Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

oordeeling van den ged. tot erkenning of ontkenning zon zijn frustratoir en eisehers alzoo in die incidentele vordering zijn niet-ontvankelijk ;

O. dat, ofschoon dit incident afzonderlijk afgescheiden van de hoofdzaak had behooren te zijn behandeld en beslist, de Regtbank , nu partijen zelve bij hunne pleidooijen de zaak mede volledig ten principale hebben bepleit, geen reden heeft om ook thans niet op de hoofdzaak te beslissen en regt te doen;

O. dienaangaande, dat, vooreerst, een punt van onderzoek behoort uit te maken de vraag, of de eisehers zijn ontvankelijk in hunnen vooropgestelden eisch tot veroordeeling van den ged. tot erkenning z\jner handteekening, staande onder meergemelde onderhandsche acte;

O., dat deze vordering, in de eerste plaats, op het tijdstip, waarop zij wordt ingesteld, noch door gedaagdes judiciële houding, noch door de feiten, werd geregtvaardigd en op dal oogenblik daarvoor niet de minste aanleiding bestond, omdat ged. zich nog niet had uitgelaten over gemelde acte en zich daarover ook nog niet kon uitlaten, omdat die acte niet was in liet geding en het zelfs niet bleek , dat eisehers zich van dat stuk wilden bedienen, maar dat deze eisch ook is in strijd met de wet en daarenboven , zoo als hy is geformuleerd, voor toewijzing onvatbaar, daar toch, vooreerst, niemand tot een bepaald feit kan worden gedwongen, en er eerst dan aanleiding voor zoodanigen eisch zou bestaan, wanneer, nadat de gelibelleerde acte in het geding was gebragt, eisehers hadden verklaard zich daarvan te willen bedienen , maar dan niet in den vorm, zoo als hij is geformuleerd, maar tot erkenning of ontkenning, met eisch, dat, bij gebreke daaraan te voldoen , de handteekening voor erkend zou worden gehouden;

O., dat deze vooropgestelde vordering alzoo niet alleen is praematuur, maar ook in strijd met de wet en informeel, waarom ook hierin eisehers niet-ontvankeiyk behooren te worden verklaard ;

O., dat de ged. den eisch tot ontruiming zelf heeft bestreden, vooreerst op grond, dat de vennootschap, waarin hij met een beroep op de onderhandsche acte van 1 Nov. 1871 beweert mede-vennoot te zijn, en door welk beroep hij dus rebus ipsis et factis die acte erkent , zonder zijne medewerking niet kan worden ontbonden en dus nog bestaat;

O. evenwel, dat dit middel van tegenspraak wordt weêrsproken door den inhoud der acte zelve, waarin alleen de beide eisehers voorkomen als de eenige vennooten , waarin steeds wordt gesproken van de beide vennooten, en waarin het maatschappelijk kapitaal ook slechts door de beide vennooten wordt bijeengebragt en het verlies alleen door die beide vennooten wordt gedragen;

O., dat, wel is waar, in die acte, omdat daarin, te gelijk met het contract van vennootschap tusschen de vennooten opgerigt, mede is gesloten de tusschen eisehers en ged., als directeur, bestaande overeenkomst , ook worden omschreven de regten van den ged. en hoe uitgebreid die ook mogen zijn , zoo met het oog op een aandeel in de winst, als op de eventueel te verdeelen reservekas, die voordeelen den ged. evenwel niet worden toegekend als vennoot, maar als directeur , terwijl in die acte de positie van den directeur tegenover de vennooten duidelijk is omschreven en uit die omschrijving van de regten en pligten van den directeur genoegzaam de bedoeling valt op te maken van partijen, dat zij bij het oprigten der vennootschap den ged. niet als vennoot, maar als directeur hebben willen beschouwen, terwijl ook bovendien de omstandigheid, dat de ged. niet verpligt is tot het mededragen der verliezen, genoegzaam alle denkbeeld, om den directeur te beschouwen als mede-vennoot, uitsluit ;

O., dat de ged. verder de bevoegdheid der eisehers betwist, om hem. al kan hij ook niet als mede-vennoot worden aangemerkt,

zonder ontbinding der tusschen partijen bestaande overeenkomst te vragen, bij rauactie te verpligten tot délogement, welk middel eisehers pogen te weêrleggen, door er zich op te beroepen, dat de regtsverhouding van ged. tot hen is geene andere dan die van meester en werk- of dienstbode;

