Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is goschied; dat hij toch in den nacht van 6 Oct, jl.t tusschen 12 en 1 ure, terwijl er veel beweging in het schip en hij met al zijn volk op het dek was, op eens een harde bons hoorde bij de verzegelde kast; dat hij zich daar heen begeven hebbende, bemerkte dat een in die kast liggend fust tegen de verzegelde deur was aangerold, die opengedrukt en daardoor de verzegeling verbroken had;

O., dat bij art. 155 der algemeene wet van 26 Aug. 1822 (StbL no. 38), de schipper aansprakelijk wordt gesteld voor het schenden van zegels op lading-plaatsen van schepen , tenzij zulks blijkbaar ware veroorzaakt door toevallige omstandigheden, die geene verdenking vau fraude kunnen aan de hand geven , en dat door deze bepaling juist voorkomen is, dat bij ontkentenis van schuld, de strafbedreiging wegens een feit, waarbij in den regel geen anderen dan de schipper en diens scheepsvolk tegenwoordig zouden zijn, illusoir werd; dat dus in casu voor de straf baarheid enkel nog te onderzoeken valt, of de zegels op beklaagdes schip blijkbaar door toevallige omstandigheden zijn geschonden ;

0. hieromtrent, dat bekl. tot staving der door hem beweerde overmagt heeft bijgebragt een enkelen getuige, doch diens verzekering houdende, dat hij op 6 Oct. jl. bij daglicht, zonder vooraf een bons of slag gehoord te hebben, door bekl. op de verbreking der verzegeling is opmerkzaam gemaakt, geenszins het verhaal van bekl. bevestigt; dat daarentegen tegen beklaagdes voorstelling pleiten de navolgende ten processe gebleken omstandigheden :

lo. dat het touw, waarmede het zegel bevestigd was, op de gebroken plaats niet was uitgerafeld, maar glad en effen als ware het met een scherp werktuig doorgesneden;

2o. dat het touw verbroken was op een andere plaats , dan waar het bij het opengaan der deur der verzegelde kast het meest zou gewrongen hebben;

3°. dat het lak nog op de kast bevestigd was op zoodanige wijze, dat het bij spanning van het touw gemakkelijk losliet; en

40. dat aan de binnenzijde der deur, die glad geschilderd was, geen de minste sporen van het daartegen aanrollen van een fust bevonden zijn;

0., dat mitsdien het in voormeld art. 155 bedoeld uitzonderingsgeval blijkbaar niet aanwezig is;

Verklaart voorschreven feiten wettig en overtuigend bewezen en dat zij uitmaken:

lo. het schenden der verzegeling van een ladingsplaats van een schip; en

2'.. het aanwezig zijn in een ingeklaard schip van gedistilleerd en wijn, niet vermeld op de generale verklaring ;

Verklaart den bekl. schuldig aan die wanbedrijven enz.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE GRONINGEN.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 9 Mei 1873.

Voorzitter, Mr. S. Tjaden Busmahn.

Regters, Mrs.: H. D. Gdyoi en J. R. van Iddekinge.

Gemeene muur.— Bestemming. — Voortdurende en zigtbare

erfdienstbaarheid.

A. J. Blink c. s., eischers, procureur Mr. Th. Haakma Tresling,

tegen

G. Maathuis, gedaagde, procureur Mr. J. Lohman.

De Regtbank enz,,

Gehoord partijen;

Wat de daadzaken betreft, zich refererende aan het daaromtrent vermelde bij het op de expeditie geregistreerd vonnis dezer Regtbank, den 22 Nov. 1872 gewezen in zake den heer A. J. Blink, aannemer, en zijne door hem gesterkte en gemagtigde echtgenoote, mejufvrouw A. H. Klok, zonder beroep, beide wonende te Groningen, comparerende bij Mr. Th. JELaakma Tresling , procureur aldaar, als eischers tegen den heer G. Maathuis, hout- en steenkooper, wonende te Groningen, comparerende bij Mr. J. Lohman , procureur aldaar, als ged., bij welk vonnis is bevolen, dat door een zelfstandig onderzoek van deskundigen de staat, de gelegenheid en de onderlinge verhouding van der partijen daarbij gelibelleerde huizen en erven zou worden opgenomen, nopens alle zoodanige punten , als welke, door eischers geposeerd en door ged. ontkend, voor zoodanig onderzoek vatbaar zijn, speciaal ten aanzien van negen daarbij omschrevene vragen, met wijderen als daarbij omschreven en met voorbehoud van de uitspraak omtrent de kosten tot aan het eindvonnis;

