Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dit ligt ook in den aard der zaak, dat, even als eene wet stil- ;

' vijlend gewijzigd wordt door latere wetten . zoo ook eenp. wot v«n i

'oeger dagteekening slechts ingevoerd kan worden, behoudens dc "'jzigingen, in die wet door latere wetten gemaakt of nog te maken. iJe wet va" 6 Oet. 1791 is uitdrukkelijk op alle wateren, ook op et bevaarbare en vlotbare, toepasselijk verklaard bij Kon. besluit '•4. 28 Aug. 1820 (Stbl. n0. 19).

Men leze dat besluit in zijn geheel en men zal opmerk n, dat het 1h We' dégelijk <ie bedoeling is geweest om de verordeningen, «treffende het etablisseren van werken (op alle wateren, , hetzij om a ,0P van et water te bevorderen of voor te komen , dat het'"^e aa" 'lüt algemeen schadelijk zij, of betreffende zoodanige wern, welke daarop eenigen invloed Lunnen hebben, te handhaven, tt[ u uitvoering daarvan voor te behouden aan de administratieve atitoriteit, d. i. van het uitvoerend ge?.ag.

in nat besluit is dus niet alleen sprake van oprigting van nieuwe I' ver°ndering van bestaande molens, zoo als de eischer bij pleidooi '«eerde, doch in het algemeen van de voorschriften, welke dienen

- o te voorkomen, dat door de molens en dergelijke werken nadeel aan *en geregelden afloop van het water of aan de nabijgelegen landen

anderzins worde toegebragt.

Uok is niet, zoo als ook is gepleit, bij Kon. besluit, en dus onBttig, de bestaande wet veranderd, of deze toepasselijk verklaard v niet bcv-aarbare noch vlotbare rivieren. Immers in (ie wet van '91 wordt geen onderscheid gemaakt tusschen bevaarbare en niet ' 'ö vaar bare wateren , zoo als wel in latere wetten en verordeningen , >ch wordi geheel in het algemeen gesproken, zoodat het besluit van

geene ongeoorloofde uitbreiding van de wet van 17 91 bevat. Mogt men echter meenen , dat de wet van 1791 alleen geen volgende steun is voor de aangevallen verordening van Ged? Staten , is toch

b. bij Kon. besluit van 10 Sept. 1830 (Stbl. no. 59) het toevoorzigt >or de niet bevaarbare noch vlotbare wateren aan Ged. Staten opJ-'&dragen.

Dit Kon. besJuit berust op en is het uitvloeisel van de Grondwet v*n 1815.

In die Grondwet wordt onderscheiden tusschen het algemeen beuur en het bijzonder bestuur van der» waterstaat. Het oppertoezigt '"er den waterstaat in het geheele Rijk berust bij den Koning (art.

het algemeene bestuur over de werken, die geheel of gedeeltelijk zijn ten laste van 's larids kas (art. 217), of van algemeen be•:ng (art. 220), bleef bij de centrale Regering. Daarentegen werden

- ; Prov. Staten belast met het bijzonder bestuur van den waterstaat,

- aartoe de niet bevaarbare noch vlotbare wateren in de verschillende ovmciën zeer zeker ook behoorden (artt. 220 eri 221). Intusschen as het toezigt op den waterstaat destijds zeer gecentraliseerd, en id de aigemeene directie vau den waterstaat ook hei toezigt op de

niet bevaarbare noch vlotbare wateren aan zich gehouden , even als -f Verleenen van vergunning tot het aanloggen vau molens en andere arken op die wateren. Een en ander werd nu, overeenkomstig art. 221 der Grondwet, bij het besluit van 1830 aan Ged. Staten opgedragen, Van dit besluit zegt de heer Tiiorbecke , Aant. op de Grondwet, k'ie uitg., II, bl. >282, ad art. 219 der Grondwet van 1840: //Laat, '■'•aar teregt, is in overeenstemming met dit art. 221 der Grondwet v^n 1^15, aan de Prov. (eigenlijk Ged.) Staten, bij Kon. besluit vac Sept. 1830 (Stbl. n°. 59), opgedragen het toezigt over de niet bevaarbare noch vlotbare wateren."

