Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grond, wat het bedrag dier vordering aangaat, dat da Spartan is "vracht tef?e" betaling eener vracht van 18 shillings sterling per ton , betalen in kontanten tegen den wisselkoers var, den dag ; dat de gevorderde som is het geschatte bedrag der vracht, verminderd met J 143.56 halve commissie, waarop de gedaagden regt hebben; en aat onder de voorwaarden, waaronder het bevrachtings-contract' is gesloten, eene bepaling voorkomt, waarbij als poenaliteit voor nietnakoming der overeenkomst wordt vastgesteld het geschatte bedrag der vracht;

O-, dat tusschen partijen geen geschil is over het cijfer der geschatte vracht;

. > dat het mede tusschen partijen is in confesso , dat zij bij eene ln het Engeisch gestelde chertepartij hebben gecontracteerd ;

y*, dat hieruit de gedaagden aanleiding hebben genomen om bij P eidooi te betoogen , dat het de bedoeling van partijen is geweest, Van zich omtrent de uitlegging dier chertepartij te onderwerpen aan de Engelsche wetten; en dat, aangezien, volgens het Engeisch *j6gt, niettegenstaande de bepaling: «Poenaliteit voor niet-nakoming der overeenkomst het geschatte bedrag der vracht» in eene chertepartij zij opgenomen, de partij, te wier op/.igte do overeenkomst niet 18 nagekomen, toch de werkelijk door haar geledene schade moet bewijzen en op niet meer dan de vergoeding dier schade kan aanspraak diaken, ook de eischers geene aanspraak kunnen maken op het door ten gevorderde bedrag, maar de werkelijk door hen geledene schade Zouden moeten bewijzen;

0. daaromtrent, dat, daargelaten de vraag, welke kracht volgens het •Engeisch regt aan eene dergelijke clausule, in eene cherte-partij voorkomende, moet worden toegekend, of, indien het vaststaat, dat het tusschen partijen gesloten contract volgens de regelen van het Engeisch regt moet worden uitgelegd, de gedaagden hebben bewezen wat ze daaromtrent hebben beweerd , de bedoeling van partijen om zich ten opzigte van de uitlegging hunner overeenkomst aan het Engeisch regt te onderwerpen , die door de eischers evenzeer bij pleidooi pertinent Wordt ontkend, volstrekt niet is at' te leiden uit de omstandigheid dat zij in de Engelsche taal hebben gecontracteerd; dat het hier geldt eene overeenkomst, gesloten in Nederland tusschen Nederlanders op welke uitlegging de regelen van het Nederlandsch regt van toepassing Zijn ; dat nu volgens dat regt de weïtiglijk gemaakte overeenkomsten, aan hen, die dezelve hebben aangegaan, tot wet verstrekken en het bedrag van poenaliteit, tot zekerheid van de nakoming eener erbindtems gemaakt, strektin plaats van vergoeding van kosten, schaden en interessen, welke cie schuideischer lijdt uit hoofde van het met-nakomen der hoofdverbindtenis, zonder dat bij wege van schadevergoeding eene meerdere of mindere som kan worden toegewezen dan oiji contract was bepaald; waaruit volgt, dat de eischers geheel in hun tv. fZ n.U ' weSens het niet nakomen van het bevrach tings-conïact aan zijde van de gedaagden, als schadevergoeding van deze eischen

nalitei)tdagVaardi'lg gev0rderiie bedraS > de bÜ contract bedongen poe-

0., dat ook de gedaagden niet gefundeerd zijn in hunne bewering, dat op grond van de artt. 464 uit. en art. 4U8, 2° W Iv het be S der vrachtrekening van de Spartan over de reis' van s'antander naar Antwerpen van het bij dagvaarding gevorderde moet worden «getrokken , daar toeh in het onderhavige bevrachtings-contract de Wettiglijk door partijen gemaakte overeenkomst, het beding van poeiteit .partijen tot wet verstrekt, alle vergoeding van kosten, scha• V *Ilteressen> die zonder dat beding zouden zij o verschuldigd, zich ..'e P°enaliteit oplost, en derhalve de bepalingen van de aangehaalde dm-!, 1-i"' Schreven met het oog op bevrachtings-contracten, waarbij "" n'6t 'S Seraaakt. tier van geene toepassing zijn; , '.dat alz0° den eischers de eisch moet worden toegewezen ;

