Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met over bezwaren heen te stappen en aan het pandcontract zijne eigenaardige vormen te verzekeren. In zoover verklaarden zich die leden met het ingediende wets-ontwerp dan ook ingenomen.

§ 5. Tot de nadere beschouwing van het ontwerp overgaande, besprak men vóór alles den vorm, waarin het gekleed is.

Sommige leden hadden bezwaar tegen dezelfde nommering der afgeschafte en der nieuwe artikelen. Is men gedwongen om aan te halen bijv. art. 1198 van 1838 en art. 1198 van 1873, dan zal dit, met het oog op het gebruik van oude en nieuwe uitgaven, ligtelijk tot verwarring leiden. Deze leden stelden voor, de afgeschafte en gewijzigde bepalingen in het wetboek te behouden, en het nieuwe artikel, voorzien van een onderscheidingsteeken, bijv. eene letter, telkens achter het oude te laten volgen. Door die methode wordt het bij een zoo ingewikkeld onderwerp niet te versmaden voordeel verkregen, dat men de geschiedenis der wetsbepaling in aanschouwelijken vorm voor oogen heeft. De meerderheid kwam tegen dit voorstel in verzet, bewerende, dat het in strijd is met het denkbeeld van codificatie. Het wetboek is geen handleiding voor historische regtsstudie, maar dient tot een volledig zamenstel der geldende wetsbepalingen en van deze alle'én. Zij beriep zich daarbij op het voorbeeld van de bepalingen omtrent de boedelscheiding in 1843 en achtte den toen ingeslagen weg den waren. Of er door de herziening een artikel meer of minder in het wetboek komt, is een ongerief van ondergeschikten aard; hoofdzaak is getrouwe handhaving van het beginsel der codificatie.

Daarbij werd door vele leden de wensch uitgesproken, dat de Regering zich niet bepale tot de herziening van enkele artikelen, die betrekking hebben op het pandregt, maar den geheelen negentienden titel van het tweede boek van het Burgerlijk Wetboek aan eene herziening onderwerpe, niet ten einde alle bepalingen te veranderen, maar ten einde zorgvuldig na te gaan of niet nog andere artikelen dan de in dit wets-ontwerp begrepene, eene wijziging of aanvulling behoeven. De Regering heft het vereischte der schriftelijke acte op en wijzigt slechts drie bepalingen, welke op dat vereischte betrekking hebben. Nader zal blijken, dat ook ten aanzien van andere artikelen de wenschelijkheid eener herziening geuit werd. Bij zoodanige ruimere herziening van den titel in zijn geheel, ware het denkbaar, dat tevens elk formeel bezwaar verviel. Eenige leden prezen de Fransche wet van 23 Mei 1863 ter navolging aan, waarbij twee nieuwe afdeelingen, de eerste over pand, de tweede over commissionnairs in het algemeen, zijn ingevoerd, ter vervanging der oude artt. 91 tot 95 van den Code de Commerce (vergelijk § 8).

De commissie van rapporteurs zou het met de meerderheid wenschelijk achten, dat de geheele materie van het pandregt worde herzien en derhalve worde nagevolgd het voorbeeld der wet van 31 Mei 1843 (Staatsblad n°. 22), die strekte «tot intrekking en vervanging van de eerste afdeeling van den zestienden titel van het tweede boek van het Burgerlijk Wetboek».

§ 6. In naauw verband met deze laatste opmerkingen werd, met betrekking tot den omvang dezer voordragt, gewezen op het voornemen der Regering, om wijzigingen te brengen in het voorregt der commissionnairs. Dit voornemen werd toegejuicht, daar de woonplaats van den commissiegever (in het buitenland, in het binnenland of in dezelfde plaats met den commissionnair) geen beginsel is waarop eene goede regeling van het pandregt van den commissionnair steunen kan. Maar nagenoeg algemeen was men van gevoelen , dat op die toegezegde regeling niet wachten kan eene verandering van art. 85 Wetboek van Koophandel. Want dit artikel zal ook, indien dit voorstel wet wordt, b.Mjven vorderen eene schriftelijke acte, en wel «overeenkomstig de beschikkingen van het Burgerlijk Wetboek», die dan afgeschaft zijn.

