Mr. F. de Greye.

Geheotelijke bekentenis. — Schriftelijke bescheiden. — Algemeene boedelpapieren. — Artt. 1961 en 1128 Burg. Wetb.

Zijn de artt. 1903, 1912, 1960 en 1961 B. W. geschonden en verkeerd toegepast, door als onafscheidelijk deel eener geregtelijke bekentenis te beschouwen schrijtelijke bescheiden, door de partij zelve, tegen welke men zich daarop beroept, in het geding gebragt? — Neeu.

Onderscheidt art. 1128 B. W. tusschen die algemeene boedelpapier en, welke reeds tijdens de scheiding bekend en aanwezig waren, en die, welke na de scheiding zijn gevonden ? — Neen.

N. van der Werff, eischer in cassatie, procureur Mr. J. van der

jaot ,

tegen

lï. Sinia c. s.t verweerders, procureur Mr. C. J. fran901s. De adv.-gen. Romer heeft in deze zaak genomen de volgende

conclusie :

Edel Hoog Achtbare Beer en, President en Raden.' De voorziening in cassatie, ingesteld tegen het arrest, door het Prov. Geregtshof van 1'rii. and op den 4 Jan. 1871 in hooger beroep tusschen partijen gewezen, berust op twee middelen.

Het eerste middel luidt: schending en verkeerde toepassing der artt. 1903, 1912, 1960 en 1961 B. W., door als onafscheidelijk deel eener geregtelijke bekentenis te beschouwen, en dus art. 1961 B. W. daarop toe te passen, schriftelijke bescheiden, door de partij zelve, tegen welke men zich daarop beroept, in het geding gebragt.

De bewering van den eischer komt hierop neder, dat het Hof' den inhoud der schriftelijke bescheiden niet heeft onderzocht, maar die stukken heeft beschouwd als een deel der bekentenis en daarmede onafscheidelijk verbonden, en op die wijze eene splitsing van de bev ij smiddelen in het algemeen heeft ongeoorloofd geacht, ofschoon d£?alleen voor één bewijsmiddel, namelijk de bekentenis, in de wet ls verboden.

Het middel is feitelijk ongegrond. Het Hof heeft niet beslist, dat Pohriftelijke bescheiden in een geding niet mogen worden afgescheiden Van eene bekentenis, en dat mitsdien de feiten, door die onderscheiden bewij&middelon gebleken, niet mogen worden gesplitst, maar alleen dit, dat de verweerders bij hunne eerste conclusie den inhoud dior stukken als een gedeelte van hunne, in dat antwoord vervatte, bekentenis hebben opgenomen ; dat die stukken ook door den eischer in cassatie als met de bekentenis één geheel uitmakende zijn beschouwd , en eene afscheiding dier stukken strijdig zou zijn met de kennelijke bedoeling der bekentenis. Het Hof heeft derhalve den inhoud dier stukken wel degelijk onderzocht en bevonden, dat de feiten, daaruit voortvloeijende, in een onafscheidelijk verband staan met die, welke in de conclusie zijn erkend. En nu maakt de wet wei onderscheid tusschen de verschillende bewijsmiddelen ; maar in '■L aangehaalde artikelen is geen verbod te vinden om de feiten, uit '-nderscheidene bewijsmiddelen gebleken, tot één geheel te maken, ras hier afgelegd eene geregtelijke bekentenis. Er waren dus 'lf:p»alde feiten in het geding erkend. Sommige dier feiten werden gestaafd door den inhoud van een overgelegden brief en van eene nota. Kn nu beslist het Hof, dat het zou zijn strijdig met de bedoeling der bekentenis om de feiten, bij de conclusie erkend, af te scheiden van die. welke uit den brief en de nota voortvloeijen. De beslissing van het Hof betreft m. i. eene waardering van ten processe gebleken feiten, en is in zooverre niet vatbaar voor een onderzoek in cassatie.

