Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

'P c n verkeerd begrip en, gelijk teregt door het Bestuur is aangemerkt, wordt door de opposanten stuiting met schorsing verward. Aan ditzelfde euvei gaat art. 61 der wet van 22 Frimaire jaar VII mank.

In het Burgerlijk Wetboek wordt de stuiting en de schorsing der erjaring ieder in eene afzonderlijke afdeeling van den 7den titel, IVde boek, behandeld; en eene bloote lezing van de artikelen dezer afdeelingen toont de onjuistheid van liet beweren der opposanten duidelijk aan.

Het is buiten twijfel, dat de stuiting van verjaring, door opposanten zoowel als door het Bestuur bedoeld, die is, bij art. 2016 13. W. jmschreven. In dat artikel lezen wij, dat verjaring door aanmaning, ngvaardin^ en elke daad van regtsvervolging wordt gestuit, dat is, at de verjaring door dusdanige handelingen wordt afgewend, de loop Ier verjaring door die handelingen wordt geëindigd, en van af den

• ag der stuiting de oorspronkelijke verjaringstermijn op nieuw begint te loopen.

, elke daad van regtsvervolging vangt alzoo eene nieuwe verja-

• mg aan , daar door die daad de vroegere te niet is gegaan en hare werking heeft, verloren.

Schorsing daarentegen is een tijdelijk beletsel en veronderstelt, na opheffing van dat beletsel, hervatting en voortgang van den loop der verjaring.

z°o bepaalt ook art. 450 Strafvord., dat de tijd van verjaring in strafzaken aanvangt op het oogenblik , dat het misdrijf is bedreven , of ingeval van vervolging van het oogenblik der laatste geregtelijke ftcte. Ook daar wordt na elke handeling, die de verjaring stuit, een nieuwe termijn toegestaan. Conf. Djephuis , IX, § 722 , 199 , en Artstra, op art. 61, n". 783, alsmede de Dictionnaire de i académie, alwaar de navolgende definitiën voorkomen: 1<>. voor stuiten (int er'rompre) "Couper, rompre la continuité d'nne chose." (Interrompre la prescription) "Empêcher qu'une prescription ne continue*; en 2°. voor schorsen (suspendre): "différer, discontinuer , cesser pour quelque temps.//

Resumerende nu, wat door mij betreffende de exceptie van verjaag is betoogd, vermeen ik te hebben aangetoond, dat in art. 17 'Ier wet van '22 Frimaire jaar VII en art. 22 der wet van 31 Mei 1824 (Stbl. n°. 36) sprake is van werkelijke extinctive verjaring en r,iet van déchéance; dat de regelen van het Burgerlijk Wetboek, de Verjaring betreffende, op de registratiewetten en alzoo ook op gezegde enkelen van toepassing zijn; dat mitsdien de verjaring van twee i&ren door de regtshandeiingen van het Bestuur wettigiijk is gestuit, ,

elke termijn ook als aanvangstermijn voor die verjaring worde aangenomen, als zijnde door iedere daad van stuiting een nieuwe termijn

an twee jaren voor net pestuur geopend; en dat bovendien, al naa •en deze geene stuiting van verjaring plaats gevonden , de vordering van het Bestuur toch niet als verjaard beschouwd kan worden, daar r,et Bestuur verkeerde in staat van '/non valentem agere" tot op het ijdstip, waarop het vonnis van 12 Nov. 1868 in kracht van gewijlde gegaan was, zijnde den 3 Oct. 1869, op den wettigen termijn van drie maanden na de beteekening aan alle partijen, door geene daden 'an berusting dien termijn hebben vervroegd; en acht op die gronden de exceptie van verjaring ongegrond.

Ad 111"'». De zaak au fond.

