Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

En die derogatie is niet eene toevallige, ten gevolge eener wellig minder gelukkige redactie van de latere wet, maar eene zoodanige die de wetgever klaarblijkelijk heeft gewild. Want het is niet altij degene, die, ook naar algemeene beginselen van strafregt en zoude uitdrukkelijke wetsbepaling, voor de gepleegde wets-overtreding aar sprakelijk zoude zijn , die bij art. 133 der wet van 20 Junij 186 als de boetsehuldige is aangewezen; maar daarbij is aangewezen , n eens degene, die het materiële feit, dat de wets-overtreding daarsteli pleegt of doet plegen, zoo als bijv. in § 9, 25, 26, 27, dan degene, di als de daarvoor verantwoordelijke persoon te beschouwen is , zoo al b. v. in § 16, 20, 22, 24, zoodat de wetgever van 1S62 evenmin aa het algemeene strafregt als aan het algemeene regt in zaken va belastingen heeft overgelaten te beslissen , wie ter zake van ieder bijzondere overtreding der wet op het gedistilleerd de strafbare pei soon is , maar zelf voor ieder geval den boetsehuldige heeft aange wezen: eene aanwijzing, waarnaast, naar het mij voorkomt, voor de algemeenen regel van art. 231 der algemeene wet geene plaats is.

De meester is dus voor ongedekt vervoer van gedistilleerd, doo zijn knecht gepleegd, eo ipso verantwoordelijk; en mitsdien heeft he Hof teregt in deze zaak, zonder in eenig feitelijk onderzoek te tre den omtrent de vraag, of de gereq. wel was de meester der de over treding begaan hebbende personen, en of hij als brander in betrekkin stond met de administratie, deze laatste niet-ontvankelijk verklaar in hare tegen dezen gereq., alleen op grond van zijne qualiteit va: meester der delinquenten , ingestelde strafvervolging.

Ik acht dan ook de voorziening ongegrond , en heb de eer te con cluderen tot verwerping daarvan; de kosten te dragen door de admi nistratie.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op het middel van cassatie , namens den req. voorgesteld b; memorie , als : schending van art. 231 der algemeene wet van dei 26 Aug. 1822 (Stbl. n". 38), in verband met art. 133, § 9 en § 25 der wet op het gedistilleerd van den 20 Junij 1862 (Stbl. n°. 62) en daardoor tevens schending der artt. 206, 211, 227 en 247 Stral vord., omdat de req. in zijne strafvordering tegen den gereq., al brander, niet-ontvankelijk is verklaard voor frauduleus vervoer'vai gedistilleerd door zijne knechten, en, zonder zulks te onderzoeken, o de gereq. was de meester der mede-gedaagde knechten en of hij wegens zijne bijzondere zaken , met de administratie in betrekking stond ;

Overwegende, dat de gereq. bij de oorspronkelijke dagvaarding al; derde ged. is gedagvaard, ter zake dat hij als brander en meestei van de beide eerste gedaagden verantwoordelijk is voor deze hunrn daad; dat zij namelijk in dienst van den derden ged. sden gereq.) hunnen meester, van beroep brander, op den 2 Dec. 1871, des voor middags tusschen elf en twaalf ure, in de Breedstraat, te Rotterdam, ter hoogte van de Schoutensteeg, hebben vervoerd een fust, gemerki voor den inhoud 5.95 en verder DIE, n». 2, inhoudende 598 liter. 2 deciliter en 3 centiliter gedistilleerd, sterk 45.4 pet., niet gedeki door het vereischte document; en dat het Hof, met vernietiging van het vonnis der Regtbank, de administratie niet-ontvankelijk verklaard heeft in hare strafvordering tegen den gereq., op grond, dat zijne verantwoordelijkheid voor deze door anderen begane feiten, die niet op algemeene beginselen van strafregt kan worden aangenomen, en niet is bepaald bij art. 133 , § 25 , der wet op den accijns op het binnenlandsch gedistilleerd van den 20 Junij 1862 (Stbl. no. 62), — ook niet mag worden uitgesproken, op grond van art. 231 der algemeene wet op de heffing der regten van den in-, uit- en doorvoer en van de accijnsen van den 26 Aug. 1822 (Stbl. no. 38), omdat van dit artikel bij de voormelde wet van 1862 is afgeweken;

