Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ieders aandeel gelijkelijk aan ieder der vennooten tegen quitantie zal zondere en geldelijke belangen ondergeschikt, en daarom tijdelijk ,

worden uitgekeerd, en dat, indien onverhoopt over eenig jaar verliezen wisselend en vergankelijk doel wordt beoogd, maar een overheer-

mogten te dekken zijn, of dat door de uitbreiding der onderneming, schend maatschappslijk doel, zedelijk en blijvend van aard en onaf-

of uit welke andere oorzaak ook , vermeerdering van fonds of kapi- hankelijk van het aanwezen der deelgenooten ;

taal mogt worden vercisebt, ieder vennoot op gelijke wijze deszelfs 2". dat bij maatschap de vennoot zich niet onvoorwaardelijk en aandeel in gedacht maatschappelijk verlies of tekort onverwijld aan voor altoos ontdoet van de goederen, dio hij inbrengt, maar een den bestuurder tegen quitantie moet opleggen of bijpassen; terwijl ein- evenredig aandeel behoudt in hetgeen vroeger zijn uitsluitend eigendelijk (waar het in dit geding voornamelijk op aankomt) in de artt. dom was , terwijl hier de deelgenooten (wat ook het systeem is van 14, 15, 16 en 17 is bepaald als volgt: opp. zelf) hunne goederen onherroepelijk overdragen aan een van hen «Art. 14. Het zal aan ieder deelgenoot vrijstaan, zich aan de ven- afgescheiden regtssubject met eigen zelfbestaan, en uit eigen krachnootschap te onttrekken, door daarvan schriftelijk afstand te doen, in ten voortlevende;

welk geval alle zijne regten en verpligtingen, zonder eenige uitzon- 3". dat maatschap berust op vertrouwen van de vennooten onderdering, onmiddellijk ophouden op gelijke wijze, alsof hij nimmer ven- ling; en dat, zoo die vennooten een hunner met het bestuur belasten noot geweest ware. de magt, aan dien bestuurder verleend, nimmer zoo groot kan wezen, «Art. 15. Noch de afstand, noch de dood der deelgenooten zal dat zij zei ven van alle inmenging in den gang van zaken afstand in eenig geval de ontbinding der vennootschap tot gevolg kunnen doen ; terwijl hier aller wil zich oplost in den wil van e'én enkelen, hebben, maar zal integendeel, in alle de gevallen, waarin zoodanige den bestuurder, die niet enkel beheert en bestuurt, maar, zonder de ontbinding van regtswege plaats heeft, alleen het deelgenootschap van overige deelgenooten te kennen, verkoopt en aankoopt , vervreemdt den vennoot, wiens verandering van toestand daartoe zoude aanlei- en verhypothekeert, schenkingen aanneemt, alle handelingen en verding geven , komen te vervallen. bindtenissen verrigt en aangaat, schulden maakt en zoo doende zelfs, «Art. 16. Het deelgenootschapen het daaruit voortspruitend regt der volgens art. 6, het in zijne hand heeft, of er al dan niet dividend zal vennooten is slechts persoonlijken gaat niet over op hunne erfgena- worden uitgekeerd, die naar welgevallen nieuwe leden aanneemt en men, gelijk wederkeerig de aangegane verpligtingen der vennooten daarmede, tegenover eene tot ontbinding overhellende meerderheid, het in geen geval ten laste van de erfgenamen zullen kunnen gebragt voortbestaan der vereeniging onbepaald kan verzekeren, die zijn worden, maar door de overblijvende vennooten moeten worden gepre- opvolger benoemt zelfs voor een tijdvak , dat hij niet meer in leven steerd en gekweten. is, en zelfs het regt heeft in het particulier vermogen der deelgenoo"Art. 17. Dien ten gevolge verklaren de vennooten voor hunne ten in te grijpen, wanneer hij dit voor het voortbestaan of de uitbreierfgenamen van alle regten en aanspraken ten bate en ten laste ding der zaak noodig vindt;

dezer vennootschap afstand te doen, waartegen de vennootschap wc- 4». dat bij maatschap drijfveer en oogmerk is eigenbelang (art.

derkeerig de erfgenamen der vennooten voor altijd van alle aanspra- 1655 in fine), hetgeen hier ten eenemale wegzinkt, nademaal hier

lelijkheid ontheft entegen alle aanspraken en vorderingen van derden de winsten (waarvan dan ook alleen vooronderstellenderwijze gespro-

garandeert en vrijwaart." ken wordt) kennelijk alleen in aanmerking komen in zooverre zij