De vordering tot waardering, vervat in de insinuatie van het gedoseerde Bestuur, op 30 Sept. 1871 aan de opposanten beteekend, ïs gebaseerd op de bewering van dat Bestuur, dat de hier te lande gelegene onroerende goederen , welke den heer F. C. J. Baron von enningen uit de nalatenschap van wijlen den heer F. C. Th. Baron f isendoorn a Blois van Cannenburg waren aangekomen , en welke goederen de eerste opp. door aankoop van gemelden heer von Ven■nngen in eigendom had verkregen, bij de koopacte van 31 Jan. 1867 ■echts op f 1000 begroot waren , niettegenstaande die goederen op ^et oogenblik van dien overgang eene koopwaarde hadden van ^ 515,600. Die waardering wordt door het Bestuur gevorderd, ten einde zoo doende de waarde der ten gevolge dier acte van verkoop °vergedragene goederen te bepalen en daarvan het evenredig regt van 0vergang te heffen.

,^e bestrijding dier vordering door de opposanten, wat de zaak au fond betreft, berust op de stelling, dat de acte van 31 Jan. 1867 , vaarbij door den heer von Venningen aan den eersten opp. werden overgedragen al zijne erf- en eigendomsregten op de nalatenschap van wijlen den heer l>aron van Isendoorn, niet is eene acte "translatif " propriété de biens immeubles" , doch alleen eene acte van cessie >f verkoop van het door den verkooper gepretendeerd erfregt, en alzoo een onligchamelijk en voor waardering onvatbaar regt, welks bestaan, omvang en betrekking tot eenige goederen geheel onzeker was, en waarin geen enkel onroerend goed bij name genoemd wordt.

Het Bestuur vermeent, dat bij die acte onroerende goederen zijn overgedragen en mitsdien evenredig regt verschuldigd is. Dat regt ,s gevestigd op de waarde (art. 4 der wet van 22 Frimaire) ; en daarom wordt waardering gevraagd en wordt geheven volgens 'jQT1 aard der acten en overgangen, daaraan onderworpen (art. 2 der wet).

Allereerst alzoo zal de aard der bewuste acte behooren te worden onderzocht, waarbij tevensin aanmerking zal moeten komen, welke regtsgevolgen de acte voor partijen heeft ten gevolge gehad, welke regten

en titels daardoor zijn verkregen.

Ce

aard eener acte wordt bepaald door de strekking van de handelingen of overeenkomsten van partijen, daarin vervat. Het vezen eener acte moet blijken uit de bedoeling van partijen bij het buiten der zelve, en niet alleen uit den naam, dien partijen aan de acte gegeven hebben.

Bij de acte, op den 31 Jan. 1867 ten overstaan van den notaris • L. Wiercx, te 's Gravenhage, verleden, worden door den verkooper öaQ den kooper gecedeerd alle erfregten en eigendomsregten, welke f f verkooper bezat uit de nalatenschap van wijlen den heer Baron ^ Isendoorn , wiens hoogst aanzienlijk vermogen (zoo luidt de acte zelve) en goederen, roerende en onroerende, zich hoofdzakelijk in Nederland en België bevonden, welke verkoop is aangegaan voor -ene som van f 1000 , terwijl de kooper zich bij dezelfde acte o. a. ^erbindt5 na erkenning der boven omschreven regten, en nadat de kooper alzoo in bet bezit van al de eigendommen der door dien Eerkoop aan hem verkochte erfenis zal zijn gesteld, drie vidrde gedeelte daarvan weder aan den verkooper af te staan.

Deze acte had alzoo tot aan de erkenning van den verkooper als Ophebbende op de helft der goederen dier nalatenschap, bij uw v0nr,is van 12 Nov. 1868 uitgesproken, of liever tot op het tijdstip, waarop <ja{. vonnis bracht van gewijsde had bekomen, geen dadelijk regtsgev0igj dan alleen voor zooveel de vastgestelde verkoopprijs van J 1000 betrof voor welke waarde dan ook op den 1 Febr. 1867 a°?r den ontvanger der registratie te 's Hage een evenredig regt is geheven. Toen reeds is de acte beschouwd als «translatif de propriété» , en heeft de eerste opp. zich tegen deze heffing niet verzet. °°r het overige, ook voor zooveel betreft de verpligting van den °°pcr tot uitkeering van drie vierde gedeelten der goederen, cons a^eert de acte eene verbindtenis onder eene opschortende voorwaarde , van welke de bepaalde werking afhangt van de erkenning van den verkooper als regthebbende op een deel der nalatenschap. b r

Het valt alzoo niet te ontkennen, dat de overeenkomst, welke het °n erwerp der acte uitmaakt, ten deele van eene onzekere en toe¬

komstige gebeurtenis afhankelijk was, en de acte alzoo in allen opzigte geen dadelijk regtsgevolg kan hebben, daar de regtstitel voor den eersten opp. niet geheel volledig was, vóórdat het vonnis van 12 Nov. 1868 in kracht van gewijsde was gegaan.