De cü.mmissie van rapporteurs geeft in overweging in het ontwerp op te nemen eene bepaling, waarbij het slot van art. 85 Wetboek van Koophandel aldus gelezen wordt: »ten ware hem die goederen of effecten in pand zijn gegeven».

§ 7. Doch wanneer men zich bepaalt tot het standpunt der Regering, is dan de verwachting geregtvaardigd, dat het ontwerp, zoo als het werd voorgedragen, werkelijk het maatschappelijk en het handelsverkeer gerieven zal?

De beantwoording dier vraag gaf nog tot menige beschouwing aanleiding.

Het zwaartepunt van dit wets-ontwerp ligt in de afschaffing van het vereischte der schriftelijke acte van eene zekere dagteekening voorzien. Echter levert de schriftelijke acte op zich zelve geen bezwaar op, getuige immers het algemeen gebruik in den handel om bij beleening van goederen en effecten schriftelijke overeenkomsten te sluiten. Van den anderen kant vloeit meer dan een bezwaar voort, zoowel uit het wegvallen der schriftelijke acte, als uit het wegvallen der zekere dagteekening.

Uit het wegvallen der schriftelijke acte. Een bezwaar ligt reeds in de moeijelijkheid, om voortaan tegenover derden het bewijs van het zakelijk regt te leveren. Eenige leden merkten op, dat de wet dient te onderscheiden de overeenkomst tusschen pandgever en pandnemer , en de vestiging van het zakelijk regt. Tegen derden komt het er evenwel niet op aan de overeenkomst, maar wel het zakelijk regt te bewijzen. Hoe zal, vroegen deze leden, voortaan het pandregt tegen derden te bewijzen zijn ? Door bekentenis toch wel niet (art. 1962 Burgerlijk Wetboek); evenmin zal in den regel getuigen bewijs mogelijk wezen. Het zakelijk regt ontstaat door dat de schuldeischer in het bezit gesteld wordt van de verpande zaak met de bedoeling aan de zijde van den schuldenaar, om haar voor eene bepaalde schuld te verpanden. De wet moest daarom', naar men meende, hier tegenover derden de toepassing erkennen van het beginsel: possession vaut titre.

Door andere leden werd in overweging gegeven bij het wegvallen van art. 1197, eene bepaling in het leven te roepen in den geest van art. 1737 van het Burgerlijk Wetboek. De commissie van rapporteurs merkt echter op, dat het bewijsmiddel van laatstgemelde bepaling alleen kan gelden tusschen den pandgever en den pandhouder.

Zij, die zich tegen het wegvallen der schriftelijke acte verklaarden, beriepen zich op het gevoelen der kamer van koophandel en fabrieken te Amsterdam, blijkens haar brief van 26 Augustus 1868 aan den minister van Justitie. De Rotterdamsche kamer had voorgesteld om het pand-contract ook mondeling te doen afsluiten. De Amsterdamsche kamer zegt dienaangaande het volgende: «Wij achten dit gevaarlijk en eene bron van onzekerheid. Wij meenen, dat het schriftelijk opmaken van een pand-contract, in het bijzonder wanneer het vereischte der zekere dagteekening opgeheven wordt, geene bezwaren oplevert; maar integendeel, dat hieraan algemeen de voorkeur wordt gegeven. Het pand en ook de voorwaarden van het contract toch moeten, met volkomene vrijlating van don vorm, duidelijk worden omschreven ten tijde dat dit wordt gesloten, opdat dienaangaande later geenerlei twijfel zal kunnen ontstaan.»

Eveneens ontstaan bezwaren uit het wegvallen der zekere dagteekening. Naar het oordeel van vele leden acht de Regering aan het slot van § 6 der memorie van toelichting het verdwijnen van dien waarborg tegenover derden veel te gering. Vooral bij de toepassing van art. 774 Wetboek van Koophandel zal men het gemis der zekere dagteekening ondervinden. Het bewijs door alle middelen regtens staat ongetwijfeld open, maar het zal bijna nooit te leveren zijn. Ook het beroep op de actio Pauliana (art. 1377 Burgerlijk Wetboek — art. 777 Burgerlijk Wetboek is in de memorie van toelichting eene drukfout — en art.