0., dat da heer Consen voornoemd op 11 Nov. 1870 te Nijme- dienen kunnen om het maatschappelijk doel te bereiken; eindelijk

gen is overleden , nalatende een testament, op 12 Eebr. 1868 voor 5°. dat de duur eener maatschap in den regel althans afhangt van

leeds genoemden notaris Strengman verleden , waarbij hij tot uni- den wil en het leven van de personen, die haar aangingen, terwijl

verseel erfgenaam benoemt zijn kapellaan, dezen opp. en, bij ont- hier juist al de gewone middelen van ontbinding zijn uitgesloten, en

stentenis van dezen, twee andere, bij het testament aangewezen ook hier weder alles afhankelijk gesteld is van den alvermogenden

geestelijken bij opvolging, en tot hoofd en bestuurder van Villefort wil van den bestuurder of zijne opvolgers;

en Comp. twee andere daar genoemde geestelijken, mede bij op- 0. , dat uit en ander voldoende blijkt, 'dat men hier niet te doen

volging; heeft met eene gewone burgerlijke maatschap en nog veel minder

0., dat opp. op 1 Jan. 1871 ten kantore te Nijmegen heeft niet de handelsvennootschap, in art. 16 W. K. geregeld, maar inder-

uigediend eene memorie van successie, waarbij opgegeven wordt, daad met eene met den naam eener handelsfirma bestempelde veree-

at zijn erflater geen ander actief heeft nagelaten dan zijne kleederen niging, met een zedelijk en maatschappelijk doel, met een van de

üjfstoebehooren, drie stuks zilveren metallieken, het tractement, individuële deelgenooten afgescheiden en een op een onbepaalden tijd

hij als pastoor en als geestelijke in het gevangenhuis te goed had, berekend voortbestaan, bestuurd door den wil van één enkelen, alzoo

Vier aandeeien in de Geldersche stoomboot-maatschappij en twee met eene corporatie, te beoordeelen naar de bepalingen van den Xden

aandeelen in de hulpbank te Nijmegen, een en ander gewaardeerd en niet naar die van den IXden titel van het lilde boek van het

°p een bedrag van f 4527.50, waartegen evenwel een passief wordt Burgerlijk Wetboek;

opgegeven, met inbegrip der begrafenis-kosten en kerkelijke diensten, 0., dat, bij die opvatting, de bestreden artt. 14—17 der oprigtings-

ten bedrage van/4350, zoodat die memorie een zuiver overschot aan- acte niet in strijd zijn met het algemeen karakter der vereeniging,

WlJ®t van f 177.50; maar integendeel niets anders zijn dan de bevestiging van hetgeen

, SeoPPoseer<^e Bestuur beweert, dat in die memorie in art. 1701 B. W. als gemeen regt is aangenomen; dat het Be-

had moeten zijn opgegeven het aandeel, den erflater Consen aanko- stuur, zoo als door opp. teregt is opgemerkt, niet bevoegd is

mende m hierboven omschreven firma Villefort en Comp., door het juist deze bepalingen ter zijde te stellen, al het overige daarentegen

Bestuur, wat betreft de zaken, omschreven in art. 1, n°. I, der wet van als regtens bestaanbaar aan te nemen, en tegen den opp. te keeren

13 Mei 1859 (otbl. n°. 36), geschat op J 50,000, en, wat betreft de en zoo doende de acte uit haar verband te rukken;

goederenen zaken, aan regt van successie onderworpen, op ƒ100,000; 0., dat het hier geldt eene corporatie, opgerigt vóór de invoering

en dienvolgens, bij dwangbevel van 15 Mei jl., van den opp. heett van de wet van 22 April 1855 (Stbl. n°. 32); dat het Bestuur niet

een t!f Grt* Y001 reS( yan sl}ccess*e > r®gt van overgang, boete en op- beweerd heeft, dat de corporatie in strijd is met 'slands wetten; en