O., dat het in de dagvaarding omschreven feit van vervoer der gemelde hoeveelheid gedistilleerd, ongedekt door de vereischte documenten , kan vallen onder de strafbepaling van art. 133, § 25 , der gemelde wet van 1862 , welke paragraaf straf bedreigt tegen ongedekt vervoer van gedistilleerd in grooter hoeveelheid dan' van e'én liter ;

O. aangaande de verantwoordelijkheid van den gereq. voor dit feit, dat, volgens art. 231 der algemeene wet, alle fabrikanten en neringdoende lieden, die wegens hun bedrijf in eenige betrekking met de administratie staan, gelijk met den gereq., als brander, het geval is, verantwoordelijk zijn voor de daden van hunne bedienden, arbeiders , knechts en verdere door hen bezoldigde personen, voor zoover die daden tot het door hen uitgeoefend bedrijf betrekkelijk zijn; en dat dit artikel der algemeene wet, die, volgens het opschrift en'den inhoud, bepaaldelijk blijkens art. 2, in verband met art. 1, voor alle heffingen van accijnsen geldt, voor zoover daarvan niet uitdrukkelijk bij de speciale wetten op de accijnsen is afgeweken, zijne toepassing kan vinden bij de in de dagvaarding teu laste gelegde handelingen der oorspronkelijke mede-gedaagden, vermits daarin "is opgenomen , dat deze daarin als knechts of bedienden van den gereq. en in zijne dienst hebben gehandeld;

O., dat dit art. 231 der algemeene wet niet uitdrukkelijk is afgeschaft , en dat met dit artikel ook geenszins in strijd is de bepaling van het bovengenoemde art. 133, § 25, der wet van 1862 , waarbij op het ongedekt vervoer van gedistilleerd, in grootere hoeveelheid dan van e'e'n liter, eene boete ten laste des vervoerders is gesteld ;

O. toch, dat de woorden "ten laste des vervoerders», waarbij ieder, die als vervoerder wordt aangemerkt, strafbaar wordt gesteld, geenszins de strekking kunnen hebben om dan fabrikant van zijne algemeene verantwoordelijkheid, volgens art. 231 der algemeene wet, te ontslaan; vermits de fabrikant, volgens dat artikel, niet verantwoordelijk wordt gesteld alleen voor de boete, die zijne knechts door hunne handelingen kunnen beloopen , maar voor de door hen begane daad van de overtreding zelve, waarbij de wet kennelijk van"het denkbeeld uitgaat, dat de meester, ingeval zijne bedienden in zijne dienst eene overtreding begaan , altijd schuldig is, hetzij aan kwade trouw, hetzij aan verzuim in behoorlijk toezigt, zoodat hij, volgens de tweede alinea van het artikel, altijd tot de straf, op de overtreding gesteld , moet worden veroordeeld, zonder te worden toegelaten tot het bewijs, dat zijne bedienden buiten zijne voorkennis en zijns ondanks hebben gehandeld, zoodat de in art. 133, §25, der wet van 1862 ten laste der vervoerders gebragte boete, krachtens de uitdrukkelijke bepaling van dat artikel, in verband met art. 231 der algemeene wet, op den fabrikant moet worden toegepast, omdat deze naar de wettelijke veronderstelling als schuldig of mede-schuldig aan de door zijne bedienden begane overtreding, en derhalve ln dat geval als schuldig aan de daad van vervoer, dat is regtens als vervoerder, moet beschouwd worden;