777 Wetboek van Koophandel) is onpraktisch. Of leert niet de ondervinding, dat die actiën zelden gewonnen worden, omdat het bewijs van den animus fraudandi aan beide zijden moeijelijk te leveren is. Door eenige leden werd hiertegen opgemerkt, dat hetgeen door pand niet, door verkoop toch geschieden kan; tegen verkoop van goederen één dag voor het faillissement is niets te doen, tenzij andere crediteuren bedrog bewijzen.

Een ander bezwaar. Volgens het wets-ontwerp zal een pand-contract bij met-geregistreerde schriftelijke acte of ook zonder acte kunnen worden aangegaan, en niettemin kracht hebben tegen derden. Hoe is daarmede te rijmen de bepaling van art. 1917 Burgerlijk Wetboek: «Onderliandsche acten hebben ten aanzien harer dagteekening, tegen derden geene kracht dan van den dag dat dezelve zijn geregistreerd enz.?» Geheel tegen de bedoeling zou art. 1917 voor het afgeschafte art. 1197 in de plaats komen. Ook deze bedenking verdient nadere opheldering.

§ 8. De Fransche wet van 1863 heeft de vrijmaking der pandovereenkomsten van bijzondere vormen beperkt tot handelszaken. Ook in Duitschland (namelijk in de landswetten van Duitsche Staten) bestaan nog blijkens art. 309 van het algemeen Duitsche Handelswetboek »zur Bestellung eines Faustpfarides in dem bürgerlichen Rechte vorgeschriebene Förmlichkeiten», die voor het handelspand niet gevorderd worden. De Regering volgt dat voorbeeld niet en maakt geen onderscheid tusschen verpanding of beleening, gesloten door particulieren en gesloten door kooplieden. De meerderheid vereenigde zich met dit denkbeeld, en sommigen verklaarden alleen om die gelijkstelling het wegvallen van de schriftelijke acte te kunnen goedkeuren. Men erkende, dat de lijn tusschen pandgeving door handelaars in handelszaken en andere pandgeving moeijelijk te trekken is, dan alleen ten aanzien van hot pandregt op schepen, dat afzonderlijk jn het Wetboek van Koophandel is geregeld en waarop art. 1207 Burgerlijk Wetboek doelt. Particulieren maken van beleeningen althans niet minder gebruik dan kooplieden.

Maar het doel, dat de Regering zich voorstelt, zal door dit wetsontwerp niet worden bereikt, aangezien daarbij een belangrijk onderscheid tusschen de bewijsmiddelen, aan den handelsstand toegekend, en die, welke aan particulieren toekomen, in stand wordt gehouden. Men denke aan het bewijs door getuigen, door vermoedens , door koopmans-boeken.

Getuigenbewijs. Bij het wegvallen van art. 1197 Burgerlijk Wetboek zal de overeenkomst van pandgeving en het pandregt tegen derden bestaan ook zonder schriftelijke acte. De overeenkomst zal dus bewezen kunnen worden door al de bewijsmiddelen omtrent andere overeenkomsten toegelaten. Derhalve zal volgens de artt. 1933 en 1939 van het Burgerlijk Wetboek het getuigenbewijs slechts kunnen worden gebruikt, wanneer het onderwerp der verbindtenis de som of de waard.o van drie honderd gulden niet te boven gaat, of wel wanneer er r„en begin van bewijs door geschrift aanwezig is. Daarentegen zal volgens art. 1 Wetboek van Koophandel het getuigenbewijs tot ieder bedrag geoorloofd zijn. Deze laatste bepaling wordt in het systeem van het wets-ontwerp toepasselijk op pand.

Sommige leden, die voor het behoud van art. 1197 waren, maar toch de onderscheiding tusschen pand in burgerlijke en handelszak en (wat goederen en effecten betreft) afkeurden, wilden in dat artikel in de plaats van honderd gulden schrijven: »drie honderd gulden.»