De natuur der acte kan daardoor echter niet veranderen. De al of niet vervuiling eener voorwaarde, bij de acte gesteld, kan op de bedoeling van de partijen van geenen invloed zijn. Volgens art. 1297 B. W. werkt de verbindtenis achteruit, indien de voorwaarde vervuld is, tot den tijd, waarop zij is geboren. In dat geval alzoo wordt de acte de titel der overeenkomst, en kan dus ook het regt bij de vervalling der voorwaarde op de acte worden geheven. Aan den eersten opp. is bij de acte verkocht het erfregt op eene nalatenschap, waartoe voor een hoogst aanzienlijk bedrag vaste goederen behooren. Dit is in confesso en staat in de acte zelve vermeld, in welke zelfs is opgegeven, w&ér die goederen gelegen zijn.

Daarbij was die nalatenschap door den dood van den erflater op 9 Dec. 1865 reeds opengevallen en alzoo, dit kan vrijelijk worden aangenomen, aan partijen tijdens het sluiten der overeenkomst en het opmaken der acte niet ten eenemale onbekend.

Desniettegenstaande wordt door opposanten volgehouden , dat niet dan een onligchamelijk regt, voor waardering onvatbaar , door den eersten opp. gekocht zou zijn, tegen welke bewering al dadelijk kan worden aangevoerd, dat bij art. 564, n°. 8, B. W. dergelijke onligchamelijke regten, fictione juris, ten gevolge van het voorwerp, waarop zij betrekking hebben, tot onroerende zaken verklaard worden.

Doch daarenboven, de waarde van het verkochte kon, wel is waar, uit de acte niet verder blijken dan tot een bedrag van ƒ1000. Alle regtsgevolgen, uit de acte voortgesproten, staan na de erkenning van den verkooper als regthebbende op een deel der nalatenschap in allen opzigte vast, even als de waarde der onroerende goederen, tot het erfdeel van den verkooper behoorende, nadat diens aandeel bij acte van scheiding is toebedeeld.

De bewering van opposanten, dat alléén verkocht is eene zaak, voor waardering onvatbaar, is mitsdien ongegrond. Zij berust voornamelijk op de omstandigheid, dat geene onroerende goederen bij name genoemd zijn: eene omstandigheid, die niet afdoende is, omdat blijkbaar is, welke goederen bedoeld worden, en de waarde daarvan kan worden aangetoond, en die niet in aanmerking mag komen, omdat zij alleen van de willekeur van partijen, die de acte sluiten , zelve afhangt, terwijl zij bovendien in de acte zelve wordt weêrsproken door de bepaling, dat de kooper, na de in-bezit-stelling der goederen, verpligt zal zijn die tegen 75 pet. der waarde weder aan den verkooper af te staan, welke bepaling niet alleen eene waardering mogelijk veronderstelt, maar die zelfs verpligtend en noodzakelijk maakt.

Gelijk bij de behandeling der exceptie van verjaring reeds door mij is betoogd, kon het Bestuur niet tot waardering ageren, vóórdat het vonnis van 12 Nov. 1868 in kracht van gewijsde was gegaan. Doch op dat tijdstip stond dan ook vast, dat de overdragt van onroerend goed het voorname onderwerp der acte uitmaakt, en dat, ten gevolge van die acte, werkelijk onroerend goed onder bezwarenden titel in eigendom was overgedragen, terwijl bovendien uit de acte van scheiding der nalatenschap met zekerheid kan worden afgeleid, dat de waarde, in de acte als verkoopprijs opgegeven, in geene de minste verhouding stond met de werkelijke verkoopswaarde van al het onroerend goed, hetwelk bij de acte verkocht en in eigendom aan den eersten opp. was overgegaan.