En nu luidt het dispositief: «dat alzoo ook door deze schriftelijke bescheiden de grondslag van de hoofdvordering niet is bewezen».

Door dat dictum, als betreffende eene beslissing, in hoeverre de wgtstelde regtsvordering is bewezen, kan m. i. geen van de aangehaalde artikelen geschonden of verkeerd toegepast zijn, zoodat het eerste middel van cassatie mij ongegrond is voorgekomen.

Als tweede middel is voorgesteld: schending en verkeerde toepassing vaa artt. 1123 en 1376 , n°. 1, B. W. en de artt. 237, 238 en 239 K., door, ten aanzien der tweede hoofdvordering, het incidenteel gevraagd verhoor op vraagpunten af te wijzen , ter zake eener clausuie. voorkomende in de boedelscheiding tusschen de erven van wijlen Hinia, niettegenstaande de vordering plaats had tusschen partijen, die !|'j de scheiding geene contractanten waren geweest, en betrekking au op stukken, niet in art. 1128 B. W. bedoeld.

ik moet al aanstonds betwijfelen, E. H. A. H.! of het dictum van ®et arrest, waarbij het verzoek, om de wederpartij op vraagpunten te , is gewezen van de hand, de aangehaalde artikelen van het Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering kunnen zijn geschonden, ^aiineer de regter, zoo als in casu het Hof uitdrukkelijk heeft gedaati, beslist, dat hij zoodanig verzoek mag afwijzen, indien hij daartoe teriiie,, vindt. Door die overweging in het arrest is m. i. het dictum 'eeiJs gestaafd, omdat de wet de beslissing daaromtrent geheel heeft Wergelaten aan het arbitrium judicis. Het middel is mitsdien gerigt 'egen de motieven, waarbij het Hof rekenschap geeft van zijne be,p :'ng, dat er voor het gevraagd verhoor geene termen bestaan.

epn die motieven zijn de twee gronden van cassatie gerigt.

. 'Ji de eerste plaats wordt beweerd, dat eene clausule, voorkomende !n 'le boedelscheiding, niet in aanmerking mogt worden genomen bij Be'" actie, tusschen andere partijen aanhangig gemaakt. Op die bekering ru8t (je beweerde schending en verkeerde toepassing van art.

1376. n°. 1, B. w. Bij het arrest is het artikel zeker niet toegepast.

Het dictum berust uitsluitend op art. 238 B. R. En voor eene schending van het artikel ontbreekt m. i. iedere feitelijke grondslag, omdat noch in het arrest, noch in het vonnis der Regtbank , waartoe het arrest, voor zooveel de feiten aangaat, verwijst, wordt beslist, wie partijen bij de acte van boedelscheiding zijn geweest.

Als tweede grond voor dit middel is aangevoerd, dat de afgifte wordt gevraagd van stukken, welke niet bedoeld zijn in art. 1128 B. W.; dat de vraagpunten op die stukken betrekking hadden, en het verhoor mitsdien ten onregte, op grond van dat wets-artikel, is gewezen van de hand.

Ik heb reeds aangetoond, dat het dictum van het arrest berust op art. 238 B. R., zoodat art. 1128 ten deze niet is toegepast.

En nu overweegt het Hof in facto, dat partijen hebben bedoeld de algemeene boedelpapieren, vermeld in art. 1128; «dat de overeenkomst onbeperkt luidt zonder onderscheiding tusschen bekende of onbekende, nu reeds voor de hand zijnde of later te vinden boedelpapieren». De uitdrukking boedelpapieren in art. 1128 is zoo onbeperkt mogelijk; zij omval al de papieren, die tot den boedel behooren en waarover in art. 1127 niet reeds is beschikt. Wanneer de regter nu feitelijk uitmaakt, dat sommige papieren , ten processe bedoeld, behooren tot den boedel, en dat bij eene tusschen partijen gesloten overeenkomst ook zijn bedoeld die papieren, welke later nog mogten worden gevonden, dan kan daardoor het artikel niet zijn geschonden.