.■ -f!n e®n gez®menlijk bedrag van f 18,112.50, behoudens vermeer- da regter, die wel regtsgronden, maar geen regtsmiddelen heeft aan

f!"''/!0 ^ermindei'i.Ilg volgens latere regeling; te vullen, dit hier ook niet te onderzoeken heeft; dat buitendien zooda-

in J'. ^ exploit van 24 Mei jl., tegen dit dwangschrift nig onderzoek ten eenemale doelloos zou zijn in deze procedure, om-

ei zet is gekomen op de in het exploit opgegeven , en bij latere dat daarmede nimmer zou worden bewezen, wat hier te bewijzen is:

«emone breedvoerig ontwikkelde gronden , die zich evenwel tot deze nl. dat deze opp. door zijn erflater aandeelhouder geworden is in

twee hoofdgronden laten terugbrengen : Villefort en Comp., en daarvan successieregten verschuldigd is •

1„. dat, na de acte van 20 Aug. 1852 zijn erflater Consen geene 0., dat hiermede tevens ieder onderzoek vervalt van de vraag, of in

Wgendomsregten hoegenaamd heeft kunnen hebben of verkrijgen aan de eene maatschap of vennootschap, die dit metterdaad is, bepalingen ate

goederen, door hem en anderen mgebragt, omdat die goederen mt het waarvan hier sprake is, door de erfgenamen , niet-legitimarissen ,

Parueuher vermogen des inbrengers waren verdwenen om het eigendom .ouden behooren te worden geëerbiedigd, en evenzoo of het formee

te worden van een maatschappelijk collectie , dat, onverschillig of men bezwaar> t faet dwa frifl opge*orpen, gegrond ia of uiet.

zelf t ?c' V? perS°na J"".d!ca.wille beschouwen, voor zich Ën op deze gronden enz.;

20 IlL'-a "7untde ",'^'T1/-00'6 leden.' en , . Gelet op art. 62 der aangehaalde wet op het regt van suceessie ,

in Ik V",1", ge,Val het asndeel CoDSen ln de vennootschap met ia verband met art. 65 der wet van 2a Frimaire an VII-

hierhn? '«gekomen, omdat de erflater daarover reeds bij de yerkiaart het geopposeerde Bestuur in deze zijne vordering niet-

erboven vermelde artt. 14, 15, 16 en 17, alzoo bij acte onder de ontvankelijk •

Ce?6"' b8d- beschikt;die bf^ikkinS h;ei' ■ waar fene le8itima" Verklaart dien ten gevolge den opp. goed opp. tegen het gemelde

j' aanwezig zijn, niet in strijd is met de wet, en dat ze evenmin dwHngschrift van 15 Mei il

wit 'U1 f g0e?e,zeden ,en, de °Penbare orde; en qhet Be; Verklaart dit dwangschrift nietig en onwaarde en stelt het bui-

"uur, zich met de maatschaps-acte tegen hem opp. wapenende, niet ten effect

®Sdhis °m die_bepalingen welke hem opp. te stade komen, als Veroordeelt het geopposeerde Bestuur in de kosten.

bestaanbaar ter zijde te zetten; terwijl opp. nog heeft beweerd, .

1 at het gevorderde bedrag van ƒ18,112.50 volstrekt is onbepaald, (Met dit vonnis verdient vergeleken te worden een vonnis van

en alle justificatie mist; Maastricht van 7 Junij 1866 , i'eekbl. no. 2813.)

, dat het Bestuur van zijne zijde heeft aangevoerd :

. lo- dat de aangehaalde artt. 14, 15 en 16 niet beoogen om de ~—

'gendommer! der firma aan de erfgenamen der vennooten te ont- „

^ en, maar alleen om de vennootschap tegen acties en vorderingen A iiiiO.N DLS3KM hNI\S-REG TB ANK TE ROTTERDAM. 11 hunne zijde te vrijwaren; en

indien die bedoeling al in art. J.7 mogt opgesloten liggen, Hu*ser!IJke Hamer.

artikel zonder gevolg zou moeten blijven, omdat art. 1354 B.W. A7 , . r. . „ , ...

toestaat om zich zeiven met uitsluiting der erfgenamen te ver- Zlttm9en van 21 November, 5 December 1873 en 5 Januanj 1874.