Misschien acht men het strijdig met art. 221 der Grondwet van dat dat toezigt niet aan Prov. Staten, doch aan Ged. Staten ** opgedragen.

Doch deze bedenking vindt hare oplossing in art. 153 van dezelfde v rond wet van 1815:

"De Staten benoemen uit hun midden een collegie van Ged. Staten, :in hetwelk uioet worden opgedragen in het algemeen alles wat tot 'it dagelij ksch beleid en de uitvoering der algemeene wetten betrek*ing heeft, en zulks hetzij de Staten zijn vergaderd of niet.* De algemeene wetten , met welker uitvoering Ged. Staten bij het osluit van 1830 worden belast, zijn dan o. a. de wet van 6 Oct. 1791 en art. 221 van de Grondwet van 1815, zoodat Ged. Staten f'°k thans nog aan dat besluit van 183u hunne bevoegdheid tot Reling der molenpeilen kunnen ontleenen.

c« In de bestreden verordening gronden Ged. Staten hunne bevoegdheid , naar mijne meening teregt, op art. 16 van de wet van '791 , in verband met art. 151 der provinciale wet.

Art. 16, tit. II, van de wet van 6 Oct. 1791 is ten aanzien van strafbepaling grootendeels vervangen door art. 457 C. P., doch ten aanzien van de verpligting van de molenaars om het water te houden JP de door het bevoegde gezag te bepalen hoogte zeker niet afge-haft. Het is slechts de vraag: welke die bevoegde magt is. Nu worden in art. 127 van de provinciale wet de Staten belast met uitvoering van de wetsbepalingen en algemeene maatregelen van • wendig bestuur , o. a. betreffende het bijzondere bestuur van den Waterstaat (vergelijk Thorbecke, Aant. op de Grondwet, 2de uitg., . ad art. 214, bl. 276).

Tot dat bijzonder bestuur van den waterstaat behoort zeer zeker '•et verleenen van vergunning voor molens enz. op niet bevaarbare •ch vlotbare wateren m de provincie, en wat daarmede in verband staat. Dus behoort art. 16, tit. II, der wet van 1791 tot de wetsbepajngen betreffende het bijzonder bestuur van den waterstaat, met weler uitvoering de Staten zijn belast.

I£n nu vindt men de door den eischer gevorderde nadere opdragt **n Ged. Staten in art. 151 der provinciale wet:

"Ged. Staten voeren de weiten, algemeene maatregelen van inwenbestuur en Koninklijke bevelen uit, waarvan de uitvoering aan Staten is opgedragen.

"Zij maken de daartoe noodige verordeningen en onderwerpen die *an Onze goedkeuring."

Art. 151 zegt, wie de in art. 127 bedoelde wetten enz. zal uitvoe':ri« Het zijn Ged. Staten.

Merkwaardig is bij dit artikel de memorie van toelichting (ad art. *9 , nu 151, Bijl., Handel, van de Staten-Generaal . 1849—1850, '''• 275):

"Wanneer de Grondwet in art, 130 en op haar voorbeeld dat wets'tv-erp in art. 123 (thans 127) de Staten noemt, als met de uitkering van sommige wetten belast, is door «Staten// niet de geheele '/toten-Vergadering te verstaan. Eene zoo talrijke, slechts een paar kieren in het jaar zamenkomende vergadering, ware tot die uitvoe' volstrekt ongeschikt. Ter uitvoering der wet kunnen nadere Oorschriften noodig zijn. Deze te geven is een deel der uitvoering, noodwendig toekomt aan de magt, met de uitvoering belast; zooanige voorschriften dienen echter, daar het hier op de uitvoering van 'Semeene wetten en verordeningen aankomt , niet dan na voorafgaande goedkeuring des Konings te kunnen merken." (Vergelijk de "'eniorie van beantwoording, ad art. 149, t. a. p., p. 377.) Men herkent den kernachtigen stijl van Thorbkcke.

ïn de provinciale wet vindt men dus werkelijk de opdragt aan 'ed. Staten van de uitvoering van die algemeene wet en insgelijks de f'Pdragt van de tot die uitvoering noodige verordeningen te maken. . Niet de Prov. Staten , zoo als voor den eischer gepleit is , maar 'Cd. Staten moeten dus de ten deze noodige verordeningen maken (1).