O. echter, dat de regtsbetrekking tusschen eisehers en ged., uit het tusschen deze partijen bij het oprigten der vennootschap mede gesloten contract geboren, waarbij de ged. zich verpligt als directeur te voeren de gestie der vennootschap, de vennooten in te wijden in alle tot het bedrijf behoorende geheimen, al zijn kennis, ijver, vlijt en tijd voor de vennootschap aan te wenden, zich te onthouden van eiken handel, hetzij voor zich zelf, hetzij in commissie, eenigzins maar tot het vak der vennootschap in betrekking staande, voor alle welke verpligtingen en onthouding de vennooten hem hunnerzijds de zoo groote bij de acte omschreven voordeelen toekennen, — ieder denkbeeld van een in casu bestaanden regtsband tusschen meester en dienstbode of werkman uitsluit;

O. immers, dat de wetgever bij de artt. 1637, 163Sen 1639 B.W., handelende over de huur van dienstboden en werklieden, en met het oog op de ondergeschiktheid dier personen tot hunne meesters, en in aanmerking genomen de nederige en geringe diensten bij die afdeeling bedoeld, van het gemeene regt is afgeweken en, ter voorkoming van langdurige en voor de meesters lastige regtsgedingen, eene unilaterale verbreking eener wederzijdsche overeenkomst, in afwijking van het algemeen regtsbeginsel, dat geen contract door een der partijen willekeurig kan worden verbroken , heeft toegelaten , maar dan uit den dor 7.aak die bepalingen dan ook zijn van zeer strikte interpre¬

tatie en niet mogen worden uitgebreid, terwijl bovendien ook de uitdrukking «dienstboden en werklieden» niet gedoogt om den ged., wiens werkkring als directeur in de vorige overweging is omschreven te rangschikken onder gezegde klasse van dienstbaren;

O. nu, dat, volgens de tusschen partijen bestaande overeenkomst, de ged. als directeur was aangesteld voor den tijd van vijftien jaren, en hoezeer ook de eisehers, blijkens art. 5 der onderhandsche acte, op eene vroegere ontbinding der vennootschap waren bedacht geweest, in dit cas van tusschentijdsche ontbinding zij evenwel als verpligting hebben op zich genomen den ged., voor zijne teleurgestelde verwachting en het ophouden zijner functie als directeur, te betalen als vergoeding eene somma van ƒ 3000, en het tusschen partijen vaststaat, dat eisehers in het nakomen dezer verpligting zijn te kort geschoten;

0. dat al moge nu de vennootschap door de beide vennooten zijn ontbonden, waartoe zij zeer zeker bevoegd waren, en de eisehers al geen vennooten meer zijn, hierdoor, zonder dat zij bij die ontbinding hunne verpligtingen tegenover den ged. zijn nagekomen, het tusschen hen en den ged. als directeur gesloten contract niet ophoudt te bestaan , omdat de eisehers, door op te houden vennooten te zijn en zich zoo doende van die qualiteit te ontdoen, zich niet tevens van hunne civielregtelvj ke verpligtingen, bij het contract tegenover den directeur op zich genomen, kunnen ontheffen, maar dat deze verpligtingen hen, ook zonder dat zij meer vennooten zijn, blijven volgen, terwijl ook geen wederkeerig contract, waarin altijd de ontbindende voorwaarde verondersteld wordt plaats te grijpen, indien een der partijen niet aan hare verpligting voldoet, hoezeer ook de oorzaak tot het voortbestaan moge hebben opgehouden, zonder regterlijke uitspraak van regtswege is ontbonden;

0. bovendien, dat uit het niet twijfelachtig zijn van het bestaan van het geval, voorzien bij art. 5 der acte, en van het bestaan der verpligting aan zijde der eisehers tot betaling van misschien f 3000 aan den ged., zeer zeker volgt het nog voortbestaan van het tusschen partijen gesloten contract, omdat toen de bevoegdheid van den ged., om de eisehers tot de vervulling dezer verpligting in regten te noodzaken, voortvloeit uit en zich moet gronden op die overeenkomst en by het niet meer bestaan van dit contract, ook deze bevoegdheid voor den ged. zoude zyn verloren gegaan ;