Door de opposanten wordt nu, wel is waar, aangevoerd, dat de opgave van eene som als koopprijs in de acte van / 1000 alleen geschied is, omdat partijen geheel en al buiten staat zijn op te geven, voor welke waarde aan vaste goederen, tot die nalatenschap behoorende en tot voorloopige berekening der registratie , nogtans zonder eenige consequentie hoegenaamd en elks regt geheel en al ongepraejudicieerd latende, —doch 1°. is boven reeds aangetoond, dat hunne onkunde omtrent de tijdens het sluiten der acte reeds opengevallen nalatenschap niet zóó absoluut was, dat de waardering in de verste verte onmogelijk scheen, en althans de opgave van eene som van slechts f 1000 niet te regt vaardigen is ; 2o. was het geen gebiedend voorschrift voor partijen, de waarde der onroerende goederen bij de acte uit te drukken, ten ware zij welligt wenschten te voorkomen, dat, overeenkomstig art. 10 der wet van 16 Junij 1832 [Stbl. n°. 29), vervangende art. 16 der wet van 22 Frimaire jaar VII, bij gebreke van zoodanige opgave en bij weigering hunnerzijds om die waarde bij deugdelijk verklaarde en onderteekende opgave aan den voet deiacte aan te vullen, de begrooting door den rijks-ontvanger zeiven zoude geschieden, die welligt, met het oog op de hoogst aanzienlijke nalatenschap van den erflater en diens bekende uitgestrekte vaste goederen in dit Rijk, de waarde der overgedragene onroerende goederen aanmerkelijk hooger dan f 1000 zou gesteld nebben; 3°. volgt immers : uit de vermelding in de acte, dat de opgave van f 1000 als koopprijs slechts strekken moest tot voorloopige berekening der registratieregten, als het ware van zelf, dat later eene definitieve berekening moet volgen, en, waaneer blijkt, dat de opgave te laag gesteld is, door het Bestuur waardering kan gevorderd worden; en 4 -. kan de clausule, in de acte voorkomende en waarop opposanten zich beroepen, nogtans, zonder eenige consequentie hoegenaamd en elks regten geheel en al ongepraejudicieerd latende, aan het Bestuur het regt niet ontnemen om ook zijne regten te doen gelden, waar het vermeent, dat die door ontduiking van wettig verschuldigde registratieregten zijn geschonden.

De vordering tot waardering wordt eindelijk door de opposanten bij memorie van dupliek nog bestreden, op grond , .dat niet aliunde zou mogen bewezen worden, dat de acte onroerende goederen overdraagt.

Waar alleen een '/droit d'acte" kan worden geheven, mag natuurlijkerwijze slechts de acte zelve en haar inhoud in aanmerking komen, en alleen de acte geraadpleegd worden. Waar echter, gelijk hier de regtsgevolgen, uit de acte voortgesproten, overgang van vast goed constateren, en alzoo re vera overgang bij de acte plaats heeft, daar is het Bestuur, ingeval de acte zelfs de gegevens tot heffing van het verschuldigde regt niet of niet ten volle bevat, allezins bevoegd een onderzoek in te stellen naar de waarde der overgedragene goederen. Blijkt uit dat onderzoek, dat de wettig aan den Staat verschuldigde regten zijn onthouden en ontdoken, dan heeft het Bestuur de bevoegdheid, uit krachte van art. 17 der wet van 22 Frimaire jaar VII, de waardering te vorderen, wanneer, gelijk hier, de overdragt bij onereusen titel heeft plaats gehad.