Cden' maar ."*? 0m laatsteu bij o^eenkomst, die men met r)e zeer interessante pleidooijen , zegt de N. Roti. Ct. onder

regt " r"ga '♦ VTV , VT r6g /k T kracht°ns 'iet erJ- dagteekening van 22 Nov. in de belangrijke, door ons reeds vroeger

J het Bestuur met betrekking tot de beweerde raedegedeelde zaak van de heeren Moos, Molière en Tromp, te Am-

v*n'art' o?'vorder,,,;g beeft Terwezen naar de slotwoorden sterdam, teg<ln de Rotterdam sche Bank, namen gi-teren ochtend

O et 'J f aan^aalde "et °P re^ recessie ; alhi8r een aan duurden ruim vie). uu en wefd

^"rï;"«w-

In i g"/'0111'3-: Voor de eischers traden op Mr. H. H. Tels , als advokaat, en Mr.

0 f 1 W. Siewertsz van Reesema , als procureur, en voor de gedaagden

acte' '1 uMegging, die het Bestuur aan de artt. 14—17 der Mr. J. C. Reepmaker en Mr. H. J. J. tan Convent ten Oever. de ® ett> a's zouden daarbij enkel en alleen de actiën voor en tegen

erfnVer"100t8C'laP • doch niet het eigendomsregt der goederen aan de Na de voorlezing der conclusiën begon Mr. Reepmaker zijn plei-

üier naiI!ei1 ontzegd worden, kennelijk in strijd is met den inhoud dooi met een overzigt van den stand der zaak. Op 1 Sept. 1871

" 6n de bedoeling der contractanten; dat immers ont- vervoegde zich ten kantore van de Kotterdamsche Bank een onbekende

daardoo Va" a"e aCt'e h'er reeds medebrengt ontzegging van alles wat Engelschman , zich noemende S. Tayer, om een wissel; doch de

dat mtn ^unnen worden verkregen, alzoo ook het eigendom, bediende zeide.dat de Bank aan onbekenden geene wissels verkocht,

lrent h't °'no 'en wil; doch dat buitendien de uitdrukkingen om- waarop de onbekende een accreditief van Bowles Brothers te New-

^eele ^S0°" der deelgenooten, in verband met het go- York vertoonde en daarop een wissel kocht van pi. st. 5, aan de

ten om' i " ' 'tt '"i' G f 110611 zien' dat de bedoeling heeft voorgeze- order van Heriry Watts, die hem dien middag werd ter hand gesteld,

genoot 'A,U' r j ^ f° ,OT.er'i)den vaneen deelgenoot, zoodanig deel- Op 5 Sept. ontving de Bank een telegram van de eischers, waarbij

als had'de° ® tot z'-ine erfgenamen, te beschouwen, gevraagd werd, of een wissel, genominerd361 , groot pd. st. 3000,

Vet>nootsch G' h'L^mer .e.e.ni8e ''egtsbetrekking tusschen hem en de op Albert O. Bernheim, echt was , waarop de Bank ontkennend

tteweest ■ fSra"h ,1-',?e § als ware hij nimmer lid der firma antwoordde. Vóór die informatie hadden de eischers evenwel eene aan-

als inr.„' i,'! a 16 ® oe IDS' zo° noodig, nog meer zal uitkomen, zienlijke som opdien wissel geschoten;, de zaak echter niet vertrou-

, 0 met b tetw-aar, f L aCte naSaat; wende , telegrafeerden zij aan de Bank, ofschoon het volgens pleiter

*n de ODri-Tt'16 -61"' ^at °°^ geopposeerd Bestuur immers voorzigtiger geweest ware dit vóór eenige uitbetaling te doen.

(^aarteo-on sc ^r' 0 Z1LD., 200 al niet eene handelsfirma Het restant werd niet gehaald, en de heer Tromp vervoegde zich

Verzetj tl0uwens reeds het geavoueerd doel der oprigters daarop tot de Bank, die hem medewerking beloofde bij het doen

aan dé'bennlir,00 ' eene gewone maatschap, onderworpen van nasporingen. De heer Tromp begaf zich naar Londen , waar hij

u't Uet oog wordt' Vaii ar"' n volg. B. W.; doch dat daarbij mot den president-directeur Müller zich met Engelsche detectives in

,1°, dat hipv „;.tVer °reiï: ... . contact stelde en waar het zou gebleken zijn, dat bedoelde Bernheim

