Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zonder reserve aangenomen, dat de eischer, zoolang hij eigenaar van het perceel is, de huur niet zal opzeggen, en den huurprijs niet verhoogen;

dat het Bestuur van het genootschap den eischer voorgesteld heeft van de gemaakte overeenkomst schriftelijk te doen blijken , doch dat de eischer 7.eide: «jelui weet wel, ik doe dat niet, ik teeken geen huurcedul;» dat den eischer verzocht is de notulen der vergadering te teekenen, doch dat hij dit ook geweigerd heeft; dat op verzoek van den verdediger van de belangen des eischers den getuige gevraagd is , of het gedaagde Bestuur de verhooging van den huurprijs afgestaan heeft, onder de mits, dat de eischer afstand deed van zijn persoonlijk regt om de huur op te zeggen, zoolang hij eigenaar was ? waarop getuige heeft geantwoord, dat naar zijne meening en overtuiging de verhoogde huurprijs niet ware toegestaan , wanneer daarmede niet was verbonden de bepaling, dat, zoolang hij eischer eigenaar van het perceel zijn zal , hij de huur van het verhuurde lokaal niet zal mogen opzeggen ;

O., dat van de verklaringen der vier gehoorde getnigen die van den getuige L. v. G. niet genoegzaam bevat omstandigheden of redenen van wetenschap, om te kunnen medewerken tot het vereischte bewijs, terwijl die getuige uitdrukkelijk verklaard heeft, zich niets meer te kunnen herinneren wat in de vergadering van het gedaagde genootschap is gesproken of aldaar heeft plaats had ;

dat die van den getuige M. R. mede niet tot dat bewijs kunnen medewerken , vermits hij niet in staat was een geregeld verhaal te doen van hetgeen voorgevallen of besproken is in de vergadering van het gedaagde genootschap, waarbij die getuige is tegenwoordig geweest ;

dat, hoezeer zijne goede trouw aan geen twijfel onderhevig schijnt, echter de onzekerheid, waarin hij verkeerde, toen hij zijne verklaring deed, ons geene voste overtuiging geschonken heeft, dat de antwoorden gegeven waren uit getuigenis van eigen wetenschap van hetgeen voor ruim twee jaren heeft plaats gehad in de gehouden vergadering, dan wel hetgeen uit de notulen, hem voorgelezen en weinige dagen vóór het getuigenverhoor was in herinnering gebragt;

0., dat daarentegen de verklaringen der getuigen A. S. R. en E. S. H. zoo duidelijk, bepaald en overeenstemmende zijn, dat zij het volledige ben ijs opleveren, dat tusschen het gedaagde Bestuur en den eischer is overeengekomen, dat de huurprijs van de door den eischer aan het gedaagde genootschap verhuurde binnenkamer in het perceel in de Hoogstraat, 0 280, welke J' 175 'sjaais was, werd verhoogd tot f 200, onder verbindtenis van den eischer, dat, zoolang hij eigenaar van het perceel w as, hij nimmer of nooit opzegging van huur aan het genootschap zou doen ;

O., dat het niet tegengesproken is door den eischer, dat deze, zoowel tijdens de opzegging als tijdens de dagvaarding tot ontruiming, eigenaar was van het perceel in de Hoogstraat, 0, n<>. 280; dat de eischer zelf die qualiteit, zoo al niet explicite, dan zeer zeker implicite aanneemt bij het getegistreerd exploit van opzegging van huur, gedaan door den deurwaarder W. F. S., in dato 1 Nov. 1872 ; dat voorts het gedaagde Bestuur bij het exploit van contra-insinuatie, beteekend aan den eischer door den deurwaarder W. L., in dato 25 Febr. 1873 , eischers regt tot opzegging betwist, op grond, dat deze nog steeds is eigenaar vao het perceel, en dat de eischer bij zijne introductieve dagvaarding zich beroept op het exploit van opzegging, zonder bij de dagvaarding of elders te ontkennen zijne qualiteit van eigenaar van het gezegde perceel;

0., dat alzoo als bewezen moet worden aangenomen, dat de eischer, zoowel ten tijde der opzegging van huur als der dagvaarding tot ontruiming, van het door het gedaagde genootschap van den eischer gehuurde lokaal in het perceel C 280, in de Hoogstraat alhier , was eigenaar van dat perceel;