Bovendien wordt de bedoeling van partijen niet aliunde, maar alleen uit de acte zelve bewezen; alleen de bewijsgronden voor de vordering van het Bestuur tot waardering zijn van elders geput, en het Bestuur heeft tot staving van zijne vordering niets bijgebragt wat in eenig opzigt in strijd met de acte zelve kon geacht worden (met uitzonde, ring alleen der vermelde koopwaarde ad f 1000); doch expliceert de acte uit het vonnis uwer Regtbank van 2 Dec. 1869, waarbij de door hetzelve ingestelde vordering destijds praematunr is verklaard ; bewijst zijne vordering tot waardering door uw vonnis van 12 Nov. 1868 en door de acte van scheiding, ten gevolge van dat vonnis tot stand gebragt, en beroept zich op laatstgemelde acte, om de waarde der overgedragene onroerende goederen te kunnen bepalen en aan te toonen , dat de uitgedrukte koopprijs in die acte verre beneden de werkelijke koopwaarde is gesteld. Alzoo, door den eersten opp. is bij de acte van 31 Jan. 1867 , wel is waar, een erfregt ge¬

kocht (welk regt bovendien, volgens art. 564 B. W., wanneer het onroerende goederen bevat, met onroerend goed wordt gelijkgesteld). Het regtsgevolg voor den kooper, uit die acte voortgesproten , is re vera geen ander dan eigendoms-overgang van eene aanzienlijke waarde aan vaste goederen; die acte behoort alzoo te worden aangemerkt als eene "acte translatif de propriété de biens immeubles a titre onéreux". Het is niet weêrsproken , dat de uitgedrukte som van ƒ1000 als koopprijs in de acte verre beneden de echte koopwaarde of het tijdstip der vervreemding is. De vordering tot waardering, door het Bestuur der Registratie en Domeinen , uit kracht van art. 17 der wet van 22 Frimaire jaar VII, ingesteld, is in allen deele geregtvaardigd, welk gevoelen door de meeste schrijvers over registratieregt gedeeld wordt, met name door Champ. et Rig., n°. 3276, van Hoytema, n°. 134, Vroom, pag. 61, Dalloz in voce "Enrégistrement" , n°. 4710, en Bartstra. , n°. 360, benevens de aldaar aangehaalde schrijvers. Zie mede vonnis der Regtbank te Heerenveen, dd. S Jan. 1834, P. W. 1/1834, pag. 26.

Op grond van al het bovenstaande heb ik de eer te concluderen: dat het der Regtbank moge behagen, het door opposanten gedaan verzet en protest tegen de hun bij exploit van 30 Sept. 1871 aangezegde geregtelijke waardering van onwaarde te verklaren; en de vordering, bij dat exploit gedaan, te handhaven, met verklaring, dat de opposanten gehouden zullen zijn alsnog binnen een door de Regtbank te bepalen bekwamea termijn , na het beteekenen van het in deze te wijzen vonnis, een deskuadige te benoemen; en met bepaling, voor het geval, dat daaraan niet wordt voldaan, dat door de Regtbank ex officio een deskundige voor de opposanten zal worden aangesteld, op de aanvrage daartoe door's Rijks ambtenaar, ten einde gezamenlijk met dien, van de zijde van het Bestuur benoemd, en in het exploit van 20 Sept. 1871 aangewezen, de waardering te doen, alles met veroordeeling van de oj^posanten in de kosten dezer procedure.

ARRONDISSEMENTS-RKGTBANK TE AMSTERDAM.

Tweede kamer.

Zitting van den 20 September 1871.

Voorzitter, Mr. A. van Eyk Bijleveld.

Regters: Mrs. P. J. Suringar en P. R. Feith.

Bevrachting gesloten onder de voorwaarde om te laden »a full and complete cargo of lawful marchandise" , en onder het beding, dat de vervrachter de lading aan boord zou nemen "according to the custom of the port of Mavanas.

J. Herbert, rendant, procureur Mr. C. J. Asser,

tegen

Meek, gerendeerde, procureur F. E. Dammers.