- ' hy maatschap, een materieel en aan bij- bij hen bekend was en zich reeds te Manchester en Bradford aan

valschheid had schuldig gemaakt. Eene plainte werd ingesteld; de wissel, die door de Bank aan den onbekenden zich noemenden Tayer was verkocht, was blijkbaar dezelfde als door de eischeres was genomen , doch tot een bedrag van 3000 pd. st. vervalscht. De dader was naar Amerika en werd daar gevangen; de ged. poogde eene photographie van hem te krijgeu, om uit te maken, of hij dezelfde persoon was, die bij do Bank was geweest; doch het bleek, dat -er in de gevangenis te New-York twee personen van den naam Bernheim waren en men de verkeerde photographie had ontvangen. Men had dus in casu met eene opligting te doen , waarvan de eischers door hunne onvoorzigtigheid de dupe geworden waren ; en toen zou men • hebben gemeend, dat de zaak beëindigd was. Maar neen , men bragt de zaak op burgerlijk gebied en sprak de Bank aan tot betaling van den wissel. Ofschoon volkomen bewust, dat het een valsche wissel was, zegt pleiter, durft men toch de betaling eischen ; die houding is te laken. Nu ontkent de Bank wel niet de handteekening, althans zij wil aannemen, dat die echt is ; maar daarbij voegt zij de verklaring, dat al het overige op den wissel valsch is. Uit het traiieboek deiBank blijkt, dat de wissel, groot pd. st. 5, n°. 359, op H. Watts is afgegeven, terwijl n°. 361 een geheel ander bedrag eu persoon betreft. Pleiter wijst er op , dat in casu alieen de eischeres eene onvoorzigtigheid heeft begaan en niet de Bank, wier systeem het juist is aan onbekenden geene wissels te verkoopen. Op de praatjes van een onbekende schoten de eischers pd. st. 1000 voor, zonder zich eerst te verzekeren omtrent den persoon. Maar afgescheiden van de historie, door pleiter in het breede medegedeeld, komt het er op aan, of de wissel echt is of niet; en de beide op last der Iiegtbank gehouden expertises stellen de valschheid van den wissel in het licht, waardoor de Bank dus ongehouden is tot betaling.

Het eerste onderzoek had plaats door drie schoolmeesters, en deze waren van meening, dat er geene vervalsching had plaats gehad op mechanische wijze door radering, maar dat die door chemische middelen kon zijn bewerkstelligd; en daarop werd de chemische expertise gehouden door den heer B. Eickina, als chemicus, en twee specialiteiten in lithographie. Dit laatste rapport is naar pleiters oordeel positief, en tegen dit materieel bewijs valt niets te zeggen. De valschheid van den wissel wordt daarin evident in het licht gesteld. Te dien aanzien is er geene quaestie; de vraag is : wat staat er in het rapport ? en dan ziet men, dat de wissel vervalscht is, niet kan zijn. Daaruit blijkt voorts, dat bet handschrift is gedwongen en sporen draagt van nabootsing; dat op de plaats, waar three thousand pounds staat, iets anders moet gestaan hebben; dat de lijnen van den balk, waarin het bedrag in cijfers is uitgedrukt, veranderd zijn; dat bij de wegneming van de vroegere cijfers eenige streepjes in den balk zijn weggenomen en met O. I. inkt aangehaald.

Pleiter gaat dat rapport in den breede na, om aan te toonen, dat de wissel door middel van chloorwater is uitgewischt, en wijst op de verschillende punten, die de vervalsching zouden bewijzen, om in resumé te beweren, dat die vervalsching chemisch en mechanisch plaats had, die hij bovendien bewezen acht, ook door de verklaringen, door twee bedienden van de Rotterdamsche Bank voor den regter van instructie afgelegd. Eenige voorname punten wil pleiter nog bijbrengen; op alle wissels van de Rotterdamsche Bank staat Pound sterling ; het woord sterling komt op den verdachten wissel niet voor, terwijl de Bank op den wissel niet aan eene firma, doch aan een privé persoon steeds plaatst het woord Esqr'. achter den naam, dat nu veranderd is in Esqr. In het wisselboek van de Bank is schijn noch schaduw van een wissel, groot 3000 pd. st. op Albert O. Bernheim ; en de geheele comptabiliteit van de Bank zou veranderd moeten zijn om het ondenkbare geval te verklaren, dat de wissel toch door haar zou zijn afgegeven, Is de vervalsching, vraagt pleiter, niet zonneklaar bewezen , als men bedenkt, dat de wissel n». 359 aan H. Watts, groot pd. st. 5, in Sept. 1871 afgegeven, thans in Nov. 1873 , dus na ruim twee jaren , nog niet is opgekomen? Vat men dan al die aanwijzingen en vermoedens te zamen, dan maken zij bewezen het feit, dat deze wissel, groot pd. st. 3000, waarvan de betaling wordt geëischt, nooit door de Bank is uitgesteld, maar een valsche wissel is, waarvan de betaling door de Bank niet verschuldigd is.