Overwegende, dat dat onderzoek door drie daartoe door partijen genoemde personen heeft plaats gehad, blijkens daarvan door hen opgemaakt en in afschrift ten processe overgelegd rapport van den 15 Dec. 1872 (behoorlijk geregistreerd) ;

0.. dat daarop voor de eischers bij conclusie ter rolle is aangevoerd, dat gemeld rapport van deskundigen, hoezeer dit vele sustenuen der eischers regtstreeks staaft en over anderen licht verspreidt, nogtans op verre na niet in allen opzigte aan de eischen der wet voldoet , daar het ten aanzien van vele punten niet met redenen omkleed is; dat de eischers derhalve zich het regt moeten voorbehouden, eene nadere expertise of geregtelijke plaatsopneming te vragen, doch voor 's hands willen beproeven of de gapingen in de expertise aangevuld en eene plaatsopneming overbodig kunnen worden gemaakt door een getuigenverhoor nopens de volgende feiten :

1. dat het nu afgebroken huis van ged., vóór die afbreking, in één verband met dat van eischers was, zoodat de daken der beide huizen aan elkander verbonden waren en de schoorsteen, die aan beide partijen tot rookuitgang diende, zich als één geheel voordeed;

2. dat bij het afbreken van gedaagdes huis, dat verband verbroken is;

3. dat op den oostelijken en zuidelijken muur van het vooruitspringend gedeelte van der eischers erf, ter plaatse waar eischers hun zomer gebouwen en getimmerten hebben, van eischers steunden ;

4. dat bij gelegenheid van de afbreking van gedaagdes huis, vele glazen van der eischers huis en druivesast zijn gebroken , de loodbedekkingen van hun dak zijn geschonden en vele houtwerken vernield, geschonden en doorgezaagd zijn; en

5. dat die oostelijke muur van het vooruitspringend gedeelte van des eischers erf, vóór de vertimmering van gedaagdes h",:s, der eischers druivenkast geheel vrij liet en nu boven die druivenkast is opgemetseld;

concluderende alzoo de eischers, dat de Regtbank hen gelieve toe te laten die feiten door getuigen te bewijzen, mitsdien plaats en tijd te bepalen waarop dat getuigenverhoor zal plaats hebben, met reserve van kosten ad fleem litis, doch met veroordeeling van ged. in de kosten, indien hij dezen eisch mogt tegenspreken, op die tegenspraak alsdan zullende vallen ;

0., dat voor den ged., in antwoord op deze incidentele vordering van eischers , is aangevoerd in substantie, dat de gestelde feiten, deels, zelfs zoo zij volkomen bewezen mogten kunnen worden, hoegenaamd niets tot de beslissing der zaak zouden kunnen afdoen , en

anderdeels, zoo weinig in verband staan met de posita van den eisch,

dat zij in geen geval, ook bewezen zijnde, de toewijzing der ingestelde vordering noodzakelijk of zelfs mogelijk zouden kunnen maken; dat de gestelde feiten mitsdieu niet zijn ter zake dienende en afdoende en zelfs, indien zij volkomen bewezen werden, den ingestelden eisch niet zouden wettigen;

concluderende alzoo de ged., dat het der Regtbank moge behagen, aan eischers hun gedaan verzoek tot het doen hooren van getuigen, over de in hunne conclusie vervatte daadzaken, te ontzeggen, immers en in allen gevalle hen daarin niet-ontvankelijk te verklaren, met veroordeeiing van eischers in de kosten op dit incident gevallen;

O., dat partijen vervolgens , ten opzigte van de onderwerpelijke incidentele vordering van eischers tot het doen hooren van getuigen, de zaak over en weder hebben bepleit, en ten slotte uitspraak verzocht op de stukken;

Wat het regt betreft:

