Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hebben afgezien, wanneer hij den vrachtbrief onderteekent, waarin eeue verwijzing voorkomt naar buitenlandsche tarieven en reglementen, ook als deze niet ipsis verbis in den vrachtbrief' zijn opgenomen en deze hem geheel onbekend zijn gebleven? — Ja. Kant. Utr. 3732. 3.

Vervoer. — Expediteur. — Actie tot onbeschadigde uitlevering en bij gebreke van dien tot schadevergoeding voor de niet-uitlevering. Amst. 3778. 3.

— Telegraphisehe magtiging tot het bevrachten van eene stoomboot tot — van pelgrims van de Roode Zee naar Java. Rott. 3790. I.

— Zie Belastingen. 3670. 1 ; 3681. 3 ; 371 l. 3 ; 3719. 2 ; 37 78. 1 ; 3794. 3; — Spoorwegen. 3689. 2; 370-f. 1 ; — Veeziekte. 3716.2; 3739. 3 ; 3740. 2.

Vervreemding. Zie Lij/renten. 3697. 4.

Verwaarloozing. Zie Kinderen. 3714. 1.

Verzachtende omstandigheden. Zie Gevangenis-straf. 3759. I ; —

Hoon. 3669. 2.

Verzegeling. Zie Nalatenschap. 3736. 3.

Verzekering. — Zee-assurantie. — Regt der geassureerden op rembours alleen op vertoon der quitantie van den oorspronkelijken verzekerde. Rott. 3678. 2.

— De gebruikelijke clausule van derogatie aan art. 25 1 W. K. is niet in strijd met de wet

Zoodanige clausule moet ten bate komen van den tegen brandgevaar verzekerde, die kennis gegeven heeft in zijne tabaks-affaire een kagchel te stoken tot drooghouding van sigaren, maar deze beduidend sterker gestookt heeft ter droogmaking van sigaren, indien geen blijk van kwade trouw bij hem aanwezig is. Noordh. 3687. 3.

— In casu blijkt niet, dat de beschadiging der verzekerde voorwerpen ontstaan is gedurende de reis, waarvoor, en uit een der gevaren, waartegen verzekerd is.

De clausule «zonder stilstand van risico» breidt de risico zelve niet uit. Rott. 3709. 3.

Van buiten aankomend onheil. -— Schade, door zeewater veroorzaakt.

Is schade, veroorzaakt door zeewater, een van buiten aankomend onheil en alzoo begrepen onder de aigemeene en door niets beperkte uitdrukking van art. 637 W. K. ? — Ja.

Valt schade, veroorzaakt door zeewater, onder de in art. 247, •r>de al., W. K. vermelde gevaren der zee? — Jet. II. R. 3711. 1. Artt. 246, 637 W. v. K.

De assuradeur is aansprakelijk voor de meerdere kosten, die veroorzaakt zijn door de omstandigheid, dat na beschadigde aankomst te Samarang het schip te Soerabaya ter herstelling gezonden moest worden, wegens het ontbreken in eerstgenoemde haven van de ter reparatie noodige inrigtingen. Amst. 3712. 3.

van een schip. — Afkeuring. — Reparatie. — Begrooting door deskundigen. — Kwade trouw of onkunde.

Stelt art. 717 W. IC. de regtmatigheid van de afkeuring van een schip, waar geen sprake is van zee-evenement, alleen afhankelijk van eene begrooting, van de raadzaamheid eu van het bedrag der reparatiën door deskundigen , en niet van de latere handelingen van derden ? — Ja.

Kan taxatie van deskundigen , al ware zij geweest de oorzaak van den verkoop van het schip (waartoe in casu de schipper vrijwillig, zonder daartoe door de begrooting der reparatiekosten door de deskundigen te zijn gedwongen, is overgegaan), in het algemeen '•ijn eene oorzaak van schade, tot de vergoeding waarvan de verzekeraar is verpligt? — Neen. H. R. 3739. 1.

Herverzekering tegen 65 pet. — Laatste tijding.