amT™"?;.!64 Volfe" W" K"> art- 1 ™ hetzelfde wetboek, . 1281, 128o, 1340, 1343, 1374 B. W., artt. 586 en 56 B. R.; «egt doende enz.,

levanTrende he' door sedaagden aangeboden getuigenbewijs, als irre-

Van'eK00ldee',: Sedaa§de firma om aan de eischers, als boekhouders

n Het stoomschip Spartan, tegen behoorlijke kwijting, te betalen de j daap-)Vaifi zijnde het bedrag der poenaliteit, door do ge-

tin^6 verschuldigd wegens de niet-nakoming van het bevrach-

met dCÜ1UraCt5 tosfc^en pai'tyen den 9 April 1872 gesloten, en zuiks e interessen a 6 pet. 'sjaars sedert den dag der dagvaarding, en VVe* °0 e^n& de kosten van het geding ; ledfnr i """ d" V01rais uitvoerbaar bij lijfsdwang van de individuele der veroordeelde firma.

gedaasd6" m°°' de eischers mr* j- c' Eeepmakek , en voor de terdam) H' C" Vernibrs tan uer -Loeff, advokaat te Rot-

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE AMSTERDAM. Burgerlijke kamer.

Zitting van den 15 November 1872.

Voorzitter, Air. A. E. Penning,

Hegters, Mrs.: A. van Evic Bijleveld en P. J. Scringar.

VeRzekerino in gemeenschap op op- en afgaande goederen. vjeldigheid dier overeenkomst. — Art. 278 W. K.

Maken al de contracten van verzekering op op- en afgaande goede-

ren één geheel uit, ieder voor verschillende sommen1 — jk. 1 Oet, wanneer al de verzekeringen te zamen een grooter bedrag uitmaken dan de waarde der goederen, alsdan het hooger bedrag proportionneel lederen post verligten of verminderen, zoodat, in >eei geval van schade, het te veel of te hoog geassureerd be-

ove' de posten moet worden berekend en van ieder moet wo, den ajgetrokken 1 — Ja.

meerde, ^0^"^°^ T^r X"escbe Veem ' eischeres en geïntinr Mr. j. G. Kuhn , advokaat Mr. Aug. Philips

de Verzok erings.y e tegen

Mr. E. J. As8ee, advokaat* ' Procureur

De Regtbank enz.,

Overwegende ten aanzien der feiten ■

dat de ged., blijkens polis dd. 10 rum iR7o

andere verzekei ings-niaatschappiien tot > gezamen.ijk met twee

^aarvan f 5000 liepen voor rekeening°dereldbedt1lag Jt" f 20,000 , j

eiscberes een verzekerings contract heeft wreplrl' j6n behoeve van de |

T.?*?r den tijd van eene maand, op katoen, li.'.'onde'n^L'r""'^0h.f'e Jd dier verzekering gelegd zullende worden" in h edurende den J^odsen de .Vriendschap," staande cn ge^en i„Vo 1"'^ ^ ooistraat alhier, loopende de risico in gemeenschap

sommen , als v°or de geassureerden op katoen 1^°° ""'f! kerdWS ligjende> zo° hiel' als elders' m°gten zijn of wórdengv"-ze ' «n VaBtW0: f?de de katoen met wederz'jdsch goedvinden getaxeerd 1 Jkend in w «P de wearde, welke voor iedere partij staat aangetee- 1 net pakhuisboek der geassureerden, en zullende ingeval van I