1) Verordeningen op de watermolens (voor uitmaling) op bevaar

Maar zijn dan Ged. Staten in deze niet te ver gegaan ? In zijne : aauteekening op de Grondwet, 2de ed., II, bi. 82 , zegt de heer j Thohbecke, wat onder die uitvoering moet verstaa . worden :

"Dj uitvoering, aan de Staten opgedragen (en dat hier onder Staten j in specie Ged. Staten moeten verslaan worden , blijkt uit de aantee- !

kening op art. 151, in nne, bl. 115, en de noot 5, waar hij naar bl. 82 verwyst), omvat drie h- ofdverrigtingen. Zij geven, vooreerst, de bevelen ter uitvoering aan de plaatselijke besturen of andere ambtenaren in de provincie, die, ais hoogere of lagere werktuigen , onmiddellijk uitvoeren of doen uitvoeren. Deze bevelen kunnen bij sommige wetten zeer eenvoudig zijn ; bij andere moeten zij gaan tot een ontwikkeld voorschrift van regels en middelen der uitvoering. De kracht, welke de wet regtstreeks moet doen werken, aldus in beweging gebragt en geregeld , blijft er pligt, door de Staten duurzaam te vervullen , toezigt en beslissing der moeijelijkheden of administratieve geschillen , die zich bij de uitvoering opdoen.

Wat hebben nu Ged. Staten in casu gedaan ?

Zij hebben het peil voor de verschillende molens vastgesteld.

Dit was toch zeker uitvoering van de wet van 1791 : eene uitvoering, die door de 62 leden talrijke vergadering der Prov. Staten niet kon en ook niet behoorde te geschieden.

Vervolgens hebben zij aan sommige molens de peilteekens doen aanslaan.

Ook dit was zonder twijfel uitvoering.

Hoe zal de molenaar zonder peilteeken weten, hoe hoog hij het water mag opstuwen ? hoe zal ponder peilteeken geconstateerd worden of het water te hoog is? Hoe zal, iri een woord, zonder peilteeken de hand gehouden worden aan art. 16, tit. II, van de wet van 1791 en aan art. 457 C. P.? Zal men eerst de omliggende landen laten onderloopen , en dan op dat verdronken land eene waterpassing houden, hoe hoog het water staat boven A. P.?

Doch toen sommige eigenaars of bruikers van waterschappen weigerden om het peilmerk te laten aanslaan, hebben de Ged. Staten de bewuste verordening gemaakt en daarbij vastgesteld, dat de peilteekens, d&ar, waar zulks noodig is, aan of nabij de molens of stuwen zullen aangeslagen worden ; dat men daarom, voor zooveel noodig, over den privaten grond van dengene , dien het aangaat, zal mogen gaan , en dat de peilteekenen , schoon op bijzonder eigendom gesteld, steeds toegankelijk zullen zijn voor de ambtenaren van den provincialen waterstaat, de burgemeesters der gemeenten en de rijks- en gemeente • veldwachters.

Wat zijn dit anders dan volstrekt noodzakelijke «middelen der uitvoering" waarvan Thorbecke spreekt?

Doch de eischer beroept zich op het heilig eigendomsregt en beweert zelfs schending van het grondwettig voorschrift van art. 14 7, dat niemand dan ten algemeenen nutte en tegen schadeloosstelling en bij de wet van zijn eigendom kan worden ontzet.

Doch waar is hier ontzetting van den eigendom ? Welk deel van zijne bezittingen , welk deel , hoe gering ook , van zijn schoon landgoed , is den heer van Hacfort ontnomen ? Neen, E. A. H.! ia zeg het den beroemden Franschen advokaat en ongelukkigen minister van Buitenlandsche Zaken na :

«Geen duimbreed van zijn grond, geen steen van zijne gebouwen.//

En zoolang er onderscheid bestaat tnsschen ontzetting van den eigendom en beperking van de vrije uitoefening van het eigendomsregt , zoolang hebben, naar mijne meening, Ged. Staten door deze hunne verordening de Grondwet niet geschonden.

Ik wil niet tegenspreken, en Ged. Staten erkennen het, dat hier eene, hoewel zeer geringe , beperking van de vrije uitoefening van het eigendomsregt aanwezig is, en dat de eischer die heeft ondervonden.

