Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N°. 3521.

fluisteren, zonder zich aan de openbare verachting prijs te geven, daar hoort gij, zeg ik, diezelfde verklaringen van de kansels der Hervormde gemeente openlijk verkondigd.

Daar verneemt gij van eene magtige school in die kerk, dat Paulus zich vergist heeft, en dat men zeer wel predikant der Hervormde kerk kan zijn, zonder iets te gelooven van al hetgeen eene andere magtige school in diezelfde kerk voor het meest essentiële van het geheele Christelijk geloof houdt I

Zal de regter zich in dien strijd der meeningen wagen ? Zal de regter, waar hij ziet, dat elke overtuiging mogelijk is, den moed hebben te zeggen : deze of die overtuiging zou u blootstellen aan de algemeene verachting der burgers ?

Mij dunkt, E. G. A. H., het voorbeeld van daareven is daartegen eene ernstige waarschuwing.

Verbeeldt u, dat die schrijver, op wien ik doelde, wegens het geïncrimineerde stuk tot gevangenis-straf en geldboete veroordeeld was ; gevangenis-straf en geldboete, omdat hij bij een predikant eene overtuiging durfde onderstellen, die thans door velen hunner openlijk van den kansel wordt beleden !

Wat dunkt u, zou dat een regtvaardig vonnis heeten; zou dat vonnis niet reeds lang gecasseerd zijn door de publieke opinie? Zeer zeker; inaar wat zou zulk eene cassatie in het belang der publieke opinie den schrijver baten, die inmiddels de gevangenis-straf ondergaan en de geldboete betaald had? Dat leed is onherstelbaar 1 En al lachte men tegenwoordig ook met dat proces , als niet minder ongerijmd dan de beruchte heksen-processen van den ouden tijd, die vrolijkheid van heden zou den schrijver niet vergoeden, wat hij heden geleden had.

Onderzoeken wij nu, gewapend met deze ernstige waarschuwing tot voorzigtigheid, of het schrijven van den gefingeerden brief den klager aan de verachting en den haat der burgers , d. i, aan de algemeene verachting en aan den algemeenen haat zou hebben blootgesteld.

De heer M. is een predikant der moderne rigting, dit is in confesso.

Wordt die moderne rigting nu door allen als een ideaal van geloof vereerd en beleden ?

Het is er ver van af; zij wordt van alle zijden aangevallen en veroordeeld.

In de eerste plaats door eene magtige kerkelijke partij , die der regtzinnigen. Aan dezen zijn de modernen een doorn in het oog, eene dagelijksche ergernis.

Van dien kant zien wij voortdurend protest aangeteekend tegen de leer, die zij in de Hervormde kerk durven verkondigen, protest tegen hun blijven in die kerk. Nog onlangs noemden zeventien regtzinnjge leden van den Amsterdamschen Kerkeraad de moderne predikanten verkondigers van eene andere godsdienst. En de ontzaggelijke krachtsinspanning en magtsontwikkeling der orthodoxen van den tegenwoordigen tijd is niets dan de reactie, veroorzaakt door de verontwaardiging over de leer der modernen.

En wat is de grief der orthodoxen tegen de modernen ? Niet, dat zij iets anders gelooven dan van ouds in de kerk geloofd is , maar dat zij , stoutweg ontkennende, wat tot nog toe gerekend werd tot het innigst wezen der Christelijke kerk te behooren, in die kerk blijven en hun geloof opdringen als Christelijk geloof. Dat zij, uitgaande van eene geheel andere levens- en natuurbeschouwing, nogtans plegtigheden verrigten , die voor hen geen zin of beteekenis kunnen hebben , en waarbij zij dus niet kunnen blijven voorgaan , zonder zich schuldig te maken aan kunstmatig geloofsvertoon.

En ook hier ontmoeten de uitersten elkander; de regtzinnigen hebben in hun strijd tegen de modernen geen warmer bondgenoöten dan de volkomen onregtzinnigen.