Onder de laatste tijding, waarvan art. 603 W. K. de vermelding in de polis op strafte van nietigheid voorschrijft, moeten ook begrepen worden berigten, welke, op grond van het ontbreken van tijding , bezorgdheid over het lot van een schip uitdrukken.

De verzekeraar moet.geacht worden bekend te zijn met de berigten aangaande een door hem verzekerd schip, in de Shipping and Mercantile Gazette voorkomende.

Het niet-mededeelen daarvan vitieert de —, onverschillig het bedrag der betaalde premie. Rott. 3793. 3.

Zie Reeder. 3694, 2.

Verzet. Feitelijk en gewelddadig — tegen de veldwachters. — Nietzamt-uhangend misdrijf. — Art. 130 Strafvord.

Kan hier, waar de beklaagden niet, gelijk in de dagvaarding is vermeld, in vereeniging met elkander, maar ieder afzonderlijk, de 'jen na don ander tegen de politie heeft verzet, zonder dat de een •en ander daarin behulpzaam was, van een zamenhangend misdrijf 'e rede zijn? — Neen. Drenthe. 3714. 2.

i artieel appel.

Is de bepaling van art. 335 B. R., dat de oorspronkelijke geaagde en defaillant, die zijne bezwaren niet heei't doen gelden , n et hooger beroep, door den oorspronkelijken eischer ingesteld, "iet meer ontvankelijk is in — tegen het vonnis bij verstek, ook _ toepassing op het partieel appel? - Ja. H. R. 3776. I. 378*7 3735- a; — Curatele. 3741. 3 ; — Getuigenverhoor.

Oi. 3; — Instructie, ü674. 2 ; — Interlocutoir. 3677. 1 ; — Vpr^.Ï' 37B3' 2; — Verstek. 3666. 2 ; 3740. 4 ; 3751. 4 ; 3770.2.

- M-stelling (In-). Zie Bekentenis. 3724. 1 ; — Koop en verVrrxw 37G8' l; s"69- I ; 3779. 3 ; — Overeenkomst. 3743. 1. •■warende omstandigheden. Heeft het Hof, door te beslissen, (lm, fif"1 vroegere Vfiroordeeling tot cellulaire gevangenis-straf voor Van t!?'! Tr ™aan(len en drie dagen geene — ten aanzien

de wet\'Cs!.honden?CIpl.7arH R ^686 T™ " Spreke" '

%76lZi? Belastin*en- 367°' 1- 3744. 1 ; _ Straffen.

Vestingwerk. Zie Visscherij. 3681. 2 v|carie. Schorsing van een gedine w»™. .

<\<* partijen van de betrekking, waarin' 2 proeeX ™ V°°ï f"® wederpartij worden gevraagd, artt. 254, 255, 256 en volg B R Vicanen van stichtingen , welke ais op zich Cf h '

toeb'ho m°eten W°rden b®schouwd> goederen aan haaivin

l)e haf i "!0''/'161 Z1J" 1 eiSendom va0 hen, die ze beheeren _

Pe«oon "dfe tl T bf°ei'fr e," c,ollaU;r ee«e>' - is eene van 'den

Victor (f r p ua b?'• 0nders.cheidene betrekking. Geld. 3703. 3.

Vm.EEoW « n V genootschap ter zee-assurantie. Amst. 3712. 4.

Vilt.ENEUVF fiL(,, e Zle Registratie. 3669. 2.

de Gazette des 7V* 0verlijden van den heer —, directeur van

Visa Zie GmT f"1""'""*- 3710. 4.

visa. iaq ueLciboete. 37i« o o t

Visscherij. Het sepia»,.,'. L,~ ^epmartregten. 3725. 1. de Schelde en Zeeuwschl °f gePlaatst houden eener weer op Bestuur der visscheriien. _ '^o0™™ zonder vergunning van liet

Is door het verbod van , •

27 Sept. 1871 (SM. n". loo) bl(1 , ,Va" het Kon" beslait van den als bovengemeld plaatsen dor KZ et feit niet alleen van het den ? Ja. maar ook het geplaatst hou-