O., dat, bewezen zijnde hetgeen aan het gedaagde genootschap te bewijzen gesteld is , evenzeer als dat de eischer eigenaar was van meergezegd perceel ten tijde der opzegging van huur als der dagvaarding tot ontruiming, hij eischer, op grond van die laatste qualiteit , en ter oorzake van de bewezen overeenkomst, persoonlijk niet geregtigd is van het gedaagde Bestuur de ontruiming te vorderen van het bij het jaar verhuurde lokaal in meergenoemd perceel in de Hoogstraat;

Gezien de artt. 1374 en 1932 en volg. B. W. en 56 B. R. ;

Verklaren den eischer niet-ontvankelijk in zijn tegen het gedaagde genootschap ingestelden eisch en genomen conclusie, en veroordeelen mitsdien dien eischer in de kosten dezer procedure, met inbegrip van die, welke tot de eindbeslissing waren gereserveerd.

MENGELWERK.

WEDERSPANNIG-VERKLARING EN WEIGERING DAARBIJ VAN EEN BEVEL VAN GEVANGENNEMING.

Dezer dagen werd ik als raadsman toegevoegd aan zekeren A. op den Dries, arbeider te Hasselt, wiens zaak reeds voor het Hof van Overijssel en den Hoogen Baad had gediend.

De beschuldigde verscheen op de tweede dagvaarding voor het Hof in Drenthe evenmin als op de eerste; de procureur-generaal eischte ten dienende dage weêrspannig-verklaring en een bevel van gevangenneming.

Het Hof in Drenthe weigerde het bevel van gevangenneming, op grond, dat de voorloopige instructie, volgens art. 274 van het Wetboek van Strafvordering, ten gevolge der niet-verschijning van den beschuldigde voortgezet, door de weêrspannig-verklaring geheel is ten einde gebragt en het in strijd met den aard en het wezen van die verklaring zon zijn, daaraan een bevel tot gevangenneming te verbinden.

De heer E. Z. L. yan des Kemp komt in Weekblad n°. 3637 tegen dat arrest op.

Ik weet, het punt is quaestieus.

De heer van dek Kemp heeft de schrijvers voor en tegen aangehaald.

Hij heeft echter geen nieuw licht aangebragt, en is niet zeer duidelijk : op sommige punten toch van zijn betoog is men geneigd te meenen, dat hij het tegendeel verdedigt van hetgeen hij blijkt te willen.

Ik ben van oordeel, dat een Hof bij een arrest van weerspannigverklaring geen bevel tot in-hechtenis-neming kan geven , omdat het Wetboek van Strafvordering in dien stand van het geding zoodanige bevoegdheid niet geeft.

De artt. 6, 43, 77, 88, 100, 118, 120, 137, 138, 139, 140, 141, 236, 240 van het Wetboek van Strafvordering geven nominatim de éénige gevallen aan, waarin in-hechtenis-neming of in-vrijheid-steJling kan bevolen worden. Bij al die artikelen is evenwel alleen den instruërenden regter zoodanige bevoegdheid verleend (de beschikkingen toch ook, waarvan artt. 236 en 240 spreken , zijn revera niets dan vonnissen van instructie); nergens in het geheeleWetboek van Strafvordering vinden wij zoodanige bevoegdheid ook aan den oordeelenden regter gegeven. Nu gaat het niet aan eene bevoegdheid, die de wetgever den uitvoerenden, niet den oordeelenden regter heeft gegeven, op dezen stilzwijgend over te brengen; 't zijn twee verschillende soorten van regters, die men niet moet verwarren. Het verschil, dat tusschen die beide soort van regters bestaat, zoo in bevoegdheden als attributen, is tevens oorzaak, dat de redenering faalt van hen, die het Hof

zoodanige bevoegdheid willen geven, zeggende: »cui plus Heet non debet quod minus est non licere". Deze regtsregel zou misschien van toepassing zijn , zoo wij bier met regters van dezelfde soort, maar van verschillenden rang, te doen hadden : niet, nu men, zoo als in casu, te doen heeft met regters van verschillende soort.