Het oordeel van den app. over de modernen is bekend. Zelf tot predikant bestemd, zelf tot theologiae doctor en proponent der Nederduitsch-Hervormde kerk, behoorde hij onder de eersten, die tot de overtuiging kwamen, dat de moderne wereldbeschouwiug onvereenigbaar is met het leeraarsambt in die kerk , en zei haar daarom vaarwel.

Sinds dien tijd heeft hij r.iet opgehouden te betoogen , dat dit de consequentie is der moderne begrippen , en dat zij , die in die kerk blijven , geweld moeten doen aan hunne overtuiging.

«Zij hebben het geloof omgesmeed tot een passe-partout; zij veroorloven zich het brood te eten van een God, dien ze onttroonden, j en zich te kleeden in den mantel van den profeet, wiens waardigheid ze ontkennen zoo verklaarde nog zeer onlangs Multatuli in zijne vlijmende philippica tegen de modernen. Ideeën, 4de bundel , 2de stuk, bl. 141.

Zelfs zij , die de moderne rigting tot zekere hoogte waarderen en in bescherming nemen, laten aan de principiële bezwaren, welke de app. niet opgehouden heeft tegen haar aan te voeren, regt wedervaren.

Ten bewijze daarvan haal ik aan het merkwaardig afscheidswoord van den Gorinchemschen emeritus-predikant, Dr. J. H. Holwerda, vóór weinige weken in druk verschenen.

Deze alles behalve regtzinnige predikant schetst in zijn afscheidswoord de ontwikkeling der theologie gedurende zijn een-en-veertigjarigen diensttijd.

Hij wijst er o. a. op, dat de rationalisten in de Hervormde kerk van oordeel waren, dat het Christendom hoe langer hoe meer het tijdelijk en plaatselijk karakter moest afleggen , om zich zoo doende te kunnen aansluiten bij de moderne wereldbeschouwing, men noemde dat de leer der perfeetibiliteit.

De onpartijdige beschouwer, zegt Dr. Holwerda (bl. 29) , is ver. pligt te verklaren, dat die leer nergens anders toe leiden kan en dienen moest '/dan om het oorspronkelijk Christendom ongevallig te wijzigen, te plooijen , te vervormen, haast had ik gezegd: te verfronselen.» En, voegt hij er bij: "de geheele nieuwere theologie wordt door die denkbeelden geleid en beheerseht.//

Het is dan ook niet te verwonderen , dat hij eenige bladzijden verder (bl. 38) verklaart, dat de eigenlijke theologie der modernen hem niet kon bevredigen. "Ook zij lijdt aan de kwaal der nieuwere theologie," d. i., zij poogt aan datgene in het Christendom, wat haar niet aanstaat., wat zij niet verduwen kan, eene andere gedaante te geven. Somtijds ook nemen de modernen daartoe verkeerde uitleggingen te hulp en verloochenen of vergeten dan hun eigen beginselen. Doch," zoo besluit Dr. H. zijne beschouwing over de modernen, "doch wij willen daar niet langer bij stilstaan, daar wij reden hebben te vermoeden , dat zij, althans velen hunner, hoe langer hoe meer een anderen weg zullen gaan bewandelen." Welken weg Dr. II. hier bedoelt, ligt natuurlijk voor de hand , den weg, die uit de kerk leidt.

Ziedaar nu, E. G. A. H., eene gansche kerkelijke rigting, die der orthodoxen, en twee mannen van hemelsbreed verschillend karakter, de vurige, de dweepende Multatuli en de kalme taalgeleerde en predikant Dr. Holwerda, die allen met den app. vi:n overtuiging zijn, dat de modernen het Christendom verfronselen en verhaspelen, en dat hunne plaats niet in, maar buiten de Christelijke kerk is.

Maar dan vraag ik ook: hoe is het mogelijk, dat de moderne predikant, die tot diezelfde overtuiging komt, die begint in te zien, dat hij tot nog toe het Christendom heeft verfronseld , en die , op grond van dat beter inzigt, daarvan een afkeer krijgt, en verklaart zijne betrekking liever heden dan morgen te willen neêrleggen; hoe

is het mogelijk, dat die predikant zich daardoor aan de algemeene haat en verachting zou blootstellen ?