Bewijs door vermoedens. Vermoedens, welke op de wet niet gegrond zijn, kunnen (volgens art. 1959 Burgerlijk Wetboek) alleenlijk in aanmerking komen in de gevallen waarin de wet het bewijs door getuigen toelaat. Derogatie aan die bepaling schijnt in b et stelsel der Regering eveneens noodig. Men zou door vermoedens b.et bestaan van het pand-contract moeten kunnen bewijzen, ook al'j getuigenbewijs niet wordt toegelaten.

Bewijs door koopmansboeken. Het bewijs, dat rïgtig gehouden koopmansboeken bij handelingen tusschen kooplieden opleveren, is voor particulieren uitgesloten, die door geen wettelijk voorschrift toit het houden eener geregelde administratie hunner zaken gedwongen worden en wier boeken , hoe naauwkeurig ook gehouden, geen bewijs opleveren. Uit koopmansboeken zal echter pand kunnen worden bewezen. Dit is dus weder een belangrijk verschil.

De slotsom dezer beschouwingen was, dat tot bereiking van heit beoogde doel gelijkstelling van bewijs bij pand-overeenkomsten, hetz.ij door kooplieden, hetzij door particulieren aangegaan, volstrekt noot'jg is. Kooplieden en particulieren, het contract sluiteöde, hebben aanspraak op gelijke regten en bescherming.

De commissie van rapporteurs geeft in overweging de opneming eener bepaling, waaruit volgt, dat voor het bewijs van het bestaan van een burgerlijk pand-contract alle bewijsmiddelen worden toegelaten, die in zaken van koophandel regtens zijn. Zij erken.t, dat | zelfs daardoor de ongelijkheid ten aanzien van koopmansboek en toch niet zoude worden weggenomen.

§ 9. Eindelijk werden nog eenige bijzondere punten be sproken , waarop aanvulling van het wets-ontwerp wenschelijk schee' j.

a. Is het niet raadzaam bij deze gelegenheid art. ll'jg van het Burgerlijk Wetboek aan te vullen? Bij verlies of diefsta'i verliest de schuldeischer zijn regt op het verpande voorwerp. Want art. 2014 is niet op hem van toepassing. Dit geeft het regt, in de \weede alinea omschreven, alleen aan den eigenaar. Het hangt dus u.itsluitend van den schuldenaar af, door uitoefening van het regt, c' at hij volgens art. 2014 heeft, den schuldeischer te herstellen in het bezit van het verloren of gestolen pand. De cominissio van rappe,rteurs acht het wenschelijk de vordering in art. 2014 toegekend ae.n den eigenaar, ook te geven aan den pandhouder.

b. De in-pand-geving van schuldvorderingen z.onde r titel is volgens eenige leden thans in ons wetboek niet geregeld. Airt. 1196 gaat uit van de onderstelling, dat bij het vestigen van het ppj >dregt altijd eene roerende zaak aan den schuldeischer wordt ter baad gesteld. Toch heeft de in-pand-geving van schuldvorderingen zonder titel wel eens plaats. Deze soort van pand, waarbij een tastbaar voorwerp ontbreekt verdiendo, volgens hen, in dit wets-ontwerp te -worden geregeld.

c. Een aantal leden, wijzende op art. 1207 Burgerlijk Wetboek, herinnerden dat nog altijd eene regeling van de bankesn van leening en pandjeshuizen achterwege bleef. Na de parlementaire-voorbereiding, welke die regeling reeds ondergaan heeft, schijnt, naar hunne meening, afdoening niet langer te mogen ontbreken.

d. Zal dit wets-ontwerp ook invloed oefenen op den vorm van pandgeving van inschrijvingen op de grootboeken der nationale schuld? Men antwoordde ontkennend, met beroep op den regel : X n toto jure generi per speciem derogatur. Dit ontwerp laat dus de wet geving op het grootboek onaangeroerd. (Men vergelijke de wet van 2 7 Januarij 1809, die het grootboek instelde, en het reglement van S'3 Februarij 1809; voorts de wet van 14 Mei 1814, Staatsblad n". 5t', en het reglement op de overschrijving, vastgesteld bij besluit van Q en Souvereinen Vorst van 22 December 1814, Staatsblad n°. na.)