Geschiedt, door dus art. 13 op dat o-pni,

wel «ene extensieve interpretatie of analofWh!' Kl"den.toe tc passen, Do«t liet iets ter zake, dat gemeld besluit _°eI,assir,g ? Neen. speciaal zou zijn aan te merken en, in zoover ° J 8?mT' m"ar ««'"regel van inwendig bestuur zou zijn aan t'e

Moet het toch als zoodanig worden beschouwd, als bevattende voorschriften, krachtens welke in het helaw? der visscherijen op de Schelde en Zeeuwscbe stroomen in het algemeen aan een ieder zonder uitzondering is verboden het plaatsen van weren of schuttingen, van welken aard of vorm ook, zonder de vereischte vergunning?— Ja. H. R. 3679. 1.

Visscherij. — Vestingwerk.

Bij Koninklijk besluit de werken eener vesting hebbende opgehouden vestingwerken te zijn en de grachten dier vesting, ofschoon die eigendom van den Staat zijn gebleven, niet meer behoorende tot de vestingwerken van den Staat, is daardoor tevens vervallen de toepasselijkheid ten deze van de uitzondering ten aanzien van het visschen met den hengel in de hand in de wateren , aangeduid in al. 2 der wet van 13 Junij 1857 (StbL n°. 87)? — Ja. H. R. 3681. 2.

— Het bij vereeniging van meer dan vier personen bevisschen van eens anders vischwater, zonder te zijn voorzien van een schriftelijk bewijs van den eigenaar of regthebbende. — Helpers. — Art. 13a der wet op de jast en —.

Behoeven, volgens art. 13a der wet op de jagt en —, helpers noch van eene visch-acte noch van een schriftelijk bewijs van den eigenaar of regthebhende op het vischwater voorzien te zijn ? — Neen. Kant. Doesb. 3767. 3.

— Het bij vereeniging van meer dan vier personen bevisschen van eens anders vischwater, zonder te zijn voorzien van een schriftelijk bewijs van den eigenaar of regthebbende. — Helpers. — Art. 13a der wet op de jagt en —.

Behooren, volgens art. 13a der wet op de jagt en —, helpers, èn van eene vischacte, èn van een schriftelijk bewijs van den eigenaar of regthebbende op het vischwater voorzien te zijn ? — Ja.

Is art. 13a als eene vrijstelling te beschouwen en als zoodanig stricta interpretationis? — Ja. Zutph. 3778. 3.

— Zie voorts Jagt.

Visser Az. (K.) ca H. Campingh Scheltens. Kant. Iloogeveen. 3700. 4.

Visser (L.) c. s. qq. c". de wed. van der Keyden en L. G. van der Reyden. Zuidh. 3697. 4.

Vissers (W.). Het Bestuur der Registratie c». —. 's Bosch. 3672. 3.

Vlaardingen (Ivantongeregt te). Bijzonder reglement betreffende de orde voor de inwendige dienst. 3775. 4.

Vleesch. Zie Belastingen. 3681. 3.

Vleeschhouwer. Zie Belastingen. 3765. 1.

Vlieger (J.) in cass. 3779. 2.

Vliet (J. van) en J. van Vliet Hz. ca. het Bestuur der Registratie en M. van Vliet. H. R. 3774. 1.

Vliet (M. van) e. s. cn. het Bestuur der Registratie en Domeinen. Rott. 3714. 3.

Voeging. Zie Vrijwaring. 3678. 3.

Voertuigen. Zie Wegen. 3675. 2; 3713. 2; 3778. 2.

Voetpad. Belemmering van een — zonder vergunning van den Gemeenteraad. — Openbaarheid van dat —. Bewijs deswege. — Vermoedens. — Aanwijzingen. — Getuigenis. — Gissingen en redeneringen.

Blijkt in deze voldoende, dat de regter heeft gelet op den zamenhang en het verband der afzonderlijke en op zich zelve staande getuigenissen, al zijn die woorden niet uitdrukkelijk in zijne uitspraak gebezigd? — Ja.

Is er ten deze wel sprake van gissingen, bij redenering opgemaakt, omtrent den eisch van openbaarheid van het onderwerpelijke — voor de strafbaarheid der belemmering na de verklaring van eenige getuigen, dat zij het — als openbaar hebben gekend en gebruikt? — Neen.