Zouden de orthodoxen hem niet toejuichen ; zouden de velen , die de gevoelens van Dr. Holwerda en van den app. huldigen, hem de hand niet reiken en hem gelukwenschen met die rondborstige verklaring ?

De goedkeuring van duizenden zou zijn deel zijn. Welnu, dan is het ook eene ongerijmdheid te beweren , dat de algemeene haat en verachting hem zou wachten 1

Maar — en deze tegenwerping dient hier dadelijk ontzenuwd te worden, maar de app. laat den klager schrijven , dat hij zich nog door omstandigheden buiten hem iaat terughouden van het neêrleggen van zijn ambt.

Ziedaar, zoo zal men zeggen, een verwijt, dat de klager transigeert met zijne overtuiging.

Welnu, zoo vraag ik, is transactie met eigen overtuiging in de oogen der maatschappij zulk eene onvergefelijke daad? Vreemde bewering tegenover dezen app.!

Inderdaad, er bestaat tegen Dr. van Vloten geen grooter grief, dan dat hij voor zich zelf van dergelijke transactie niet weten wil , dat bij hem de daad steeds de overtuiging volgt.

Waarlijk, indien de maatschappij allen, die transigeren met hunne overtuiging, met hare verachting strafte, het zou er in onze omgeving heel anders uitzien.

Maar voorshands is daarvan niets te bespeuren. Waar is die geest van transactie zelfs sterker , waar ziet men meer op tegen het breken met de sleur, dan juist op het kerkelijk gebied ?

Het maatschappelijk vooroordeel treft met zijne afkeuring juist hen, die vaarwel durven zeggen wat, volgens hunne overtuiging, geen waarde meer heeft.

Kennen wij ze niet allen , de lieden , die hun huwelijk inzegenen en hunne kinderen doopen laten, alleen omdat de gewoonte het medebrengt, en zonder daaraan voor zich zelf ook maar de minste waarde te hechten ?

Vindt de gemeente daarin iets laakbaars? Integendeel; zij vindt honderdmaal voortreffelijker, dat men de gewone sleur huldigt, dan dat men daarmeê breekt en zijn eigen weg bewandelt. Wat hebt gij er aan, op zulke punten de publieke opinie te trotseren? zoo wordt u van alle kanten te gemoet gevoerd.

"Er is eene wijze van de kerk te eeren en in stand te houden," ; zoo zegt Dr. A. Pierson in zijn woord: "Aan zijne laatste gemeente (bl. 30)," die ik oneerbiedig noem." Zij wordt gevolgd, waar men zich bij de kerk voegt uit sleur, uit zwakheid "uit vrees voor de openbare meening, uit vrees van benadeeling van eigen stoffelijk belang." Bewijs genoeg, dat de openbare meening liever ziet, dat gij uit sleur in de kerk blijft, dan dat ge u daarvan in eerlijke overtuiging afscheidt.

Bewijs genoeg, dat de algemeens haat en verachting u zeker niet treffen zullen , indien u niet anders verweten kan worden , dan dat gij uwe overtuiging niet als éénige leidsvrouw erkent op uw levenspad , dat uwe handelingen den invloed der omstandigheden niet geheel ontgaan , bewijs daarvoor wat de heer M. zelf in de Aprilvergadering van het departement Groningen van den Nederlandschen Protestantenbond meêdeelde aangaande het beantwoorden der vragen bij het afleggen der geloofsbelijdenissen, het bijvoegsel der Prov. Gron. Courant van Maandag 29 April 1872.

Maar is dit miscchien geheel anders, waar het het heilig ambt van Ieeraar betreft? is transactie daar onbekend? zwaait alleen de overtuiging daar den scepter?

Zoeken wij het antwoord weêr bij theologen van professie.

Als van zelf komt ons hier de vroeg gestorven leekedichter voor I den geest. Hem zal men evenmin van liefdeloosheid verdenken , als de verdienste ontzeggen van t'huis te zijn geweest in het kerkelijk leven onzer dagen. Welnu, slag op slag vinden wij in de leekedichtjens toespelingen op predikanten, die met hunne overtuiging transigeren, dan eens om deze, dan weêr om gene reden. N°. 23, 26, 32, 35, 75 en 77.