, brand of schade geen ander bewijs van interest of waarde door de assu: radeurs gevorderd worden dan dit pakhuisboek , en de schade volgens : de daarin uitgedrukte taxatie worden vergoed; dat deze polis op 10 Julij 18-2 op niéuw door dezelfde assuradeuren is geteekend, na aantuókening : «voormelde verzekering wordt hiermede met f 20,000 voor I den tijd van éér.e maand geprolongeerd en aldus gecontinueerd tot en met 10 Augustus 1872 , in rnaniere en conditiën als voren» ; dat het erkend I jf„' dat óp diezelfde goederen, op gelijke wijze, door diverse personen f bij velschillende polissen, nog verzekeringen zijn gesloten voor f 768 000 j dus gezamenlijk voor ƒ 788,000 ; ' 5

I 0., dat in den nacht van 10 op 11 Julij 1872 in het pakhuis brand I is ontstaan, waardoor de daar bewaarde katoen, volgens berekening I waarde van f 714,260 , grootendeels is vernield; dat er te veel j was verzekerd f 73,740 ;

. dat de waarde van het geredde is getaxeerd op ƒ 26,1 10.255, en a , ,"a vaii de primitief verzekerde som te hebben afgetrokken de te veel verzekerde som en het provenu van de geredde katoen, door assuradeurs, volgens de opgemaakte berekening, is te betalen f 87,328.62, 2 pet. over f 688,149.54 , en dus voor de gedaagde maatschappij over J 5000 de te betalen schade bedraagt f 4366.43 • 0., dat de eischers , na gedane sommatie dd. Oet. 1872 tot betaling van die som, de ged. op 28 Oct. 1872 hebben gedagvaard, ten einde te worden veroordeeld tot voldoening hiervan;

dat de eischers ten dage dienende hebben geconcludeerd: dat de ged. bij vonnis dezer Regtbank zal worden veroordeeld tot betaling van die som, met de rente h, 6 pet. van 12 Aug. 1872 en de kosten van den processe;

O., dat de ged. bij conclusie van antwoord erkent de verzekering tot dat bedrag te hebben gesloten, alsmede dat de goede trouw bij de opgave van de waarde van het verzekerde op het oogenblik van den brand, zoo als die door do eischeres volgens haar pakhuisboek is vastgesteld, als bewezen en onherroepelijk moet worden aangenomen ; dat derhalve zij ged. verpligt zoude zijn , indien naar de wet hare geslotene verzekering bestaanbaar ware of als geldig zoude worden aangenomen, het gevorderd bedrag aan de eischers als verzekerden te voldoen; dat evenwel de verzekering is nietig, of omdat die zonder belang door de eischers is aangegaan, of omdat die, als eene tweede verzekering, bij het bestaan eener eerste verzekering, voor de volle waarde gesloten , vervalt, en dat de verdediging der ged. ten volle wordt gejustificeerd door de productie van de eischers; dat zij concludeert, dat de op 11 Julij 1872 geslotene verzekering zal worden verklaard hetzij nietig, hetzij vervallen, en de eisch zal worden ontzegd of niet-ontvankeljik verklaard, onder aanbod om aan de eischers de premie van 1/40 ten honderd te restitueren, waarvan zij acte verzoekt, met veroordeeling van de eischers in de kosten van het geding ;

0. in regten:

dat de te beslissen vragen zijn: is de voormelde verzekering nietig en vervallen ?