Zijn ten deze zoodanige getuigenissen omtrent feiten en omstandigheden betrekkelijk de opgemelde openbaarheid, als welke volgens de wet tot aanwijzingen konden strekken? — Ja.

Kan het feit, dat een openbaar — over iemands land loopt, door alle wettelijke bewijsmiddelen en dus ook door aanwijzingen worden bewezen ? — Ja.

Is niet teregt bij 's rogters vonnis overwogen, dat, wanneer in een politie-reglement sprake is van voetpaden, daaronder geene andere dati openbare voetpaden kunnen worden verstaan? — Ja.

Bij de onderwerpelijke verordening verboden zijnde het gebruik der voetpaden op eenige wijze te belemmeren, is daaronder dus mede begrepen eene belemmering van doorgaanden en biij venden aard? Ta. II. R. 3793. 1.

— Zie Overgang. 3682. 3; — Plaatselijke verordeningen. 3794. 1.

Volkenregt. Over de handelingen der académie du droit des gens,

tevens association internationale pour le progres du droit des gens, in verband met de motie van den heer Richard tot beslissing van de geschillen door scheidsregters. 3665. 4.

Volkrijk Liebert (M.) ca. den administrateur van het kroondomein. Midd. 367i. 3.

Vollenhoven (Joost van). De heer — herkozen tot lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. 3735. 4.

Volmagt. Zie Erfstelling. 3787. 3 ; — Hypotheek. 3680. 1; — Koop en verkoop. 3768. 2; — Notaris. 3729. 3; — Revindicatie. 3783. 3.

Vondeling leggen (Te). Stelt het feit, dat eene moeder, na weigering van onderstand , haar kind aan de zorgen van een predikant opdraagt en het met diens weten, maar tegen zijn zin, nederlegt op de stoep zijner woning, het misdrijf van — daar? — Ja. Midd. 3783. 3.

Vonnis. Is tegen het uitspreken van het — acht dagen na het onderzoek ter teregtzitting, nietigheid bedreigd? — Neen. II. R. 3749. 1.

Vonnissen (Uitvoering- van). Zie Vennootschappen. 3783. 1.

Voogdij. — Voogdes. — Aanvaarding eener erfenis, aan den minderjarige opgekomen , zonder voorregt van boedelbeschrijving. — Regten van derden.

Heeft de niot-naleving van art. 459, al. 1 , B. W. ten gevolge, dat minderjarigen, uit kracht van art. 1484, in verband met art. 1490, van hetzelfde wetboek, het regt hebben om, als zij meerderjarig zullen zijn geworden, tegen alle handelingen, door hunne voogden voor hen als zuivere erfgenamen verrigt, op tc komen, door middel eener acte tot nietig-verklaring?— Ja. H. R. 3666. 1.

— Is de moeder voogdesse bevoegd voor hare minderjarige kinderen, erfgenamen huns vaders, als eiscberesse in regten op te treden , alvorens zij de erfenis onder het voorregt van boedelbeschrijving heeft aanvaard? — Neen. Drenthe. 3671. 1.

— Is de voogd ontvankelijk in eene vordering tot scheiding en deeling, wanneer niet blijkt, dat hij door den kantonregter tot het instellen dier vordering is gemagtigd? — Neen. Brielle. 3695. 3.

— Weeskamer. — Toeziende —. Reis. — Verlof.

Vervalt de toeziende — van eene weeskamer in Neder]andsch Jndië door de enkele benoeming van een toezienden voogd hier te lande? — Neen.

Behoort de toeziende — aan de weeskamer over de minderjarige kinderen van een Indisch ambtenaar, die, met verlof gaande naar het moederland , op reis aan boord van het schip sterft? — iVeeii. 's Hage. 3711. 3; 3713. 3.