De Regtbank enz.,

Overwegende in fado:

dat de rendant, oorspronkelijk eischer in reconventie , bij arrest van het Prov. Geregtshof in Noordholland dd. 14 Jan. 1869 en bij vonnis dezer Regtbank dd. 3 Aug. 1869 veroordeeld om aan den gerendeerde, oorspronkelijk ged. in reconventie , te doen rekening en verantwoording , betreffende een tusschen partijen gesloten bevrachtingscontract van het door rendant gevoerde schip, — heeft gedaan eene rekening , waarop onder meer ten zijnen laste voorkwam een post, luidende: 70 ton niet beladen ruimte a 70/3 per ton pd. st. 245 ;

dat de gerendeerde, ofschoon erkennende, dat de opgegeven ruimte in het schip onbeladen is gebleven, dien post heeft bestreden, op grond, dat de rendant zich bij de cherte-partij zou hebben verbonden "to take on board the home ward cargo according to the custom of the port of Havana" ; dat het een bestendig en algemeen erkend gebruik is te Havanna, dat, bij het laden van schepen met vaten (hogshead) suiker, honig of melasse, op elke 100 vaten 10 tierces of 20 barrels moeten geleverd worden; dat een schip, nnar dezen maatstaf geladen, moet geacht worden eene volledige en complete lading te hebben, ook zelfs wanneer daardoor eene onbeladen ruimte van 70 ton overblijft, en dat te Havanna in den regel alleen suiker in vaten (hogshead of barrels) wordt afgeleverd, zoodat eene andere verpakking van dat artikel aldaar geheel in strijd is met de usance;

dat de Regtbank, bij interlocutoir vonnis van 27 Mei 1870, aan den gerendeerde heeft toegestaan het bewijs der door hem gestelde usance te leveren;

dat dit bewijs inderdaad geleverd is door het hooren van vijf getuigen, die, blijkens het daarvan opgemaakt proces-verbaal, onder eede verklaard hebben , dat de door den gerendeerde geposeerde verhouding van 10 tierces op 100 vaten suiker bij inladingen te Havana door een bestendig en algemeen erkend gebruik gevorderd wordt;

dat de rendant de toepasselijkheid dezer gewoonte op de vraag, welke partijen thans verdeeld houdt, bij pleidooi heeft bestreden, op grond, dat de aangehaalde woorden der cherte-partij niet geacht kunnen worden eene verwijzing daarnaar te bevatten, en de vraag veeleer beslist moet worden naar het gewone Engelsche regt, hetwelk vordert, dat, althans wanneer in de cherte-partij van "broken stowage// sprake is, gebroken stuwaadje worde geleverd, om tot eene volle en complete lading te geraken;

0. in jure :

dat het tusschen partijen in confesso is, dat, bij de op 22 Jan. 1866 tusschen hen aangegane cherte-partij , de gerendeerde bevrachter zich verbonden heeft om «a full and complete cargo of lawful marchandises" te laden en de rendant vervrachter, om de lading aan boord te nemen "according to the custom of the port of Havana" ;

dat, naar de voorstelling des rendants, deze bepaling, waarin eene verpligting van den schipper omschreven wordt, alleen ten doel zou hebben de wijze te regelen , waarop het ingeladen goed aan boord zal worden genomen , en niets gemeens zou hebben met de verpligting van den bevrachter om voor eene volle lading te zorgen ;

dat zulks echter onjuist is, omdat tegenover die verpligting van den bevrachter ook wel degelijk sprake kan zijn van eene verpligting des schippers om de lading, die hem geleverd wordt, al dan niet aan te nemen en in te laden, terwijl de woorden zoo algemeen gesteld zijn, dat er geene aanleiding bestaat om eenig onderscheid aan te nemen tusschen de hoeveelheid of den aard der in te laden goederen , en de wijze, waarop de inlading geschieden zal;

dat bovendien , ook al wilde men aannemen, dat de bedoelde woorden niet uitdrukkelijk met het oog op geschilpunten als het onderhavige geschreven zijn, dan nog de vraag, wat als een » full and complete cargo" te beschouwen is, eene quaestio facti zoude opleveren , die naar gelang van de omstandigheden der zaak , en volgens de "wetten en gebruiken, ter plaatse der inlading geldende, beclist zou moeten worden;

dat ook in dat geval partijen , wetende, dat de bevrachter konde volstaan met de Havana-suiker in vaten te leveren, en tevens wetende of althans behoorende te weten, dat d£ar ter plaatse een vaststaand gebruik heerscht omtrent de vraag, wat als eene complete lading daarvan kan gelden, volgens den regel, die ons art. 1375 B. W. zelfs voor het civielregt voorschrijft, geacht zouden inoeten worden

Sluiten