Ik zal niet herhalen wat de geëerde advokaat van den ged. hierover heeft gezegd , hoe hij gewezen heelt op talrijke voorbeelden van beperking van het gebruik van het eigendomsregt, in bouw- en brandreglementen, reglementen ter bevordering van de openbare gezondheid en veiligheid en zoovele andere.

Maar ik vraag: i<ij welke wet is aan Ged. Staten verboden om in hunne verordeningen ter uitvoering van de algemeene wetten , waarvan de uitvoering hun is opgedragen, dusdanige beperkingen van het vrije gebruik van het eigendomsregt als in casu vast te stellen ?

Ten einde de regter, zoo ais de eischer verlangt, eene verordening als niet bestaande zou beschouwen, moet de eischer toch eenige wetsbepaling aanwijzen, waarmede de verordening in stelligen strijd zou zijn.

laadden Ged. Staten bepaald, dat de woning van den eischer, zijns ondanks, zou mogen binnengetreden worden, zoo zou misschien strijd bestaan met art. (53 der Grondwet en de wet vau 31 Aug. 1853 (Stbl. n°. 83).

Maar hier bepaalt dc geheele beperking van het gebruik van het eigendomsregt zich tot het aanslaan van het peilteeken buiten aan den molen en het gaan , voor zooveel noodig, over den grond van den eischer, een en ander onmisbaar voor het aan Ged. Staten opgedragen toezigt op de hoogte van het water.

En nu geloof ik, dat Ged. Staten, door in casu het vrije gebruik van het eigendomsregt, zoo als zij gedaan hebben , te beperken, niet met eenig wets-artikel in strijd hebben gehandeld , en is door den eischer, buiten zijn beroep op art. 147 der Grondwet, tot aanwijzing van dien strijd ook geen wets artikel aangevoerd.

Het bezwaar tegen de verordening is, dunkt mij, denkbeeldig. Men zou er geen bezwaar tegen gehad hebben , ook zelfs niet tegen deze beperking van het gebruik van het eigendomsregt, als de Prov. Staten de verordening gemaakt hadden. Welnu , het maken van de verordening is in deze bij de wet juist aan Ged. Staten opgedragen. Wat de Prov. Staten hadden mogen doen, mogten nu ook Ged. Staten doen.

Op grond van een en ander komt het mij voor, dat de vordering is ongegrond.

De eischer heeft gevraagd, dat het IJ E. A. behage :

I. te verstaan : a. dat eischer is eigenaar van boven omschreven vaste goederen , speciaal van den koren-watermolen en wat daartoe behoort; b. enz.;

doch de eigendom van die vaste goederen is door den ged. niet betwist, noch aangevallen, doch veeleer volmondig erkend, zoodat de gevraagde verklaring, dat de eischer is eigenaar van die goederen , zou zijn eene nuda sententia declaratoria, waarin hij , naar mijne meening, niet-ontvankelijk moet worden verklaard; terwijl, als U E. A. zich met mijne beschouwingen zullen kunnen vereenigen , des eischers verdere conclusiën , zoowel tegen den oorspronkelijken

bare rivieren zijn elders gemaakt door Prov. Staten, voorde molens, die op de Gouwe uitmalen, Prov. Staten Zuidhoiland, 3 Dec. 1850 (Bijv. Stbl., 6de serie, bl. 6, in dato 14 Jan. 1851); op de watermaling onder het Termunterzijlvest, Prov. Staten Groningen, 17 Nov. 1851 (Bijv. Stbl., ibidi, bl. 144, in dato 30 Dec. 1851); op de watermalingen op het Beerster- of Vierkarspelendiep, Prov. Staten Groningen, 25 Nov. 1851 (Bijv. Stbl., ibid., bl. 16-2, in dato 16 Jan. 18V2); voor de waterlossingen in Limburg, Prov. Staten Limburg, 8 Julij 1854 (Bijv. Stbl., ibid., bl. 559, in dato 11 Aug. 1854). Wateriossiugen : alle niet bevaarbare noch vlotbare rivieren, doch Ged. Staten worden daarin belast met de bepaling van peil voor de molens en het doen stellen van peilteekenen.