En die schending kan evenmin daarin bestaan, dat de regter overweegt , dat eene vordering tot afgifte van papieren (die gerekend moeten worden tot den boedel te behooren) aan den eischer, die niet als bewaarder is aangesteld, door dat artikel niet wordt gewettigd , en op grond van die overweging beslist, dat er geene termen aanwezig zijn om een gevraagd verhoor op vraagpunten toe te staan.

Ik houd ook dit middel voor onaannemelijk, en heb de eer te concluderen tot verwerping der voorziening en veroordeeling van den eischer in de kosten, in cassatie gevallen.

De Hooge Raad enz.,

Overwegende, dat als eerste middel van cassatie is voorgesteld: schending en verkeerde toepassing der artt. 1903, 1912, 1960, 1961 en 1962 B. W., door als onafscheidelijk deel eener geregtelijke bekentenis :e beschouwen, en dus art. 1961 B. W. (bepalende de onsplitsbaarheid der bekentenis) daarop toe te passen, schriftelijke bescheiden, in het geding gebragt door de partij zelve, tegen welke men zich daarop beroept, en daardoor uit het oog te verliezen het verschil tusschen geregtelijke bekentenis en schriftelijk bewijs;

O. daaromtrent, dat dit middel berust op de stelling, dat het Hof zoude hebben regt gedaan, zoowel op eene geregtelijke bekentenis als op (op zich zelf staande) schriftelijke bescheiden, doch dat deze bewering is in strijd met den inhoud van het beklaagde arrest;

0. toch, dat daarbij feitelijk is aangenomen: 1». dat de nu verweerders in cassatie in eersten aanleg in hunne conclusie van antwoord den inhoud der bedoelde stukken hebben aangehaald en opgenomen als één gedeelte hunner in dat antwoord vervatte bekentenis, en vervolgens die stukken zelf, ten bewijze der waarheid van dit gedeelte hunner bekentenis, hebben in het geding gebragt en aan partij medegedeeld; en dat deze zelf bij repliek alles heeft beschouwd als een gezamenlijk geheel en als bevattende één verhaal, zonder in ' het minst te beweren, dat die geschriften zouden zijn op zich zelf staande stukken, die van de overige bekentenis konden en moesten worden afgescheiden, en 2». dat de door den nu eischer in cassatie voor het eerst in hooger beroep aangewende poging om zoodanige afscheiding te verkrijgen, is geheel ongeregtvaardigd; en die afscheiding zoude zijn geheel in strijd met de kennelijke bedoeling der bekentenis van de nu verweerders in cassatie, in eersten aanleg gedaan; en dat derhalve hier alleen sprake is van eene geregtelijke bekentenis , terwijl de bedoelde bescheiden slechts zijn te beschouwen als adminicula der bekentenis en als een deel daarvan;

O., dat het Hof de bedoelde afscheiding teregt heeft beschouwd als in strijd met de voorschriften der wet, dat is, met art. 1961 B.W., houdende verbod van splitsing der bekentenis ten nadeele van hem, die haar heeft afgelegd; en dat alzoo noch dat, noch de overige aangehaalde artikelen zijn geschonden ;

O., dat als tweede middel van cassatie is aangevoerd: schending en verkeerde toepassing van de artt. 1128 en 1376 , n°. 1, B. W., en der artt. 237, 238 en 239 B. R., door ten aanzien der tweede hoofdvordering af te wijzen het incidenteel verzocht verhoor op vraagpunten, en zulks ter zake eener clausule, voorkomende in de boedelscheiding tusschen de erven wijlen R. Sinia, niettegenstaande de onderwerpelijke vordering 1». plaats had tusschen , niet allen bij de scheiding-contractanten geweest zijnde, partijen, en zij 2°. betrekking had op stukken, niet bedoeld bij art. 1128 B. W., dat is, op tijdens de scheiding bekende gemeenschappelijke boedelpapieren, niet op opvordering van verduisterde, tot den boedel betrekkelijke boeken en papieren tegen hen, die ze onregtmatig in hun bezit hebben gehouden;