Ziedaar door de ondeugende scherts van een onzer beminnelijkste dichters, daarenboven zelf gewezen predikant, volkomen bewezen, dat niet weinigen zijner vroegere collega's zich door allerlei omstandigheden laten verleiden tot ontrouw aan hunne wezenlijke overtuiging.

Maar aan geen van allen wordt zonder omwegen Verweten den kansel te blijven beklimmen met de wetenschap daarop niet meer t'huis te behooren, zoo voert men mij tegen.

Er zijn vrome mannen geweest, E. G. A. H., die dat gedaan en het openlijk erkend hebben, zonder zich daarover eenigzins bezwaard te maken.

De schrijver van de Stunden der Andacht, een boek ook hier te lande bekend en geliefd, waaruit velen stichting putten, do predikant Heinrich Zschokke, heeft in zijn Selbstscheu (I, 54) verklaard: "Men zal er zich over verwonderen, hoe ik bij mijn twijfelen of ongeloof zoude blozen een christelijker! leerstoel te beklimmen, met ware geestdrift en zalving bidden, met volle overtuiging over goddelijke dingen spreken kon. Ik was geen huichelaar. Men buigt zich immers tot het kind neder, dan men wil opheffen. Ook Christus sprak dikwijls overeenkomstig vele vooroordeelen en naar de ziens- en denkwijze der Joden ; ook Paulus hechtte, om velen te winnen, voor allen alles te worden. Wel duizenden geestelijken zijn nog in onze dagen genoodzaakt zóó te spreken, mannen die ik niet gaarne van huichelarij beschuldigde of zelfs verdenken zou."

En Dr. Holwerda, die deze verklaring meêdeelt, teekent den schrijver (bl. 28) als: "een in alle opzigten achtenswaardigen man, die de wereld en de menschen kende, die blijkbaar het goede wilde en waar hij kon krachtig bevorderde." Ziedaar de meest ongeveinsde lofspraak op een man, die zelf bekent zonder blozen in ongeloof den kansel beklommen en daar met zalving gebeden te hebben. En die man , ik zeide het reeds, neemt eene eerste plaats in onder de stichtelijke schrijvers, van haat of verachting der burgers geen spoor 1

En hoe het den predikant,, die de moderne rigting van ganscher harte is toegedaan, soms te moede wordt bij het uitoefenen der openbare godsdienstoefening, schetst ons Dr. Pierson in zijn straks genoemd afscheidswoord aan zijne laatste gemeente (bl. 20 en 21). *Hij huivert bij het denkbeeld, dat hij overluid, week aan week, ten aanhoore van honderden moet staan te bidden ; hij bedient den doop, maar hij vermag geen redelijken zin te hechten aan de doopsformule enz. Dit alles werkt in zijn oog onnatuurlijkheid, forma-" lisme in de hand. Zoo het aan de eene zijde vaststaat, dat de kerk hem de schoonste gelegenheid opent om veel nut te stichten, toch vraagt men onwillekeurig, of de maatschappij ten slotte niet een demoraliserenden invloed moet ondervinden, wanneer een man, die zich een prediker der waarheid noemt, het uitbarsten van de ergernis der gemeente in den regel alleen voorkomen kan door het gebruiken van voor hem zinledige uitdrukkingen, of door het deelnemen aan voor hem overtollige handelingen.

"Er zijn er, die zich in deze wereld van onnatuurlijkheden gemakkelijk kunnen schikken, die zich met eene verwonderlijke, misschien benijdenswaardige naïviteit blijven bedienen van allerlei woorden en voorstellingen , die nogtans door hun eigen wetenschappelijk standpunt gevonnisd zijn."

Aldus Pierson in gemoedelijke openhartigheid, en zijne laatste zinsnede bewijst ons, dat Zschokke niet alleen staat.