0., dat in regten behoort te worden onderzocht, of de eischers kunnen worden toegelaten tot het bewijs door getuigen van de boven omschrevene daadzaken;

0., wat betreft de daadzaken 1 en 2, dat, al moge ten processe voldoende blijken, dat er vóór de afbreking van het huis van ged., tusschen der partijen behuizingen eeaig verband heeft bestaan, welk verband aisnu is verbroken, in ieder geval die daadzaken niet zijn ter zake dienende en afdoende, zoolang niet is bewezen, wat zelfs niet eens is geposeerd, dat de eischers regt hebben op het voortdurend ongeschonden bestaan van dat verband;

0., dat de eischers wel hebben beweerd, dat der partijen behuizingen voorheen aan denzelfden eigenaar zouden hebben toebehoord, en dat het verband zou bestaan krachtens destination de père de familie, doch dat, al aangenomen , wat althans voor alsnog regtens niet is bewezen , daar de acte, waaruit dit blijkt, niet iegaliter is iu het geding gebragt, dat de bedoelde woningen voorheen inderdaad in eéne hand zijn geweest, ook dan nog het bewijs ontbreekt, dat de voormalige eigenaar de tegenwoordig vau elkander gescheiden woningen in zoodanig eenen toestand gesteld heeft, dat daaruit eene voortdurende en zigtbare erfdienstbaarheid is ontstaan;

0., dat zoodanige bedoeling van den voormaligen eigenaar te minder kan worden aangenomen, omdat do deskundigen onder anderen hebben verklaard , dat de thans nog bestaande rookleiding van eischers op zich zelf als eene zelfstandige rookleiding kan worden aangemerkt, dat de bsdoelde schoorsteen van eischers onaangetast is gelaten, dat de zuidelijke gevel van eischers huis, door de wegbreking van gedaagdes huis, zijn steun , hoewel eenigermate verzwakt, niet heeft verloren , terwijl ook het dak van eischers niet in gevaarlijken toestand verkeert;

0., dat de daadzaak 3 evenmin is ter zake dienende en afdoende, daar niet is bewezen, zelfs niet geposeerd, dat de eischers uit eenigen, veelmin uit welken hoofde, regt hebben op den daarin bedoelden oostelijken en zuidelijken muur gebouwen en getimmerten te doen steunen ;

0., dat bij pleidooi de vraag, of genoemde muren alleen aan den ged. behooren , dan of zij mandeelig zijn, wel door partijen is besproken en in verschillenden zin beantwoord, doch dat, daargelaten nog, dat de eischer bij dagvaarding alleen de mandeeligheid van den oostelijken muur en niet ook die van den zuidelijken muur hebben geposeerd, zelfs wanneer de mandeeligheid van beide muren vaststond, het bewijs dezer daadzaak niet zou kunnen worden toegelaten;

U., dat immers de mandeeligheid van een muur niet regtvaardigt het daarop steunen van gebouwen en getimmerten, vermits, krachtens uitdrukkelijke wetsbepaling, geen der mede-eigenaars tegen den gemeenen muur eenig werk mag doen steunen zonder toestemming van den anderen en in casu niet is bewezen, zelfs niet is beweerd, dat die toestemming is gegoven;

0., dat het bewijs der daadzaak 4 mede niet kan worden toegelaten, daar niet is bewezen, zelfs niet beweerd, dat de ged. uit eenigen, veelmin uit welken hoofde, voor de in deze daadzaak vermelde destructiën verantwoordelijk moet worden gesteld;

0., dat dit te meer noodzakelijk was, daar de ged. heeft beweerd, wat voorzeker a priori niet onaannemelijk is en dan ook door de eischers zelfs bij pleidooi niet is betwijfeld, dat de afbreking en vertimmering zijner behuizing is geschied onder directie van een aannemer , en in dit geval zeer zeker niet de ged., maar de aannemer verantwoordelijk zou zijn voor de daden van degenen, die hij in het werk heeft gesteld, ten ware bewezen mogt zijn, wat in deze daadzaak niet is geposeerd, dat de ged. de bedoelde vernielingen in persoon mogt hebben gepleegd of door een ander doen plegen ;