De commissie zegt ten slotte, dat zij hiermede haar versli ig meent te kunnen sluiten en heeft overleg met de Regering in den tet jeni woor-

digen stand der zaak niet wenschelijk geacht, daar de bedenkingen in het verslag van dien aard zijn, dat de Regering, naar het oordeel der commissie, eene geheele omwerking van het wets-ontwerp in overweging zoude moeten nemen.

Vastgesteld 17 Mei 1873.

vanKuyk, Godbïroi, Smidt, Heemskerk, van dek Linden.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 23 Mei 1873.

Voorzitter, Mr. F. de Greve.

Voogd. — Loon. — Legaat. — Successie.

Is het loon aan een voogd, bij testament toegekend, te beiehouwen als legaat'! — Neen.

Is daarvan successieregt verschuldigd? — Neen.

Het Bestuur der Registratie en Domeinen, eischer in cassatie, pfo-'

cureur Mr. C. J. Franijois,

tegen

vrouwe H. M. S. J. Engelke, weduwe van Jhr. C. C. A. Ridder wt1

Rappard c. s., verweerders , procureur Mr. M. Eysselx,.

De adv.-gen. Mr. Smits heeft in deze zaak de volgende concliwi® genomen:

Edel Hoog Achtbare Heeren, President en Raden! De heer .Thr» C. C. A. Ridder van Rappard, in 1871 te Hannover overleden, heeft bij zijn testament o. a. den tweeden verweerder benoemd tot voogd; over zijne vier minderjarige kinderen en erfgenamen ab intestato, es aan dezen daarbij het regt verleend om, indien hij als voogd mogt optreden , ten eigen bate voor beheer in rekening te brengen 5 petvan het netto bedrag der in de opgedragen voogdij voor ieder der minderjarigen te ontvangen inkomsten.

Jjit is uitgemaakt bij de eerste overweging guo ad facta.

Het eischend Bestuur meent, dat wegeus deze beschikking regt van 'successie is verschuldigd, doeh de Regtbank te Utrecht was van een tegenovergesteld gevoelen en heeft het door den eischer uitgevaardigd dwangbevel, waartegen de verweerders in oppositie waren gekomen , nietig en van onwaarde verklaard en het buiten effect gesteld.

Tegen het vonnis, waarbij dit geschiedde, is de tegenwoordige voor' aiening gerigt. Het eisehend Bestuur beweert, dat daarbij zijn g«' schonden en verkeerd toegepast een aantal artikelen van de wet op het regt van successie enz. van 13 Mei 1859 (Stbl. n°. 36) en van het Burgerlijk Wetboek.

Partijen zijn het echter eens, dat de beslissing grootendeels, z°°' niet uitsluitend, afhangt van de interpretatie, te geven aan art. 1 der successie-wet en 469 , 2de lid, B. W.

De Regtbank zet bij haar vonnis op den voorgrond, dat, volgen» art. 1 der wet van 13 Mei 1859 (Stbl. n». 36) op het regt van suC' cessie en van overgang, onder den naam van successie, eene belastinSS wordt geheven van »al wat geërfd of verkregen wordt uit den bo®ï«' van een ingezeten des ryks, door zijn overlijden», doch dat aan de daarbij bedoelde belasting niet worden onderworpen de beloonicgen, voor werkzaamheden door den erflater bij testament bepaald;, en dat door de woorden van dat art. 1 : «verkrijgen uit den boedel, alleen is bedoeld het verkrijgen van een legaat, van eene gift, voortspruitende uit des erflaters liberaliteit, door hem bij testament vermaakt.