Advokaat Mr. Tels begon zijne uitgewerkte pleitrede met te constateren, dat door de eischers alle mogelijke medewerking is verleend oai tot de wetenschap te komen, of de wissel valsch was; doch toen de valschheid onmogelijk te ontdekken was, en zelfs geen spoor daarvan was te traceren , ook niet in Engeland en Amerika, van waar eene photographie kwam van een gearresteerde Bernheim, die echter bleek niet de nemer van den wissel te zijn, terwijl van het verhaal van pleiter voor de gedaagden, dat nog een tweede Bernheim zoude zijn gearresteerd , niets is gebleken. Eerst na geregtelij'se instructie en vruchteloos onderzoek, heeft men den trekker van den wissel gedagvaard tot rembours, omdat niets van vervalsching was aan het licht gekomen. Weinig was het te verwachten , dat een ligchaam als de Rotterdamsche Bank hare eigen handteekening, die erkend wordt, niet zoude honoreren. Nu heeft de tegenpartij betoogd, dat het hard zou zijn een wissel te betalen , waarvoor men geen fonds heeft ontvangen ; en daarom wordt alles aangewend, om de niet-aansprakelijkheid van de Bank aan te toonen. Maar de quaestie is alleen : de wissel is geteekend door de Rotterdamsche Bank en kan op andere wijze z\jn ontstaan dan door valschheid. Is dat het geval, dan is de Bank aansprakelijk. De gedaagden weten, dat de eischers volkomen te goeder trouw zijn; en daarom wil pleiter enkele minder gepaste woorden stilzwijgend voorbijgaan. Pleiter treedt nn in eene ontwikkeling van het gebeurde. De eischers kenden den persoon van Bernheim zeer goed, want hij kwam met een recommandatie-brief van een zeer geacht huis uit Frankfort, die, had men dit verlangd, zou zij n overgelegd. De eischeres had te voren voor hem eene uitnoodiging van liet postkantoor ontvangen tot afhaling van een aangeteekenden brief. Deze werd op zijn verzoek afgehaald door een bediende van haar kantoor. Toen daarin was een Engelsche wissel van de Rotterdamsche Bank , in plaats van eene remise op Amsterdam, die hij verwachtte, verzocht hij aan de eischers dien ter beurze te verkoopen en hem voor'shands 1/3 van het bedrag voor te schieten. De houder was dus voor de eischers geen onbekende, want hij was hun door een Golied huis aanbevolen. En waarom zonden zij bezwaar gemaakt hebben van hem een wissel van de Rotterdamsche Bank aan te nemen, waarvan de handteekening is erkend en waaraan het geoefend oog geen spoor van eenige valschheid ontdekken kon? Eerst nadat Bernheim, die met een hunner bedienden het kassiersbriefje, hetwelk zij hem hadden gegeven, was gaan ontvangen en zich vervolgens naar het spoor naar Rotterdam had laten brengen , zoo als hun bediende, die hem tot geleider had gediend, hun mededeelde, eerst toen ontstond reden tot achterdocht. Onmiddellijk daarop werd de zaak onderzocht, en wat is er het gevolg van geweest ? Men heeft heden een roman opgedischt, waarin waarheid met onwaarheid was vermengd, meer niet. De Bank is van onvoorzigtigheid te beschuldigen; bij alle bankiers moge het regel zijn, dat zij aan iedereen wissels verkoopen, bij de Rotterdamsche Bank echter niet. De beide directeuren verklaarden voor den regter-commissaris: ^t is een principe bij de Bank, dat zij aan onbekenden geene wissels afgeven. Welnu, dat beginsel is zeer gezond en loffelijk, maar dat werd juist geschonden; want men nam iemand als bekend aan, die zich niet litigimeerde door een accreditief, maar alleen, zoo is bij de instructie verklaard, door eene eenvoudige lettre (Tindication, behoorende b'y een reis wissel, waarvan

Sluiten