0., dat de invoeging der voormelde woorden «ten laste des vervoerders» , die in art. 2 der wet van den 2 Jan. 1832 (Stbl. no. 4) niet voorkwamen, aan art. 133, § 25, der wet van 1862, derhalve geenszins de beteekenis kan geven, dat daardoor inbrenk zou zijn gemaakt op gemeld art. 231 der algemeene wet, van welke bedoeling evenmin uit de beraadslagingen als uit de wet zelve blijkt; en dat, wat er ook moge zijn van den beweerden strijd tusschen enkele andere paragrafen in deze wet en het voormelde artikel der algemeene wet, waaromtrent ten deze niet te beslissen valt, — zulk een stellige strijd geen verder gevolg zou kunnen hebben dan alleen en uitsluitend wat deze paragrafen betreft; terwijl het artikel der algemeene wet met betrekking tot do overige gedeelten der wet van 18.62 volkomen kracht zon behoudt-n, omdat eene bestaande wet zonder uitdrukkelijke afschaffing steeds hare voile kracht blijft behouden,

t i met uitzondering alleen voor die gevallen, waar en voor zooverre , | eene latere wet eene stellig tegenstrijdige bepaling inhoudt; d | 0., dat het Hof, door den req. op de voormelde gronden nietr j ontvankelijk te verklaren , art. 133 , § 25 , der voormelde wei van i 1862 verkeerd toegepast en geschonden, en mede geschonden heeft 2 art. 231 dor algemeene wet;

u 0., dat in het middel ook nog is aangevoerd , dat het Hof, door ;, niet te onderzoeken, of de gereq. is de meester der mede-gedaagde e knechts en of hij, wegens zijne bijzondere zaken, met de adminiss tratie in betrekking staat, de artt. 206 en 211, in verband met de u artt. 227 en 247, heeft geschonden;

n O. dienaangaande, dat het onderzoek over de feiten aan dat bee treffende het regt, in zoover het betrekking heeft op de beslüsing over de schuld, volgens de aangevoerde artikelen moet voorafgaan; dat echter het Hol de vraag over de geldigheid van art. 231 der ii algemeene wet niet ter beoordeeling der schuld, maar, hoewel verkeerdelijk , enkel en alleen ter be jordeeling van de bij hetzelve in 1- twijfel gestelde ai of niet ontvankelijkheid der strafvordering heeft t gebezigd, zoodat het Hol, de vraag over de ontvankelijkheid beslisi- sende, alvorens tot het onderzoek der hoofdzaak over te gaan, in zijn stelsel niet kan geoordeeld worden de aangehaalde artikelen van < het Wetboek van Strafvordering te hebben geschonden;

i 0.. dat het onderzoek op het aangeteekeode appel, waarvan het i Hof zich in zijn stelsel heeft onthouden , volgens art. 1 Strafvord., in verband met art. 68 R. O., moet plaats hebben door dat Hof;

- Vernietigt het arrest, op den 11 Junij 1872 in deze door het Prov.

- Geregtshof in Zuidholland gewezen, waarbij de minister van Pinantiën m zijne strafvordering tegen den gereq. niet-ontvankelijk is verklaard;

Omtrent de praejudiciële quaestie dor ontvankelijkheid , krachtens art. 105 R. O-, regt doende ten principale ,

Verklaart den req. te dezen opzigte ontvankelijk in zijne strafvor1 dering tegen den gereq.;

Wijst de zaak terug naar genoemd Prov. Geregtshof, ten einde, > met in-acht-neming van dit arrest, op de bestaande acte vau appel

te worden beregt en afgedaan ;

s Bepaalt, dat de kosten , in cassatie en in appel gevallen , zullen ^ worden gevoegd bij die van het eind-arrest.

Zitting van den 7 October 1872.

Overgang. —- In den oogst staande grond. — Beleedigde ' partij. — Burgerlijke actie. — Schadevergoeding. — Kantonregter. — Advokaat.

Bij het beklaagde vonnis zijnde aangenomen, dat de beklaagde heeft geloopen over eens anders mei gras bezetten grond, en dat door het loopen over gras daaraan schade wordt toegebragt, is daardoor melder daad uitgemaakt, dat er werkelijk schade is toegebragt ? — Ja.