<>ed. als tegen den ged. in vrijwaring, hem zullen moeten worden ontzegd, met veroordeeling van den eischer in de kosten van het geding, en ik heb de eer tot een en ander te concluderen.

De Regtbank enz.,

Gezien het vonnis dezer Regtbank, den 15 Dec. jl. gewezen, waarbij den incidentelen eischer vergunning is verleend den commissaris des Konings in Gelderland in vrijwaring op te roepen;

Gezien de door partijen genomen conclusiën enz.;

Gehoord de gevoerde pleidooijen;

Gezien de verordening van Ged. Staten van Gelderland vau den 1 Maart 1870 (Prov. blad n°. 31), art. 16 der wet van 6 Oct. 1791, artt. 190 seqq. der Grondwet, artt. 137 , 127 en 151 der wet van 6 Julij 1850 (Stbl. no. 39) en artt. 68 seqq. en 56 B. R.;

Overwegende ten aanzien der daadzaken en der procedure, dat de eischer bij dagvaarding en conclusie stelt: dat hij krachtens de titels, door hem bij die conciusie aangehaald en overgelegd, eigenaar is van het huis Hackfort, met koetshuis, stallingen en verdere gebouweu en daartoe behoorende gronden , en speciaal ook van den daarbij gelegen koren watermolen, molenaarshuis en wat daartoe verder behoort, alles gelegen onder Vorden , welke molen en toebehooren kadastraal aldaar bekend zijn in sectie H, n°. 419;

dat de oorspronkelijke ged. heeft kunnen goedvinden op den 22 Junij 1870, vergezeld vau meerdere personen, zich te begeven op dat landgoed en aldaar in den iinkermuur van den boven waterloop van den bedoelden molen aan te slaan of te doen aanslaan een zoogenaamd peilteeken , zijnde eene koperen roos, waarop in verheven letters het woord "Stuwpeil" te lezen staat, en die door middel van een koperen knop in het midden bevestigd is aan een ijzeren bout;

dat die ged. daartoe onbevoegd was en, door het zonder toestemming, neen, maar tegen den wil des eigenaars te doen, inbreuk heeft gemaakt op diens eigendomsregten, mitsdien heeft gepleegd eene o iregtmatige daad ;

concluderende de eischer, op grond daarvan, dat het der Regtbank behage: 1°. te verstaan, a. dat de eischer eigenaar is van de boven omschreven vaste goederen, speciaal van den korenwatermolen en wat daartoe behoort, en ó. dat de boven omschreven handelingen zijn onregtmatig; 2°. den ged. te veroordeelen om het in den muur geslagen voorwerp daaruit weder te verwijderen en alles in den vorigeu scaat te herstellen , met schade vergoeding en veroordeeling des gedaagden in de proceskosten ;

dat de oorspronkelijke ged. daarop bij incidentele conclusie heeft geantwoord, dat hij in zijne betrekking van ingenieur, ambtenaar van üen provincialen waterstaat in Gelderland, de beklaagde handelingen heeft verrigt vau wege de provincie, op last van Ged. Staten , hem gegeveu bij hun besluit van 15 Maart 1870 ; verzoekende hij ged. mttsdien den commissaris des Konings in Gelderland, als in regten de Ged. Staten vertegenwoordigende , binnen een te bepalen termijn tot vrijwaring te mogen dt.gvaarden;

dat, nadat de oorspronkelijke eischer bij conclusie acte had gevraagd , uat hij , onder voorbehoud van alle weren en regten, zich ten opzigte der incidentele conciusie refereerde aan de wijsheid der Regtbank, deze , bij haar vonnis van den 15 Dec. jl., verlof heeft gegeven om den heer commissaris des Konings in Gelderland , binnen een termijn van zes weken , tot vrijwaring op te roepen ;

dat ueze dan ook, bij expioit van den 30 Dec. daaraanvolgende gedagvaard, op de conclusie van den incidentelen eischer, strekkende, dat de incidentele ged. tot vrijwaring moge veroordeeld worden, acte heeft gevraagd, dat de Ged. Staten van Gelderland de verlangde vrijwaring op zich nemen 5 bereid zijn zich in dit geding te voegen en tusschen te komen , de zaak van den oorspronkelijken ged. over te nemen en dadelijk met den oorspronkelijken eischer voort te procederen ;