Naauw sluit zich hierbij weêr de mededeeling van Dr. Holwerda

aan (bl. 39), door een scherpzinnig man te hebben hooren zeggen : "wat een predikant gelooft, daar hebben wij geen onderzoek naar te doen ; hij die leert, wat het genootschap belijdt, is verantwoord ; en omgekeerd het genootschap kan en mag niets anders vorderen." En al verwerpt Dr. II. die meening voor zich zelf, hij erkent toch, dat er in dit denkbeeld tot op zekere hoogte waarheid ligt, en dat het ook zeer praktisch is.

Een schrander man is van oordeel, dat de predikant, onafhfmkeiijk van eigen overtuiging, kan leeren wat zijn kerkgenootschap leert; en een predikant werpt die stelling niet met verontwaardiging weg, maar erkent, dat daarin tot op zekere hoogte waarheid ligt.

Ook hier weder geen spoor van dien algemeenen haat en verachting , die op eene dergelijke verklaring zou moeten volgen, zoo als men u tracht te doen gelooven.

Wij behoeven voor dit doei niet verder theologische schrijvers te hooren. De beschouwing van hetgeen wij om ons heen zien gebeuren, brengt ons tot dezelfde overtuiging.

Wij allen, E. G. A. H., kennen moderne predikanten, die de kerk vaarwel hebben gezegd, omdat zij gevoelden daarin niet langer te huis te behooren, en daaronder mannen van groote reputatie, aanvankelijk aanvoerders der modernen, geëerde schrijvers, die eerst met alle kracht het regt der modernen om in de kerk te blijven verdedigd hadden.

Daar moet dus een strijd zijn ontstaan in hun binnenste , een geweldige strijd tusschen de eerste overtuiging, die hen tegenover veler aanval deed uitroepen: wij blijven, en die andere, die hun, in weerwil van die verklaring, gebood te gaan.

Maar terwijl die strijd bestond, beklommen zij toch deu leerstoel, ook al groeide do "tweede" overtuiging langzamerhand de eerste over het hoofd, ook al werd eindelijk de twijfel grooter dan het geloof.

En wel verre daarin iets laakbaars te vinden , heeft men zelfs gezegd , dat hun werk slechts eerbiedwaardiger kon worden dan den zielestrijd, waarmeê het gepaard ging.

Eindelijk is het oogenblik gekomen , waarop de twijfel volkomen de overwinning behaalt.

Zal nu de man, in wiens boezem die strijd misschien jaren geduurd heeft, van de beslissing dadelijk kennis geven ? Indien die beslissing heden plaats vindt, zal hij dan morgen reeds zijn ontslag hebben aangevraagd.

Ongerijmde onderstelling.

Wie zal het laken, zoo hij tot dien stap, eene gansche omwenteling in zijn leven, niet te haastig besluit en in alle geval zich zelf beproeven wil om te zien, of de overwinning van den twijfel inderdaad eene besliste is ? Wie zal het veroordeelen , dat hij huiverig is om eene bediening vaarwel te zeggen , waarin hij geruimen tijd is werkzaam geweest, dat hij ook denkt aan zijne stoffelijke belangen, en niet roekeloos eene betrekking wegwerpt, die voor hem en do zijnen eene levensvoorwaarde kan zijn ?

Laat ons eerlijk erkennen, dat het van hen, die de kerk verlaten willen, dikwijls niet te vergen is, dat zij dit steeds doen op het oogenblik , dat zij begrijpen daartoe in geinoede verpligt te zijn. Voor de meesten wordt het oogenblik om daartoe over te gaan door de omstandigheden bepaald.

Het is immers een gewoon verschijnsel, dat predikanten den kansel regtstreeks en zonder tusschen-periode verlaten voor eene andere betrekking en daarin de algemeene achting genieten.

Toch zal niemand beweren, dat hun geloof eerst verloren ging op het oogenblik , dat zij het laatst den kansel betraden.

Zij, die bij hunne daden met de omstandigheden rekening houden , worden waarlijk niet getroffen door de algemeene verachting. Integendeel de maatschappij noemt hen goedkeurend weroldwijs.