0., dat het bewijs dezer daadzaak ook niet admissibel kan worden door de omstandigheid, dat de ged. bij conclusie van antwoord zich bereid heeft verklaard om de schade, zoo zij werkelijk geleden mogt' zijn, ten volle te vergoeden, daar de eischers dit aanbod niet hebben aangenomen en de ged. gevolgelijk volkomen bevoegd bleef zijn aan. bod, zoolang het niet was aangenomen, in te trekken, gelijk hij bij incidentele conclusie van antwoord impiicite heeft gedaan, zoodat niet behoeft te worden onderzocht of ged. tot dit aanbod niet kennelijk werd geleid door de gedachte, dat met de vergoeding dezer schade alle verschillen tusschen partijen zouden zijn geterroineerd;

0., dat ten slotte ook de daadzaak 5 niet is ter zake dienende en afdoende, daar niet is bewezen, zelfs niet geposeerd, dat de eischers uit eenigen, veelmin uit welken hoofde regt hebben den ged. te verpligten hunne druivenkast geheel vrij te laten en den in deze daadzaak bedoelden muur niet boven die druivenkast op te metselen;

0., dat de noodzakelijkheid, althans van zoodanig positum, voldoende uitkomt bij de bedenking, dat, wanneer de oostelijke muur, zoo als eischers beweren , mandeelig was, de ged. allezins bevoegd was den gemeeneu scheidsmuur, met in-acht-neming der bepalingen van de wet, hooger te doen optrekken, terwijl, wanneer die muur, zoo als ged. volhoudt, alléén aan hem in eigendom toekomt, hij voorzeker bevoegd was den muur zoo hoog op te metselen als hem goeddacht, ten ware de verbooging van dien muur ten behoeve van een ander erf verboden mogt zijn;

0., dat uit het overwogene volgt, dat het aangeboden bewijs, als niet ter zake dienende en afdoende, niet mag worden toegelaten;

Gezien de artt. 685, 689, 728, 747 en 1649 B. W., 56, 199 en volg. B. R.;

Regt doende enz.,

Ontzegt den eischers hun verzoek tot het doen hooren van getuigen over de gestelde daadzaken , en

Veroordeelt hen in de kosten, op dit incident gevallen.

(Gepleit voor de eischers Mr. S. M. S. Modderman, en voor den gedaagde Mr. A. W. RomkeS.)

HOOGE RAAD. — Hamer van Strafzaken.

Zitting van Dingsdag, 31 Maart.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

Behandeld het beroep van:

1». G. Groote en G. Woudman, zich ook genoemd hebbende A. Wolter, tegen een arrest van het Hof in Gelderland. Rapp., raadsh. Schuurman. Gepleit Mr. J. van Gigch. Conclusie bepaald op 7 April.

2o. den minister van Einantiën, tegen een vonnis der Regtbank te Appingedam, in zake H. W. Veldman. Rapp., raadsh. Gertsen. Gepleit: voor den requirant de rijks-advokaat Mr. J. G. Rochussen, en voor den gerequireerde Mr. B. M. Vlielander Hein. Conclusie bepaald op 7 April.

NB. Woensdag is er geene zitting gehouden.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Z. M. besluit van den 28 Maart 11., n°. 19, is aan J. H. £• Gulikers, op zijn daartoe gedaan verzoek, eervol ontslag verleend als notaris te Kerkrade.

— Bij Z. M. besluit van dezelfde dagteekening, no. 21, is, met ingang van 15 April aanst., benoemd tot griffier bij het Kantongeregt te Doesburg, Mr. L. H. D. de Vos tot Nederveen-Cappel, thans griffier bij het Kantongeregt te Enkhuizen.

— De minister van Binnenlandsche Zaken, overwegende, dat, ten gevolge van het overlijden van Dr. R. Westerhoff, de verkiezing van een lid van de Tweede Kamer der Stateu-Generaal in het hoofdkiesdistrict Appingedam moet plaats hebben, — heeft goedgevonden te bepalen : lo. dat die verkiezing in gemeld hoofd-kiesdistrict z»' geschieden op Dingsdag, 21 April e. k.; en 2°. dat eene herstemming , indien noodig, zal plaats hebben op Dingsdag, 5 Mei e. k.