Deze beslissing is geheel overeenkomstig de jurisprudentie van den Hoogen Kaad. Men zie het arrest van 8 Jan. 1869, bij v. d. Ho>"ERT, Zegel, Heg. en Succ., V, 338, Ned. Regtspr., d. 91 , § 4, geweze» in overeenstemming met de daarbij afgedrukte conclusie van den proc.-gen. Mr. van Maanen, — en m. i. is die zeer juist.

Nu beweert de eischer, dat, daar art. 469 B. W. bepaalt, dat devoogd in geen geval regt heeft op loon , daaruit volgt, dat het altijd onverpligt toegekende loon is eene mera liberalitas, eene gift, die.^ wanneer die geschiedt bij uitersten wil, een legaat daarstelt.

Ik geloof met het beklaagde vonnis en met de verweerders, Öat de voogdij , hoewel in den regel eene onbezoldigde betrekkingvolgens het 2de lid van art. 469 bezoldigd kan worden, w&v-Ji^e** de langstlevende der ouders den benoemden voogd eenig loort heeft toegelegd. Loon is toch het woord dat uitdrukkelijk t»;,j dat gede el'3 van het artikel wordt gebezigd; terwijl nog te aniwler het dcnkbi «ld van legaat, aan de daar vermelde uitkering te hechten, kan i»gan® vinden , omdat het loon niet alleen kan* worden toegelegd bij uito rste wilsbeschikking, maar ook bij de in art. 410 vermelde authentieke acte.

Het is dan de vraag, wat de beschikking bydoelt. Dit kan *'ja eene geheele liberaliteit, het l-ari zij n gedeeltelijke vrijgevigheid f ë®, deeltelijke belooning van w»ürkzaamheden , het kan zijn enkel toeg®1 e"'\ loon om te verkrijgen wekere gewenschte diensten. In het laatste g' *vS kan m. i. geen re.*'c van successie verschuldigd zijn.

En nu hangt geheel van den judex facti af te beslissen , wa de bedoeling van den erflater is geweest. .

De Ho'jge Raad nam dit, in een geheel gelijksoortig geval als onder',verpelijke, aan bij arrest van 13 April 1855 (v. d. Hos® ®' Zerjel, Registr. en Succ, IV, 53, Ned. Regtspr., 50, § 6), . trjeri de Hooge Raad de feitelijke interpretatie van het vonnis nelijk zoozeer onjuist achtte, als de tegenwoordige naar mijne tuiging als juist moet beschouwd worden. .

Wij vinden die interpretatie in de zevende overweging quo ad j luidende: »dat voldoende blijkt dat de bedoeling van den erflaters' ander kan zijn geweest dan om den voogd voor zijn beheer eenüg toe te kennen, en dat wel percentsgewijze, zoodat dat loon zai nemen, naar mate de inkomsten der minderjarige kinderen, te« volge van het bestuur van den voogd, grooter worden en teven3 dezen, van wien niet is gebleken , dat hij als bloedverwant of a ^ gehuwde tot de minderjarigen bestaat, en alzoo verpligt waS betrekking op zich te nemen, daardoor te nopen de voogdij te a vaarden.» ,e0

Onder deze omstandigheden is het nog mogelijk, dat het onoer titel van loon toegelegde, van dat gewigt is, dat daaronder eene raliteit ligt verscholen, dat wat als loon is toegezegd, verre de grf.°be{ overtreft van wat als zoodanig billijk zou zijn. Ook hierin is "'■) vonnis voorzien, want de achtste overweging quo o,d jus zegt. " , eene vijf percents belooning van het netto bedrag der in de °Pge Bjet gen voogdij , voor ieder der minderjarigen te ontvangen inkomsten» ^ is voorgekomen de grenzen eener billijke belooning te overschr'J ^ terwijl zulks dan ook niet door het Bestuur uit dien hoof bestreden.» jj6eï

Op deze feitelijke beslissing moet, dunkt mij, het middel g afstuiten. mel'S

De beslissing van het bestreden vonnis is m. i. geheel overeenk°_ ^ de juiste jurisprudentie van den Hoogen Raad bij het ree de ° „ Jjjj vermelde arrest van 1869. Het betrof toen de belooning (v»n e

Sluiten