Is het brengen van kosten van een advokaat ten laste van een in het strajgeding tot schadevergoeding veroordeelde in overeenstemming met de proces-orde, door den wetgever voor de kantongeregten, oordeelende in burgerlijke zaken, als algemeene regel voorgeschreven ? — Neen.

Obsteert hiertegen art. 231 Strafvord. ? — Neen.

G. Anker, oud een-en-veertig jaren, van beroep visseher, wonende te Zierikzee, heeft zich in cassatie voorzien tegen een vonnis van den kantonregter te Zierikzee van den 12 Junij 1872, waarbij hij is schuldig verklaard aan het, geen eigendom , vruchtgebruik noch gebruik hebbende van een stuk gronds of van een regt van door- of overgang, daarop en overgaan in den tijd, dat die grond met rijpende vruchten bezet was , en te dier zake veroordeeld tot eene geldboete van / 5 en in de kosten; voorts , op de vordering van de beleedigde partij, tot betaling van eene som van ƒ 15 , als schadevergoeding, daaronder begrepen de gezamenlijke kosten van de voeging, met ontzegging van hetgeen door haar meer was gevorderd.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Gockinga, heeft de adv.-gen. Polis de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog A.chtbare Heeren, President en Raden l De beide in de acte van cassatie aangevoerde middelen of gronden zijn gerigt tegen dat gedeelte van het beklaagde vonnis, waarbij de req. is veroordeeld tot schadevergoeding aan de beleedigde, zich in het geding gevoegd hebbende partij en in de kosten der voeging, die van den advokaat der gevoegde partij daaronder begrepen. Beide komen mij ongegrond voor.

Het eerste, waarbij beweerd wordt, dat de req., zonder dat wettiglijk gebieken is, dat er werkelijk schade is toegebragt, tot betaling van schadevergoeding is veroordeeld , vindt zijne wederlegging in de beide laatste overwegingen van het beklaagde vonnis, waarbij de regter beslist, dat het onbevoegd loopen over eens anders met rijpende vruchten, in casu gras, bezetten grond is eene onregtmatige daad, dat door het loopen over gras daaraan schade wordt toegebragt, en dat de ged. (deze req.) , die dit gedaan heeft, en door wiens schuld derhalve die schade, welke door den regter op f 5 begroot wordt, veroorzaakt is, verpligt is dezelve te vergoeden.

De beslissing, dat schade is toegebragt, en de bepaling vau het quantum daarvan, zijn dus gegrond op de ten processe naar eisch van regten bewezen geoordeelde feiten en daaruit door den regter gemaakte gevolgtrekkingen; en de juistheid dier geheel feitelijke beslissingen kan in cassatie niet worden onderzocht.

Als tweede middel wordt aangevoerd, dat de kantonregter den req. niet tot betaling vau de kosten der voeging, die van den advokaat daaronder begrepen, had behooren te veroordeelen.

De vordering tot schadevergoeding, en aldus besliste de Hooge Raad teregt bij zijn arrest van 8 Oct. 1844 (v. d. Honert, Srrafr. en Strafvord., dl. XII, p. 14), is uit 'haren aard eene burgerlijke regtsvordering, hoezeer dan ook gelijktijdig met de publieke actie voor denzelfden regter aangebragt en waarbij dus ook de algemeene bepaling van art. 56 B. R. toepasselijk is. En vermits nu volgens dat artikel al wie bij vonnis in het ongelijk gesteld wordt moet worden verwezen in de kosten, en volgens art. 5 7 B. R. in de uitspraak over die kosten ook begrepen zijn de salarissen en verschotten van advokaten en procureurs, in zaken, waarin de wet de verrigtingen van zoodanigeu vereischt of toelaat, ■ is de req. in deze teregt als succumberende partij in de kosten der voeging veroordeeld, en zijn onder die kosten teregt die van den advokaat der beleedigde partij begrepen. Dit laatste omdat, volgeus de uitdrukkelijke bepaling van het derde lid van art. 231 Strafvord., dat, ingevolge art. 253 van datzelfde wetboek , mede toepasselijk is op het regisgeding wegens overtredingen vau politie , de beleedigde partij haren eisch kan doen toelichten door een advokaat, en mitsdien de bijstand, die in deze zaak door haren raadsman aan de beleedigde partij is verleend, was eene dcor do wet toegelaten verrigting van een advokaat, wiens honorarium te dier zake teregt is geoordeeld te behooren tot de kosten , waarin de req., volgens art. 56 B. R., moest worden verwezen. Zoo besliste ook de Hooge Raad bij arrest van 7 Nov. 1848 : v. d. Honert, Strafvord., X, p. 395).