O., dat ten deze op onderscheidene tijden en bij differente polissen verzekerd is tegen brandschade eene afwisselende waarde en hoeveelheid van gedurig veranderende goederen , in een pakhuis successievelijk opgeslagen en gelost, zoogenaamd op- en afgaande goederen ;

dat dit voorwerp der verzekering een gezamenlijk geheel (universitas) uitmaakt voor al de assuradeuren, die met dat voorwerp in betrekking komen ten gezamenlijke risico, zoo als de polis het uitdrukt , loopende deze risico in gemeenschap met zoodanige som of sommen , als voor de geassureerden op katoen, in gemeld pakhuis liggende, zoo hier als elders mogten zijn of worden verzekerd;

dat bij zoodanige overeenkomst van verzekering niet in aanmerking kan komen, wie het eerst heeft geassureerd , wie later, en of al de goederen reeds bij voorgaande verzekering voor de volle waarde gedekt waren, daar al die contracten een geheel uitmaken, ieder voor verschillende sommen en tijden;

dat, wanneer al die verzekeringen te zamen een grooter bedrag uitmaken dan de waarde der goederen , alsdan het hooger bedrag proportionneel iederen post verligt en vermindert, zoodat ingeval van schade het te veel of te hoog geassureerd bedrag over al de posten moet worden afgetrokken ;

O., dat zoodanige wijze van verzekering niet in strijd is met de wet, de openbare orde of de goede zeden, en in analogie is met art. 278 W. K.; dat dus zoodanige overeenkomst mag worden aangegaan en dan aan partijen tot wet is;

O., dat de geldigheid van de op 10 Junij 1872 tusschen de eischers en de ged. gesloten verzekering niet is betwist;

dat op do daarvan gemaakte polis eene verlenging door de ged. en de twee andere assuradeurs op 10 Julij 1872 is geteekend, luidende ; «geprolongeerd en aldus gecontinueerd» , wat zoo duidelijk mogelijk uitdrukt, dat de intentie van partijen is om alleen den tijd te verlengen van den duur van de risico, en, zich vasthoudende aan de vorige overeenkomst, die verzekering nog eene maand te laten voortloopen ;

dat er dus geen sprake kan zijn, dat de ged. zou geassureerd hebben, hetgeen reeds door andere assurantiën was gedekt, maar dat, indien er te hoog was geassureerd , de toepassing van art. 278 W. IC. moet geschieden en de reductie gelijkelijk gedaan worden ; dat er derhalve geene nietigheid bestaat;

U., dat ook niet kan geacht worden, dat deze verzekering zou vervallen zijn ;

dat het immers, volgens het hierboven uiteengezette, geen tweede assurantie is op goederen , reeds door voorgaande verzekeringen gedekt, maar eene vooitzetting van de bestaande;

dat de woorden van het contract met het beweren van de ged. in strijd zijn , daar zij zich ook bij de verlengde polis verbond in gemeenschap met zoodanige som of sommen , als voor de geassureerde in gemeld pakhuis mogten zijn of worden verzekerd;

dat deze voortgezette verzekering ten bate moet komen van de andere assuradeurs en in mindering van hunne schade, bijaldien mo<n olijken , dat er toen of later boven het bedrag der waarde was geassureerd;

dat uit dit alles volgt, dat de verzekering van de ged. niet is nietig en ook niet is vervallen ; en dat mitsdien de eisch , alleen op dezen grond betwist, moet worden toegewezen , en bij deze beslissing der zaak bet aanbod tot restitutie der premie, waarvan acte wordt verleend , niet kan worden aangenomen ;

Gezien artt. 1374 B. W-, 250, 253, 246, 278 en 279 W. K., 52 en 56 B. li.;

Veroordeelt de ged. om aan de eischers tegen behoorlijke kwijting te betalen de som van f 43^6.43 , met de interessen daarvan a, 6 pet. 'sjaars van 12 Aug. 1872, e'éne maand, nadat het ongeval was bekend gemaakt, tot de geheele voldoening;

Verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande hooger beroep;

Veroordeelt de ged. in de kosten van het geding.

(Dit vonnis is volkomen bevestigd , met overneming van de overwegingen van den eersten regter, bij arrest van het Hof in Noordholland van 26 Junij 1873.)

, .v.raau j io,< "4U ;

j dat de waarde van het geredde is getaxeerd op ƒ 26,110.25s, en

3613.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE MAASTRICHT, aiurgerlijke kamer.