Volgens mijne meening heeft Mr. A. de Pinto in zijne Handleiding tot het Wetboek van Strafvordering die weêrspannig-verklaring zeer juist gekarakteriseerd, door ze te qualificeren als eene officiële erkenning van de onmagt der justitie.

Ik wil wel toegeven, dat hier is eene leemte in de wet; maar daarom heeft de wets-uitlegger (de regter) geen regt, die in bet belang der strafvervolging, al is dit gewenscht, aan te vullen; vooral mag dit niet in dit geval, waar het de vrijheid der ingezetenen geldt. Die vrijheid is eene res inaestimabilis, zoo als de Romeinen reeds zeiden, welke in geen geval door eene uitbreidende interpretatie, maar alléén door eene uitdrukkelijke wetsbepaling kan worden beperkt. Waar zou het heen, zoo op dit punt uitbreidende interpretatie werd toegelaten?

Mij bevallen altijd die regterlijke uitspraken beter, waarbij de vrijheid der burgers wordt geëerbiedigd, dan die, waarin een stelsel van uitbreidende interpretatie wordt aangenomen, waarbij de regter zich (verhoogt of verlaagtf) om de feilen des wetgevers te dekken.

Art. 281 van het Wetboek van Strafvordering kan evenmin ten nadeele van het arrest van het Hof in Drenthe worden aangehaald. Het woord gevat in dat artikel ziet op het geval, dat er een bevel tot gevangenneming was verleend. Dit blijkt duidelijk uit het verband der daaraan gekoppelde denkbeelden , zich in hechtenis begeven of zich tot de teregtt>telling aanmeldenwelke denkbeelden noodwendig maken om het er voor te houden , dat het woord gevat op niets anders kan zien dan op een reeds vroeger verleend bevel tot gevangenneming.

Met volle overtuiging schaar ik mij dan ook aan de zijde van hen, die de leer omheizen, ook in deze door het Hof in Drenthe aangenomen.

Assen, 17 October 1873. Mr. M. Oloenhuis Gratama ,

Advokaat.

In de den 13 dezer gehouden zitting der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, afJeeling letterkunde, had tusschen de heeren Opzoomer en Buts de voortzetting der gedachtenwisseling plaats naar aanleiding der in de vorige zamenkomst geleverde beschouwing over art. 194 der Grondwet (zie Weekbl. no. 3628).

De heer Buts meende namelijk tegenover de scherpe critiek des heeren Opzoomek op verzachtende omstandigheden te moeten wijzen. Immers, er diende wel in het oog te worden gehouden, dat men in 1848 slechts datgene in de Grondwet wenschte te veranderen wat volstrekt noodzakelijk was. Mannen als Donker Curtius en de Kempenaer ten eenre en Thorbecke aan de andere zijde zou niemand dan toch ook bekwaamheid ontzeggen. Voor het overige geeft spreker als zijn gevoelen te kennen , dat wij in »de kunst van wetten maken,» zij het ook langzaam, wel degelijk vooruitgaan. Een paar jaargangen van het Staatsblad van na en vóór 1848, naast elkander gelegd, leveren daarvan het overtuigendst bewijs. Dit neemt echter niet weg, dat er hier en daar wat op den vorm valt af te dingen. Maar wetten maken gaat, ten gevolge van velerlei omstandigheden , niet het minst om de tijdens de bespreking gemaakte wijzigingen en bijvoegingen, met eigenaardige moeijelijkheden gepaard. Ook in het buitenland, getuige de jongste Grondwet van het DuitscheRijk , is men, wat den sti;l betreft, lang niet altijd even gelukkig geslaagd.

De heer Opzoomer herinnert zieh met genoegen , dat zijn geachte ambtgenoot niet onschuld, maar slechts verzachtende omstandigheden heeft gepleit. Wat betreft de opmerking, dat men ook elders op dit punt niet door welgekozen bewoordingen en helderheid uitmunt, daarmede kan hij zich volkomen vereenigen.