Ik heb de eer te concluderen tot verwerping van het beroep, en veroordeeling vau den req. in de kosten.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op de middelen van cassatie, door den req. voorgesteld bij het doen van zijue aanteekening van beroep in cassatie, als:

1". dat hij, zonder dat wettiglijk gebleken is, dat er werkelijk schade is toegebragt, tot betaling van schadevergoeding is veroordeeld;

2o. dat de kantonregter hem niet tot betaling van de kosten der voeging , «die van den advokaat daaronder begrepen» had behooren te veroordeelen ;

Wat betrelt het eerste middel van cassatie :

Overwegende, dat, blijkens het beklaagde vonnis zijnde aangenomen, dat de req. heeft geloopen over eens anders met gras bezetten grond, zoekende en rapende zeevogel-eijeren , en voorts dat door het loopen over gras daaraan schade wordt toegebragt, hierdoor metderdaad is uitgemaakt, dat er werkelijk schade is toegebragt, en dat hierom het eerste middel van cassatie is ongegrond;

Wat betreft het tweede middel van cassatie :

0., dat uit het beklaagde vonnis blijkt, dat onder de kosten van voeging, waarin de req. jegens de beleedigde partij is veroordeeld , ook zijn begrepen die van een advokaat;

0. te dien opzigte, dat bij art. 99 B. R., hetwelk hier van toepassing is, als zijnde de vordering tot schadevergoeding, hoezeer bij den strafregter aangebragt, niettemin als eene burgerlijke regtsvordering te beschouwen , is bepaald , dat de partijen , hetzij in persoon of bij gemagtigde, voor den kantonregter verschijnen , en dat hierdoor het behandelen van de zaken der partijen door advokaat of procureur als zoodanig, zoo als bij de arrond.-regtbauken en andere regtseollegiën is ui tgesloten ; '

O., dat hierom het brengen van kosten van een advokaat ten laste van een in eeu strafgeding tot schadevergoeding veroordeelde niet is in overeenstemming met de proces-orde, door den wetgever voor de kantongeregten, oordeelende in burgerlijke zaken, als algemeene regel voorgeschreven, en het hierom naar de algemeene regelen van procesorde voor de kantongeregten voorzeker moet gezegd worden niet te zijn toegelaten ;

O., dat nu wel bij art. 231 Strafvord. is bepaald, dat de beleedigde partij haren eisch kan doen toelichten door een advokaat of procuieui , en dat, waar in art. 253 de wijzigingen worden opgegeven , waaronder het proces bij de arrond.-regtbanken op de kantongeregten wordt toepasselijk verklaard, daaronder niet voorkomt eenig voorschrift, waarbij wordt gewijzigd de bepaling van art. 231 nopens hot toelaten van een advokaat of procureur ; maar dat evenmin daarin iets wordt gevonden , waaruit eene toepasselijk-verklarmg van die bepaling bij het proces voor den kantonregter, bij uitzondering op de gewone regelen, daarvoor gegeven, zou kunnen worden opgemaakt;

O., dat dan ook het ontbreken van alle bepaling, houdende eene wijziging in gemeld opzigt in art. 253, moet geacht worden daaraan te zijn toe te schrijven, dat het uitdrukkelijk maken van eene wijziging ten deze was overbodig , geenszins daaraan, dat de wetgever hierdoor de voorschriften van art. 231 in bedoeld opzigt ook* zou hebben willen toepasselijk doen zijn bij de behandeling van eene vordering tot schadevergoeding, bij een kantonregter wordende ingesteld;