dat deze toen acte heeft gevraagd, dat hij zich, onder voorbehoud van aiie zijne regten , niet verzet tegen het verleenen der gevraagde acte, waarna de oorspronkelijke ged. en de ged. tot vrijwaring ten principale op des eischers conclusie hebben geantwoord : dat de Ged. Staten, krachtens de bevoegdheid, hun bij art. 151 der wet van 6 Julij 1850 (Stbl. n°. 39) gegeven , onder goedkeuring des Konings , eene verordening hebben vastgesteld tot uitvoering van art. 16 , tit. II, der wet van 6 Oct. 1791, betrekkelijk de molenpeilen, en die bij hun besluit van 1 Maart 1S70 (Prov. blad n<>. 31) hebben doen afkondigen ;

dat zij, ter uitvoering daarvan, den oorspronkelijken ged. hebben gelast een peiiteeken aan te slaan aan den watermolen op het huis Hacjort, onder Vorden ;

dat deze dien last, met in-acht neming der voorgeschreven formaliteiten , heeft verrigt, en zijne daau alzoo noch als inbreuk op het eigendomsregt van den oorspronkelijken eischer, noch als uit anderen hooide onregtmatig, kan worden gequaiificeerd;

concluderende mitsdien tot ontzegging van zijn eisch of tot nietontvankelijk-verklaring cum expensis ;

dat die eischer hierop heeft geantwoord, dat de ged. tot vrijwaring zich wel bereid heeft verklaard zi h in het geding te voegen , maar niet heelt gevraagd als interveniënt te worden toegelaten en ook niet als zoodanig is toegelaten ;

dat hem alzoo geene andere plaats toekomt dan naast den oorspronkelijken ged., maar hij niet staat tegenover den oorspronkelijken eischer, en hij mitsdien in zijne conclusie tegen hem eischer niet-ontvankelijk moet worden verklaard; terwijl hij voorts op de conclusie van den oorspronkelijken ged. antwoordt : dat de beklaagde handelingen door geene wetsbepaling worden geregtvaardigd, en speciaal niet door het besluit van Ged. Staten van den 1 Maart 1870, dat krachteloos is, dewijl het is gebaseerd op art. 16, tit. H, der wet van den 6 Oct. 1791, die niet meer van toepassing is;

dat, indien men al de bevoegdheid van Ged. Staten kon aaunemeu om in deze iets te verordenen , zij in geen geval verder konden gaan dan tot vaststelling van het peil of de waterhoogte, maar onbevoegd bleven op eischers gronden handelingen te doen verrigten, die eischers eigendom aanranden, en i.och jure publico, noch jure privato geoorloofd zijn ;

concluderende mitsdien tot toewijzing van den eisch;

In regten :

0. ten aanzien van het door den oorspronkelijken eischer tegen den ged. in vrijwaring voorgestelde middel van niet-ontvankelijkheid: dat de ged. tot vrijwaring, die op de bij de wet voorbeschreven wijze in het geding is geroepen en de vrijwaring op zich genomen heeft, eo ipso, en zonder dat daarvoor nog eene regterlijke uitspraak noodig was, met den oorspronkelijken eischer in regtsbetrekking is geraakt, daar de wet hem het regt toekent zich nevens den oorspronkelijken ged., eischer tot vrijwaring, die 'niet verlangd heeft buiten het proces gesteld te worden , te voegen en gezamenlijk met hem , met wien hij één belang heeft, de oorspronkelijke vordering te bestrijden ; en dat mitsdien de vordering van den oorspronkelijken eischer tot niet-ontvankelijk-verklaring van den waarborg, als in jure ongegrond , moet worden verworpen ;

O. verder ten aanzien der zaak ten principale, dat tusschen partijen in confesso is, dat de eischer eigenaar is van het landgoed Hackforts met de daartoe behoorende goederen , in des eischers conclusie vermeld , zoomede dat de beklaagde handelingen dour den oorspronkelijken ged., op last van den god. tot vrijwaring, zijn verrigt;

0., dat, ter beoordeeling van het regtmatige of onregtmaticre dier

Sluiten