Robert "von Moh verhaalt o. a. van iemand, die werd veroordeeld tot eene gevangenis-straf izwei Jahre langer als sein Lebenszeit.» Dit doet echter niets af aan zijne bezwaren. Ten overvloede treedt hij in eene nadere ontwikkeling van zijn vorig betoog, de voorbeelden van gebrekkige, soms in lijnregte tegenspraak zijnde artikelen nog met eenige aanvullende. Zoo in de wet op de ministeriële verantwoordelijkheid. Eerst (art. 3e) wordt gezegd, dat het niet-uitvoeren of doen uitvoeren van wetten strafbaar is. Een paar regels lager leest men, dat dit verzuim opzettelijk moet geschied zijn, om onder het bereik der strafwet te vallen. En weêr iets lager (ƒ) staat, dat dit toch eigenlijk niet het geval behoeft te zijn.

Als eene onverklaarbare willekeurigheid kan ook gelden, dat ter bekoming van den doctoralen graad in Grieksche, Latijtrsehe en .... Polynesische letterkunde kennis van »de wijsbegeerte en hare geschiedenis» wordt gevorderd, terwijl daarvan bij andere doctoraten in gelijke vakken volstrekt geen sprake is.

Na nog enkele andere leemten aangetoond te hebben, deelt spreker naar aanleiding eener vroegere gedane vraag mede, dat hij zijne beschouwing niet voor de «Verslagen en Mededeelingen» heeft bestemd, maar haar eerstdaags onder anderen titel afzonderlijk het licht zal doen zien.

Waarschijnlijk ter geruststelling van den heer de Jonoe (ditmaal niet aanwezig), die het den vorigen keer zoo hard vond om eene Regering aan te vallen , waaronder men «ressorteert,» deed spreker in den loop der beraadslaging uitkomen, dat hij, ter nadere toelichting en verdediging van zijn opstel, zich zou bepalen tot de question e'teinte («uitgeblazen regeringen") en de question brülante («nog glimmende») onaangeroerd zou laten.

De heer Buts erlangde nog het woord, om den spreker op sommige punten te beantwoorden, waarna tot andere werkzaamheden werd overgegaan.

HOOGE RAAD. — Burgerlijke kaïner.

Zitting van Donderdag, 23 October.

Voorzitter, Mr. F. de Greve.

I. Becedigd als advokaat Mr. Ch. H. Prins.

II. Conclusie door het Openb. Min. genomen in zake:

1". (cassatie) D. P. Terpstra, eischer, procureur Mr. C. J. Franpois, tegen H. van den Berg en J. van den Berg, handelende onder de firma Gebr. van den Berg, verweerders, procureur Mr. A. Q. Kraijenhoff van de Leur. Proc.-gen. concludeert tot verwerping. Uitspraak 21 November.

2°. (id.) C. van Breuk , weduwe van G. J. Wulfsen, eiseheresse, procureur Mr. J. H. C. Lisman , tegen E. Pauw, verweerder, procureur Mr. M. Eyssell. Adv.-gen. Smits concludeert tot vernietiging van het arrest en terugwijzing der zaak naar het Hof in Gelderland. Uitspraak 21 November.

III. Uitspraak gedaan in zake:

1°. (cassatie) Mr. L. van Oppen c. s., qq., eischers, procureur Mr. C. J. Framjois, tegen de firma Hoogwinkel en Comp., verweerders, procureur Mr. M. Eyssell. Verworpen. 2°. (id.) E. de Beaumont, eischer, procureur P. J. van der Burgh,

tégen de firma E. Meuffels, Sarens en Comp., verweerders , procureur Mr. M. Eyssell. Verworpen.

IV. Gepleit in zake:

(cassatie) T. Ruibingh, weduwe van H. Menninga, pro se qq-, c. >., eischers, procureur Mr. J. van der Jagt, advokaten Mrs. J. G. Rochussen en .1 hr. E. N. de Brauw, tegen G. Koops, verweerder, procureur Mr. C. J. Franfois, advokaat Mr. W. Wintgens. Conclusie van het Openb. Min. bepaald op 6 November.

NB. Vrijdag is er geene zitting gehouden.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Z. M. besluit van den 21 dezer, n". 19, is benoemd tot griffier der Arrond.-Regtbank te Appingedam, E. J. Portier Koning, thans subst.-griffier bij die Regtbauk.