0., dat alzoo bij het beklaagde vonnis verkeerdelijk is toegepast art. 231 Strafvord., in verband met art. 253 , en geschonden art. 99 B. R., en dat derhalve het tweede middel van cassatie is gegrond;

Vernietigt het beklaagde vonnis, doch alleen in zooverre daarbij onder de kosten van voeging, waarin de req. is veroordeeld, mede is begrepen eene som van f 10 voor kosten van den advokaat van de beleedigde partij;

En, ten principale regt doende krachtens art. 105 R, O.,

Ontzegt aan de beleedigde partij in deze haren verderen 'eisch, des dat de schadevergoeding, door den req. aan de beleedigde partij te betalen , blijft bepaald op f 5 , zonder meer , en de kosten van voeging, waarin is veroordeeld, worden verminderd met f 10; de kosten , in cassatie gevallen , te dragen door den Staat.

ARRONDISS Ei¥ENTS-REGT BANKEN.

ARHOND1SSEMDNTS-REGTBANK TE 'S HERTOGEN BOSCH.

Bitr^erlijbe kamer.

Zitting van den 29 Mei 1872.

Voorzitter, Jhr. Mr. A. F. de Savornin Lohman.

Regters, Mrs.: V. J. T. Tilman en Jhr. . . van Meeuwen.

Notaal tiendregt in het land van Ccyk. — Aard en gevolgen van dat zoogenaamde nova novalia-kegt. — Verkoop van

tiend door het domein. beweerde onregtmatige

daad. Te niet gaan van een begt door non üsü3.

Moeten onder novale tienden worden verstaan die, welke geheven worden over landen, welke vóór de vestiging van het tiendregt onbebouwd waren ? — Ja.

Gaat alzoo de splitsing niet op van novaal-tienden en novalia vóór en na 1848 ? — Ja.

Het Gemeentebestuur van Mill, eischor,

tegen

het Domein bestuur, gedaagde.

De Regtbank enz.,

Gehoord partijen in hare middelen en conclusiën ;

Gehoord het Openb. Min., concluderende, dat de gevraagde acten sullen worden verleend en dat, met voorbijgang van het aangeboden getuigen bewijs , de Regtbank zal uitspreken voor regt, dat het Domein liet competeert de halve tiend op perceel 28 D, onder lieer- • dat liet Domein onregtmatig in 1869 daar tiend heeft geheven ; dat het zal worden veroordeeld tot vergoeding van kosten , schaden en interessen , te verevenen bij staat en in de kosten van het geding; Overwegende ten aanzien der daadzaken :

dat de eischer stelt, dat de ged. over 1869, zonder regt en geheel iigenmagtig, van de tiendbare vruchten, geteeiu op de gronden van le eischende gemeente, gelegen onder Beers, kadastraal aangeduid n sectie D , n s. 28 en 35, do tienden heeft verpacht en door zijne lachters doen inzamelen en zich die feitelijk heeft toegeëigend nietegenstaande de vertoogen daartegen van den eischer; op prond waarfan hij vordert, dat de Regtbank zal verklaren voor reet, dat do iischende gemeente is eigenares van die gronden ; dat den 'ged. niet competeert de tiend dier gronden en hij daarvan geen eigenaar is en dat ie ged. zal worden veroordeeld tot vergoeding van kosten , schaden in interessen en in de proceskosten;

dat de ged. daarop heeft erkend, dat het op 19 Julij 1869 in het ) pen baar, ten huize van den secretaris der gemeente Mill heeft ver- I tocht over den oogst van 1869 de halve novale tiend onder Mill on 5t. Hubert en gedeeltelijk onder de gemeente Beers, geheven wordende ï

Perceel D',28' doch met van perceel D, 35, en zulks onder spe:iale voorwaarden te weten : voor zoover die voorwaarden voor deze ;aak van belang blijken te zijn, aan den ontvanger schriftelijk berigt

Sluiten