R _''e 'usschenkomst des regters noodig, om de — naar art. 407 " te verliezen, of wordt zij ipso jure verloren? - In eerstHemelden zin beslist, 's Bosch. 3717. 2,

Is de tusschenkomst des regters noodig, om de — naar art. 407

B. W. te verliezen? — Neen, zy wordt ipsojuie vonoiuii. 's Bosch. 3717. 2.

Voogdij. Afwijzing van een verzoek tot benoeming van voogd en toezienden voogd, op grond, dat de persoon, wieu het ten deze geldt, is vreemdeling, dewijl hij naar de wetten van zijn geboorteland als meerderjarig moet worden beschouwd. Kant. NieuwerAmstel. 3727. 4.

— Voogdij rekening. — Rekening en verantwoording. — Uiterste wilsbeschikking. — Registratie. — Artt. 470 en 951, al. 2, B. W.

Vordert de wet tot de goedkeuring van de rekening en verantwoording van den voogd een afschrift of nadere omschrijving der rekening en bewijsstukken in de recepis of décharge van den gewezen minderjarige? — Neen.

Zijn er in casu tusschen het tijdstip van het aflegger; der schriftelijke erkentenis door den minderjarige hij onderhandsche acte en het tijdstip van de goedkeuring der rekening tien dagen verloopen, zoo als art. 470 B. W. dat vordert? — Ja.

Levert de onderhandsche acte, welke voor erkend moet worden gehouden met opzigt tot de dagteekening tusschen den voogd en den gewezen minderjarige en hare erfgenamen of regtverkrijgenden, volledig bewijs op, al is zij later geregistreerd ? — Ja.

"Wordt echter zoodanige registratie ter bekoming van eene zekere dagteekening bij art. 4 70 B. W. voorgeschreven? —. Neen.

Kan de nietigheid der rekening en verantwoording, volgeus art. 470 B. W., alleen door den gewezen minderjarige en diens erfgenamen of regtverkrijgenden worden gevorderd? — Neen.

Rust, wanneer op den zelfden dag het testament door de gewezen minderjarige verleden en de voogdijrekening gesloten is, het bewijs, dat het verlijden van het testament is voorafgegaan, op hem, die de nietigheid van het testament beweert?—Ja. IlofGron. 3752. 1.

— Noodzakelijkheid van eenige wijzigingen in de bepalingen betreffende de —. Meng. 3774. 4.

— De voogd heeft krachtens art. 441 B. W. het regt afgifte van den minderjarige te vragen van ieder, in wiens feitelijke magtde/e zich bevindt.

Dat regt kan ook worden uitgeoefend tegen deu langstlevende der ouders, die de — verloren heeft, maar deze behoeft niet in het geding te worden geroepen,

Mitsdien is noch de »exceptio tibi adversus me noncompetit actio," noch de «exceptio plurium litis consortium« gegrond.

Dit geldt te meer, waar de langstlevende der ouders als gevoegde partij in het geding optreedt, waardoor alle belang bij die exceptie wegvalt.

De langstlevende der ouders heeft geen regt om bij reconventionnelen eisch te vragen, dat de Regtbank, met beperking van de regten des voogds, bepale, op hoedanige wijze de minderjarige zal worden opgevoed.

Het vonnis tot afgifte der minderjarige is uitvoerbaar bij voorraad , op grond van de authentieke acte, waaruit de qualiteit van den voogü, die de grondslag der vordering is, blijkt.

De executie van het vonnis kan plaats hebben met behulp van den sterken arm in alle gebouwen en erven, waar de minderjarige zich mogt bevinden. Regtb. Utr. 3790. 2. (Aanvulling. 3794.'4.)^

— Zie Burgerlijken stand. 3668. 3; — Nalatenschap. 3783. 2;

Rekening en verantwoording. 3715. 1; — Verkoop. 3 734. 3.

Voorbedachte raad. Zie Manslag. 3744. 1.

Voordragten. Zie Benoemingen.

Voorhorst (Dr. 3. J. W.). Het Openb. Min. c&. —. Assen. 3715. 3.

Voorlezer. Zie Overeenkomst. 3726. 3.

Voorthuysen (Mr. E. du Marchie van). De heer — gekozen tot lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. 3735. 4.

Voortgezet misdrijf. Zie Polderkeur. 3730. 2.

Vordering. Zie Overeenkomst. 3677. 2.