O., wat betreft de eerste bewering, dat deze niet wordt gestaafd door eenige feitelijke beslissing; en, wat aangaat de tweede, dat door het Hof is beslist, vooreerst, dat partijen, door de benoeming van een hunner als bewaarder der boedelpapieren, hebben bedoeld de bewaring der algemeene boedelpapieren, vermeld bij art. 1128 B. W.; en ten andere, dat de overeenkomst is onbeperkt, zonder onderscheiding tusschen bekende of onbekende, nu reeds voorhanden of later te vinden boedelpapieren; dat nu deze beslissing niet is in strijd met art. 1128 B. W., als zonder eenige beperking gewagende van de bewaring der algemeene boedelpapieren, en alzoo zonder te onderscheiden tusschen de reeds tijdens de scheiding bekende en aanwezige of later gevonden algemeene boedelpapieren; en dat derhalve ook dit middel van cassatie is ongegrond;

Verwerpt het beroep en veroordeelt den eischer in de kosten.

(Gepleit voor den eischer Mr. J. Kappeyne van de Coppello, en voor de verweerders Mr. P. L. F. Blbssé.)

Hamer van Strafzaken,

Zitting van den 2 April 1872.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

Bewijs. — Getuigen. — Enkele oetoige. — Getcigenis db auditu. — Gissing. — Motieven. — Eed.

Berust hel bewijs der ontvreemding ten deze op de verklaring van één enkelen getuige t — Neen.

Was er ten deze sprake van een getuigenis de auditu ? — Neen.

Ook van eene gissing, dan van eene regtstreeksche verklaring ? — Het laatste.

Moeten bij de opneming van de verklaringen der getuigen ook hunne redenen van wetenschap in het vonnis of het audientieblad worden vermeld ? — Neen.

Is het onderwerpelijke arrest voldoende met redenen omkleed f — Ja.

Is uit de woorden in het proces-verbaal der teregtzitting , dat de voornoemde getuigen denzelfden eed hebben vfgelegd als de eerste, op te maken, dat zij dien eed ook op dezelfde wijze als die getuige zouden hebben gedaan ? — Neen.

T. J. Barbé , oud acht-en-twintig jaren , daglooner, te Epen , gemeente Wittum, is req. van cassatie tegen een arrest van het Prov. Geregtshof in Limburg van den 21 Dec. 1871 , waarbij hij , met aanneming van verzachtende omstandigheden, is schuldig verklaard aan diefstal in een bewoond huis , door middel van buitenbraak en inklimming gepleegd, en het moedwillig toebrengen van slagen en kwetsuren, waaruit geen ziekte of beletsel om te werken is ontstaan; en te dier zake, met toepassing van de artt. 379 , 381 , n°. 4, 384 en 811, eerste lid, Strafregt, de artt. 2 en 9 der wet van den 29 Junij 1854 {Stbl. n°. 102), de artt. 1, 2 en 3 der wet van 28 Junij 1851 {Stbl. n". 68), de wet van den 24 Julij 1871 {Stbl. n°. 84), de artt. 1, al. 10 en 2, al. 3, der wet van den 22 April 1864 {Stbl. n". 29), is veroordeeld tot een jaar gevangenzetting, in eenzame opsluiting te ondergaan , in eene geldboete van / 8 en in de kosten, met bepaling, dat de boete, bij niet-betaling na wettelijke aanmaning, zal worden vervangen door eene gevangenzetting van één dag, mede in eenzame opsluiting, en met vrijspraak van de ten laste gelegde omstandigheid , dat hij den diefstal door het gebruik maken van valsche sleutels had gepleegd.