Over hen daarentegen, die van geene transactie met overtuiging willen hooren, die als éénig rigtsnoer erkennen: "fa is ce que dois, advienne que pourra," haait de wereld maar al te vaak de schouders op en noemt hen medelijdend arme dwazen en onpractische d weepers 1

Ook de app., die voor zich zelf nimmer geschroomd heeft betrekkingen op te offeren aan zijne overtuiging, eerbiedigt daarbij van anderen den invloed der omstandigheden ten volle.

Zoo schreef hij reeds in het Deventer Weekblad van l Nov. 1871: "Daarenboven kom ik er rond voor uit, dat ik in zake het moderne schijngeloof veei minder schuld nog in deze voorgangers der gemeente dan in hunne geestverwante volgelingen en toejuichers vind. Voor de meesten , voor velen der eersten althans zijn verzachtende bij-omstandigheden aan te voeren , en moet men hen daarom persoonlijk niet al te hard vallen." Datzelfde gevoelen wordt meer uitvoerig herhaa.d in zijn dezer dagen verschenen Levensbode bij de bespreking van de naar aanleiding van Dr. Holwerda's afscheidswoord op nieuw behandelde vraag, wat den moderne te doen staat.

"Niet den schijn langer gehandhaafd" zoo schrijft de app. daar, "die begrippen nog voor te staan , eu onder de woorden , waarmede zij worden uitgedrukt, geheel andere, dikwerf volkomen tegenovergestelde verkondigd. In theorie zou dit zeker de eenigst wenschelijke en aannemelijke uitkomst zijn. De praktijk echter, die in alle maatschappelijke zaken mede een woordje heeft in te brengen, komt met ware bezwaren tusschen beiden en htelt uitzonderingen op den algemeenen regel voor. Die uitzonderingen kunnen onder eene voorwaarde worden aangenomen, dat zij namelijk, die ze voor zich persoonlijk willen laten gelden , zich tevens ten voile bewust toonen van het kerkelijk overgangs-standpunt, dat zij innemen. Ik heb van tijd tot tijd moderne predikanten leeren kennen, regtschapen en beminnelijke mannen, die of door hunne hoogere jaren of door hunne levensomstandigheden , niet in de gelegenheid waren een kerkambt vaarwel te zeggen, waarin zij met ijver en liefde werkzaam waren , al zagen zij volkomen den loop der dingen en den onvermijdelijken ontwikkolings-overgang der godsdienstige wijsgeerige denkbeelden. Welnu, Jaat dezulken in de kerk blijven; zij kunnen er niet anders dan nut stichten; zij zullen voor hunne belangstellende hoorders den overgang tot meer vrije begrippen gemakkelijk maken".

Ziedaar het oordeel van den app. over die predikanten, die zich door omstandigheden laten terughouden van het onverwijld neerleggen hunner betrekking. En indien de app., die voor zich zelf zoo wars is van transactie, zoo verschoonend oordeelt, hoeveel zachter zal dan nog wel het oordeel der groote menigte zijn, uie van transactie veel minder afkeerig is.

Voor den predikant, die zich door de omstandigheden van het neêrleggen zijner betrekking laat terughouden, alzoo geen algemeene haat noch verachting, ziedaar onze conclusie.

Welnu, dan zou ook de predikant Mosselmans den gefingeerden particulieren brief hebben kunnen schrijven, zonder zich aan de verachting der burgers bloot te stellen, en daarmee is de eerstgesteide vraag ontkennend beantwoord en vervalt alle denkbeeld van laster.

Ad IIura. Gaan wij thans over tot het onderzoek , of de app. de bedoeling heeft gehad om tc beleedigen.

Zonder die bedoeling toch is laster ondenkbaar; hier toch geldt in den volsten zin het bekende: "actus non facit reuin, nisi mens sit rea". Het moet vaststaan, dat bij den app. de bedoeling heeft bestaan om den klager te lasteren, er moet blijken van animus injuriandi, van intention de nuire.

Verzuimen wij echter niet, bij de beoordeeling van dit vereischte, te luisteren naar de ernstige waarschuwing van Grellet-Dumazeau, Traité de la dijfamation, I, n . 226:

#11 ne faut pas confondre 1'intention avec la volonté", zegt deze,

Sluiten