— Zie voorts Eisch.

Vorstman (Mr. J. A.). Beschikking op request van —. Zuidh. (traadk.). 3789. 3.

Vos (H.) in cass. 3726. 1.

Vos yan Steenwijk (Mr. J.A. G. Baron de). De heer — gekozen tot lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal. 3735. 4.

— benoemd tot voorzitter. 3759. 4.

— Rede bij de aanvaarding van het presidium. 3760. 1.

Vraagpunten. Verhoor op —. Verschil omtrent het al of niet ter

zake dienende van enkele der gestelde —. Art. 237, al. 1, B. R. Amersf. 3746. 1. (Verbetering. 3747. 4.)

— Verhoor op —.

Is het verzoek tot verhoor op —, ook dan , nadat van conclusiën gewisseld en de dag tot het houden der pleidooijen was bepaald, nog ontvankelijk ? — Ja. Hof Gron. 3787. 3.

— Zie Bekentenis. 3724. 1 ; — Overeenkomst. 3727. 3.

Vracht. — Ligdagen. — Onderpand. — Opslag. — Lossing.

Wederregtelijke staking der lossing. — Bewijs.

Is art. 460 W. K. geschonden door toewijzing van de vordering des schippers tot betaling van — en ligdagen , wanneer tusschen schipper en geconsigneerde is overeengekomen , dat eene geldsom, daartoe bij een kassier'gedeponeerd, als onderpand zal verstrekken voor de nog niet uitgeladon rogge, en wel deze, maar niet die geldsom aan den geconsigneerde is afgegeven ? — Ja.

Moet onder onkosten in art. 497 W. K. ook worden begrepen de schadeloosstelling voor overligdagen, bij de iniading verbruikt? Niet stellig beslist.

Wordt het voorregt in art. 487 W. K. alleen verleend voor werkelijk bestaande vorderingen en niet voor de zoodanige, waarvan het bestaan enkel wordt beweerd; en moet hij, die beweert, dat hij voor zekere vordering een pandregt heeft op eens anders goed, die vordering ook tegenover den eigenaar van dat goed bewijzen, met dit gevolg, dat het Hof, door het handhaven van een opslag, gevraagd wegens eene vordering, welker bestaan niet is bewezen , art. 487 W. K. en art. 1902 B. W. heeft geschonden? —- Ja. Zuidh., H. R. 3723 1.

Vrachtbrief. Zie Vervoer. 3732. 3.

Vraght-overeenkomst. Zie Schipper. 3715. 1.

Vredenburch (Jhr. J. F. van) c. s. ca. de maatschap de Droogmakerij in den Tedingerbroekpolder. II. R. 3687. I.

Vreeburg (L. A.) c°. A. Wulff. 's Hage. 3779. 3.

Vreemdelingen. Zie Dagvaarding. 3755. 4; — Uitlevering. 3706. 1 ; 3754. 1 ; 3755. 1 ; 3756. 2; 3761. 2 ; 3771. 1 ; 3772. 1 ; — Voogdij. 3727. 4.

Vreemde wetgeving. Zie Testament. 3710. 1.

Vries (de) e». Ie Jeune. Kant. n". I Amst. 3678. 3. (Verbeteringen. 3681. 4.)

Vkibs Az. (Mr. G. de). Aan den lieer — op verzoek eervol ontslag verleend als minister van Justitie. 3751. 4.

— Aan hem pensioen verleend. 3771. 4.

Vries (J. de}. De minister van Finaniiën c».—. Winsch. 3711. 3.

— in cass. 3719. 2.

Vrijland (J.) ca. N. Duncan. Zuidh., H. R. 3723. 1.

Vrijling (J. L.) ca. Mr. A. F. K. llartogb qq. Amst. 3718. 3.

Vrijspraak. Zie Belastingen. 3670. 1 ; — Jagt. 3697. 2 ; 3740. 1 — Manslag. 3744. 1 ; — Plaatselijke verordeningen. 3 788. 13793. 2 ; — Wegen. 3683. 1; 3734. 2.

Vrijwaring, Art. 158 B. R.

Sluiten