— Door de Arrond.-Regtbank te Leiden is, ter vervulling van de openstaande betrekking van kantonregter te Alphen, de volgende lijst van aanbeveling opgemaakt; 1°. Mr. J. G. Vogel, advokaat bij den Hoogen Raad der Nederlanden; 2°. Mr. A. C. C. Folkersm» > kantonregter te Hindeloopen; 3°. Mr. A. L. van Cattenburch, griffier bij het Kantongeregt te Alphen.

BERIGTEN.

's Gravenhage, den 1 April.

België. — De Kamer van Vertegenwoordigers heeft de wet op de preventieve gevangenschap (zie Weekbl. n°. 3690) bij eene tweede lezing aangenomen. Men heeft daarin alleen eene geringe wijziging van redactie gebragt, en voorts een nieuw artikel opgenomen, houdende, dat de wet niet toepasselijk zal zijn in zake van belastingen en douane.

Duitschland. — Het wetsvoorstel der afgevaardigden Hinschius en Volk, tot invoering van het verpligte burgerlijk huwelijk in bet geheele Duitsche Rijk, is den 28 Maart jl., door den Rijksdag bij derde lezing met eene groote meerderheid aangenomen.

ADVERTENTIEN.

Bij GEBR. BELINEANTE, te Rage, ziet het licht:

THEMIS,

REGTSK.UNDIG TIJDSCHRIFT ,

onder redactie van

Mr. Dav. H. Levyssohn Nouman, Mr. A. de Pinto, Mr. Gusb. M. van der Linden , Jhr. Mr, J. de Witte van Cittebs en Mr. J. Kappeyne van de Copfello.

XXXIVste DEEL. — Derde Verzam. — 4de .Taarg.

N°. 1. — Maart 1SM.

Inhoud:

STELLIG REGT (NEDERLANDSCH).

Burgerlijk regt en Regtsvordering. — De artikelen 501 en 502 van het Burgerlijk '' etboelc, in verband met den invloed der krankzinnigheid op de bekwaamheid om te handelen, door Mr. W. ^ • Frijlinck, Advokaat te Lith.

De leer van het verstek volgens de artikelen 76 en 77 van het Wetboek van Burgerlijke Rtgtsvordering, door Mr. D. Bingep. , Advokaat te Amsterdam.

Koophandelsregt. — Buitenlandse/ie en Binnenlandsche Scheepvaart — Zee- en binnenschepen. — Artt. 748 en 749 W. v. K., door Mi'. J. G. A. Eaber, Advokaat te Amsterdam,

liOKKBEOORDEELINGEN EN VERSLAGEN.

Nederlandsche literatüdr.

De liegtspraak van den Hoogen Raad, door Mr. D. Léon, Tweede deel, 2e en 3e aflevering, 3e eu 4e gedeelte. Burgerlijk Wetboek, boek III en IV. Tweede druk; herzien en bijgewerkt do°r Mr. C. Asser, 's Hage 1873 ; —door Mr, Dav. H. LevysoU" Norjian , Advokaat te 's Gravenhage.

Nederlandsche Pasicrisie, door Mr. Eugène van Oppen , Procureui en Regter-plaatsvervanger, en Mr. L. van Oppen , Advokaat en plaatsvervangend Kantonregter, beiden te Maastricht; Gulpen 1®' —1874; — door Mr. A. P. Th. Eyssell, Advokaat te 's Gravenhage-

Internationale Arbitrage. — Uit het Italiaansch, met een voorwooi ' van J. P. Bredids, lid van de Tweede Kamer der Stat.-Gen. • Dordrecht 1874; — door Mr. J. A. Jolles, lid v. d. Hoogs" Raad der Nederlanden.

Academische literatuur.

W. M. Reepmaker , — Over de verbindbaarheid der chertepartij «oor den cognoscementhouderLeiden 1873;—door Mr. J. G. Kist, 1' van den Hoogen Raad der Nederlanden.

BERIGTEN VAN GEMENGDEN AARD.

Ontwerp van wet tot afzonderlijke opsluiting der gevangenen enz.

REGTSGELEKRDE BIBLIOGRAPHIË.

Snelpersdruk en Uitgave van eüBB«EI»l,'Ws BBUMfe'lLXTK^ te '« «ravenliage.

Sluiten