Zitting van den 31 Mei 1873.

Voorzitter, Mr. A. Gokdon.

; Welke regter is bevoegd, de kantonregter of de Regtbank, in eene vordering , ingesteld ten civiele , tot schadevergoeding , door een advokaat, ais eischer tegen een ambtgenoot niet diens klerk, ter zake van : »het door dien anderen advokaat oproepen in eene openbare vergadering van schutdeischers, en het aldaar door zijnen klerk laten voorlezen van een rapport van het onderzoek naar den toestand vaji eene bankiers-firma in surse'ance , voorlezing, waarbij de advokaat eischer beweert te zijn beleedigd en gelasterd» , met andere woorden : stelt het opstellen , het door een klerk laten voorlezen en het letterlijk herhalen door den advokaat van het lasterlijk geschrevene, in zulk een geval, daar mondelinge hoon , behoorende lot exceptionnele bevoegdheid van den kantonregter , of behoort dit, als met zuiver mondeling, tot de kennisneming van den gewonen regter, de Ar rond.-Regtbank ? — ln eerstgemelden zin beslist.

Mi. L. van Wintershoven , advokaat, wonende te Maastricht, eischer

procureur Mr. L. Weygers ,

tegen

iQ. C. Moors, candidaat-notaris en procureursklerk, en

2°. Mr. L. Nijpels, beiden wonende te Maastricht,'gedaagden pro-

cureur Mr. J. Haex.

De officier van justitie, Mr. H. F. T. van Schaeck , heeft in deze

zaak de volgende conclusie genomen:

De ten deze ingestelde vordering strekt tot vergoeding der schade en tot betering van het nadeel, in eer en goeden naam geleden, doordien de eerste ged., in eene vergadering der schuldeischers van de firma Tielens, eene schriftelijke acte of een verslag eener commissie uit die schuldeischers zou hebben voorgelezen, waarin de eischer moedwillig zou zijn gelasterd, waarna de tweede ged. die voorlezing als waarheid herhaald zou hebben.

Tegen die vordering hebben de gedaagden de exceptie van incompetentie opgeworpen, op grond, dat de ingestelde actie betrekking zou hebben tot mondelingen hoon en dus, ingevolge art. 40 R. O. tot de regtsmagt van den kantonregter zou behooren.

Na die exceptie, zoowel bij conclusie als bij pleidooi, te hebben bestreden, heeft de ei; cher ter teregtzitting acte gevraagd en bekomen der verklaring: dat hij aanbiedt om door alle middelen van regten, zelfs door getuigen, te bewijzen, dat het door den eersten ged., jo. den tweeden ged. opgemaakt schriftelijk rapport, althans dit voorgelezen schriftelijk npport door een groot aantal personen hier ter stede is gelezen , nadat het schriftelijk was opgemaakt en voorgelezen.

Van hunne zijde hebben de gedaagden beweerd, dat het aangeboden bewijs niet zoude zijn ter zake dienende, omdat het spreekt van eene mededeeling van het verslag der commissie na de vergadering der schuldeischers ; terwijl de dagvaarding alleen spreekt van laster gepleegd in die vergadering, waaruit volgt, dat het aangeboden bewijs geene betrekking heeft tot het onderwerp in geschil en dus niet toelaatbaar is.

Alvorens over te gaan tot de beoordeeling der vraag, of ten deze van mondelingen, dan wel van schriftelijken hoon de rede is, zal ik opmerken, d*t het woord hoon, in art. 40 R. O. voorkomende, kennelijk ook omvat laster, gelijk door den tweeden ged. in zijn pleidooi is betoogd, waarnaar ik kortheidshalve thans te meer meen te kunnen verwijzen, daar de eischer in zijne rede heeft verklaard, zich te dien aanzien met de zienswijze zijner wederpartij te kunnen vereenigen.