— Bij Z. M. besluit van den 22 dezer, n°. 21, is benoemd tot notaris binnen het arrondissement Zierikzee, ter standplaats de gemeente Zierikzee, Mr. J. Moolenburgh, candidaat-notaris, thans procureur bij de Arrond.-Regtbank aldaar en burgemeester der gemeente Zonnemaire, zijnde hem tevens eervol ontslag verleend als procureur bij de Arrond.-Regtbank te Zierikzee; een en ander in te gaan met 1 Nov. aanst.

— Bij Z. M. besluit van dezelfde dagteekening, n°. 22, is, met ingang van l Nov. aanst., benoemd tot plaatsvervangend kantonregter in het kanton Helder, op het eiland Wieringen, P. Maats Jr., burgemeester der gemeente Wieringen.

— Bij Z. M. besluit van dezelfde dagteekening, n°. 23, is, met ingang van 1 Nov. aanst., benoemd tot kantonregter te Leiden , Mr. W. van der Kaay, thans regter in de Arrond.-Regtbank te Alkmaar.

— Bij Z. M. besluit van dezelfde dagteekening, n°. 24, is, met ingang van 15 Nov. aanst., benoemd tot griffier bij het Kantongeregt te Zaandam, Mr. P. L. M. Gravere, thans griffier bij het Kantongeregt te Harderwijk.

— Op de voordragten voor twee vacatures van regter-plaatsvervanger in de Arrond.-Regtbank te Assen zijn geplaatst: op de eerste, Mr. E. Oosting, advokaat, Mr. G. L. W. Vos, advokaat en secretaris der gemeente Assen, en Jhr. Mr. R. O. van Holthe tot Echten, advokaat, ailen wonende te Assen, en op de tweede, Mrs. G. L. W. Vos en E. Oosting voornoemd en Mr. S. A. Hulst, advokaat, wonende te Assen.

BERIGTEN.

'

's Gravenhage , den 25 October.

De tweede aflevering van de Rekening-courant van den heer J. A« Levy ziet thans het Jicht bij de uitgevers van dit blad. Het werk is daarmede voltooid. Onze ruimte gedoogt niet daarvan zelfs een volledig verslag te geven; maar het behoort zeker niet tot de minsten der lettervruchten , die wij aan den geleerden schrijver te danken hebben , hetzij men lette op het onderwerp, hetzij op de grondige wijze van bewerking. Het geheele werk is zijne geboorte verschuldigd aan een arrest van het provinciaal geregtshof in Noordholland, waarbij beslist is, dat eene actie uit rekening-courant in het Nederlandsche regt niet bekend is. Hetzij men het met die beslissing al of niet eens zij , in ieder geval is onze literatuur er veel aan verschuldigd, omdat zij er een zoo degelijk wetenschappelijk werk aan te danken heeft.

— Van den arbeid van den heer Schuurman ontvangen wij thans den vijfden druk van de gemeente-wet, bijgewerkt tot October 1873. Een vijfde druk na een betrekkelijk niet lang tijdsverloop is zeker wel het beste bewijs , dat deze uitgave van de gemeente-wet zeer gezocht is.

— Den 21 dezer is overleden de heer H. Reynders, notaris te Venray.

REGTSG ELEERDE UITGAVEN.

FRANSCHE LITERATUUR.

Code des lois snr Tenregistrement, Ie timbre, les droits de greffe et d'hypothèque, le notariat, les amendes de procédure civile et les impöts directs dont le recouvrement ou 1'assiette rentre dans les attributions de 1'administration de Tenregistrement, Ier Janvier 1873. In 8»., 396 p. Paris, P. Düpont et Cie.

BELGISCHE LITTERATUUR.

Cours d'Institutes et d'IIistoire du Droit romain, par Namur, prof. & 1'Univ. de Liége, 2 vol. irr 8°. Bruxelles, Decq et Ddhent.

ADVERTENTIEN.

Bij GEBR. BELINFANTE, te 'sHage, ziet het licht:

ALPHABETISGHB NAAILIJST

van

AL DE G-EMEENTEN

in het

KONINGRIJK DER NEDERLANDEN,

met aanwijzing der arrondissementen en kantons waartoe zij behooren,

door

J. E. ERDÏIAN,

Oud-Hoofdcommies bij het Departement van Justitie ,

Prijs f 1.50.

Snelpersdruk en iritsï»»e van BEBBOISBEBÜ HKIJVFIVTK . te '» «r»veobi»»e.

Sluiten