Nadat te dezer zake door den raadsheer Kalff het verslag was uitgebragt, en de advokaat van den req., Jhr. Mr. V. de Stueks, de voorziening nader bij pleidooi had toegelicht, heeft de adv.-gen. Polis de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heeren ! De req. is bij het arrest , waartegen deze voorziening is gerigt, vrijgesproken van de hem mede ten laste gelegde verzwarende omstandigheid, van tot het plegen van den diefstal , waarvan hij beschuldigd werd , valsche sleutels te hebben gebezigd, zoodat zijn beroep, voor zooverre het, als onbeperkt, ook die vrijspraak betreft, niet-ontvankelijk is.

Bij memorie en pleidooi zijn zeven middelen van cassatie voorgesteld.

Het eerste dier middelen heet: schending van artt. 433 , j°. 424 Strafvord., doordien het Hof op de afzonderlijke en niet met elkander in verband gebragte verklaringen van den man en van de vrouw Snakken den diefstal als bewezen heeft aangenomen , hoewel de man alleen de ontvreemding heeft ontdekt, en het door hem aan het huis bevondene aan zijne vrouw heeft medegedeeld, zoodat die ontvreemding slechts door de verklaring van één getuige bewezen is.

Het middel mist allen feitelijken grondslag. In de eerste overweging van het arrest wordt vermeld, wat de getuigen , de echtelieden Snakken en de brigadier der maréchaussee hebben verklaard als door hen op den 9 Oct. 1871 bevonden. En nu komt, wel is waar, onder no. 3 van die overweging voor, dat Snakken heeft opgegeven , dat hij, te huis komende, heeft bespeurd, dat een venster in de woonkamer en de deur van den zolder openstonden, dat eene kist op den zolder geopend was, de kleederen , die daarin geborgen waren geweest , op den grond lagen , en dat hij dit toen aan zijne vrouw heeft medegedeeld; maar daarop volgt onder n°. 4, wat Snakken en zijne vrouw hebben opgegeven, als door hen beiden bevonden , toen zij , na de voormelde mededeeling, naar hunne woning waren gegaan, namelijk dat uit een raam eene glasruit genomen en gedeeltelijk verbrijzeld was ; dat uit de onderste lade eener kast een stuk van 5 francs en een stuk van 1 fr. waren ontvreemd, en dat uit de kist op den zolder verdwenen waren een linnen zak met 17 of 18 stukken van 5 francs en een katoenen zak met 54 stukken van 5 francs, twee dubbele en een paar 1 francs-stukken. Het is dus in facto geheel en al onjuist, dat het bewijs der ontvreemding berust op de verklaring van één enkelen getuige, zoodat het eerste middel is ongegrond.

Ook het tweede middel berust op eene onjuiste voorstelling van hetgeen als de verklaring dei- getuigen in het arrest is opgenomen.

Bij dit middel wordt beweerd : schending van art. 434 Strafvord., omdat het Hof het bestaan van den diefstal, meer bepaald ten aanzien der inklimming, aanneemt op grond o. a. van eene getuigenis de auditu, die van de huisvrouw Snakken , welke getuige het gebeurde alleen had vernomen van haren man , en zulks vooral, omdat door het Hof als bewijsmiddel is gebezigd de verklaring dier vrouw, dat het raam der woonkamer door haren man was open gevonden, een feit, dat zij niet zelve had gezien.

De getuigenis van de huisvrouw Snakken is opgenomen in de eerate overweging sub uia. 2, 4 en 5, en daarin komt niets anders voor dan hare verklaring, hetgeen zij gedaan heeft, voordat de diefstal plaats had, wat zij in hare woning heeft bevonden, nadat haar man haar het door hem ontdekte had medegedeeld, en eene beschrijving van het vensterraam der woonkamer met betrekking tot de hoogte daarvan, en de wijze, waarop het kon geopend worden. In die verklaringen wordt met geen enkel woord gesproken over hetgeen de man aan de vrouw heeft verhaald; en deze laatste beeft dan ook

inklimming gepleegd, en het moedwillig toebrengen van slagen en

Sluiten