Is nu het voorlezen van een verslag, houdende, gelijk de eischer beweert, lasterlijke aantijgingen, mondelinge dan -wel schriftelijke hoon ? dit is de vraag, die ik thans zal hebben te beantwoorden, en die ik niet aarzel in eerstgemelden zin op te lossen.

Wat is mondelinge, wat is schriftelijke hoon, of injure verbale of par /iaroles en injure par écrit ?

Van beide die soorten van hoon geeft ons Merlin de volgende definitie in zijn v. injure: «les injures par paroles se comuaet-

tent lorsqu en préserice de (juelqu,un ou en son absence , on tient contre lui des propos injurieux, q^on lui fait quelques reproches outrageants, que Ton chante des chansons qui l'insuitent ou qu'on lui fait quelques menaces de lui faire de la peine, soit en sa personne ou en ses biens, ou en ^on honneur. Les injures qui se commettent par écrit, sont lorsque l'on compose ou distribue des chansons et d autres ecrits ou libelles diffamatoires conire quelqu'un.»

Volgens die definitie dus is het maken en het verspreiden van beleedigende liedjes of geschriften hoon bij geschrift, terwijl het zingen en bij gevolgtrekking ook het lezen dier liedjes of geschriften mondelingen hoon daarstelt.

Passen wij nu die duidelijke , natuurlijke en gegronde definitie op het onderhavig geval toe, dan moeten wij tot het besluit komen, dat het voorlezen van het pretenselijk lasterlijk verslag door den eersten ged. en het als waarheid door den tweeden ged. herhaien dier voorlezing niets anders dan mondelingen hoon kan daarstellen ; terwijl het opmaken van dat verslag , het verspreiden , het ter lezing beschikbaar stellen van hetzelve schriftelijk en hoon zou kunnen opleveren. De dagvaarding nu gewaagt van al die laatste omstandigheden niet; zij grondt zich slechts op de voorlezing van het verslag ; zij beweert alleen, dat op die wijze zou zijn gehoond; zij beoogt dus slechts mondelingen hoon en kan alzoo geene aanleiding geven om te wettigen de kennisneming dezer zaak door de Regtbank en om in aanmerking te doen nemen het verzoek tot getuigen verhoor, door den eischer gedaan, welk verzoek op schril tel ijken hoon , dus buiten het onderwerp der vordering, doelt.

Men heeft zich, om het bestaan van schriftelijken hoon ten deze te bewijzen , beroepen op den Dict. de f Académie frangaise, volgens welken het woord verbal beteekent »qui n'est que de vive voix et non par écrit.// Ik geloof, dat de académie alzoo heeft willen beschouwen het gesprokene, geheel en al afgezonderd van het geschrevene, en een en ander tegen elkander heeft wiilen steilen, want de Académie kan onmogelijk bij die definitie hebben willen zeggen, dat te luider stem lezen geene verbale, geene mondelinge handeling is ; de Académie zou zich alzoo tegen de evidentie, tegen de rerum natura hebben uitgelaten, hetgeen niet alleen onaannemelijk is, maar daarenboven stellig wordt wedersproken, wanneer men leest de definitie, die dezelfde aictionnaire van het werkwoord lire geeft: »parcourir des yeux ce qui est écrit .... soit qu'on prof ere les mots, soit qu'on ne les prof ere pas."

Daar nu pro/er er des mots, even als proferer des injures (men behoeft slechts in te zien Üict. de TAcad., voce proferer, en art. 4 71 n». II, C. P.J, eene mondelinge of verbale handeling is zoo'volgt daaruit, dat het te luider stem lezen, volgens de Académie is eene daad van mondelingen aard.

Een paar voorbeelden zullen mijne zienswijze nader bevestigen. Pieidooijen, ofschoon voorgelezen , behooren steeds tot mondelmge voordragt en kunnen in dat geval, met het oog op art. 162 B. H., nimmer beschouwd worden als te zijn van schriftelijken aard. Z99

Sluiten