0., dat eisehers alzoo, door b(j rauactie de ontruiming te vorderen , mede in hunne hoofdvordering zijn niet-ontvankelijk;

O., dat ten laatste eisehers nog hebben beweerd, dat bij een vroeger door deze Regtbank tusschen dezelfde partijen gewezen vonnis, zelf was uitgemaakt, dat de ged. had opgehouden directeur te zijn, en zich op het gezag van dit vonnis, hetwelk inmiddels in kracht van gewijsde is gegaan, hebben beroepen;

0. echter, dat om het gezag van een regterlijk gewijsde te kunnen inroepen wordt vereischt, dat de zaak, welke gevorderd wordt, dezelfde zij , en dat zulks in casu niet het geval is, omdat thans wordt gevraagd de ontruiming door den ged. van de woning en erf, terwijl in het vroegere geding werd gevorderd de benoeming van een scheidsman, en ook dit beroep den eisehers alzoo niet kan baten ;

Gezien de artt. 1 en 16 volg. W. K., 1655 volg., 1565 , 1637 , 1638, 1639, 1302, 1303, 1911 volg. en 1954 B. W., art. 56 B. R.;

Regt doende enz.,

Verklaart de eisehers niet-ontvankelijk in hunne bij sommatie ingestelde incidentele vordering tot erkenning of ontkenning door ged. van de handteekening, geplaatst onder de onderhandsche acte dd. 1 Nov. 1871 , met daaraan verbonden clausule;

Verklaart de eisehers mede niet-ontvankelijk in hunnen bij dagvaarding vooropgestelden eisch tot veroordeeling van den ged. tot erkenning zijner handteekening onder gemelde acte voorkomende, en

Verklaart ten laatste die eisehers niet-ontvankelijk in hunne tegen den ged. ingestelde vordering tot ontruiming der woning en gronden, bij dagvaarding met wijderen eiseh omschreven;

Veroordeelt die eisehers in de kosten van het geding.

HOOGE RAAD. — Hamer van Strafzaken.

Zitting van Maandag, 27 April. Voorzitter, Mr, J. D. W. Pape. I. Uitspraak iredaan in zake:

1°. den ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te Axel, tegen beschikkingen in zake Masselier en J. Verschueren. De beschikkingen vernietigd en de magtigingen van den ambtenaar van het Openb. Min. geldig verklaard.

2°. den minister van Finantiën, tegen een vonnis der Regtbank te Appingedam, in zake H. W. Veldman. Het vonnis vernietigd en de zaak verwezen naar het Hof in Groningen.

3°. G. Groote c. s., tegen een arrest van het Hof in Gelderland. Verworpen.

4°. J. C. Verbruggen , tegen een arrest van het Hof in Noordbrabant. Het arrest vernietigd en de zaak verwezen naar het Hof in Gelderland.

50. W. Biesterbosch , tegen een arrest van het Hof in Overijssel. Het arrest vernietigd, voor zooveel de opgelegde subsidiaire gevangenisstraf betreft, zijnde niet bevolen dat deze straf, even als de hoofdstraf, zal worden ondergaan in eenzame opslui¬

ting , en den req. alsnog eenzame subsidiaire gevangenisstraf opgelegd.

H. Behandeld het beroep van:

1°. L. van der Mey, tegen een vonnis der Regtbank te Haarlem. Rapp., raadsh. Jolles. Gepleit Mr. B. M. Vlielander Hein. Conclusie bepaald op 4 Mei.

2°. den proc.-gen. bij het Hof in Drenthe, tegen een arrest in zake L. Winters en J. Mepschen. Rapp., raadsh. Heemskerk. Adv.-gen. Polis concludeert tot verwerping. Uitspraak 18 Mei.

BENOEMINGEN, VERKIEZINGEN ENZ.

Bij Z. M. besluit van den 23 dezer, n°. 12, is benoemd tot griffier der Arrond.-Regtbank te Breda, Mr. A. Reigersman , thans subst.griffier bij die Regtbank.

BERIGTEN.

's Gravenhage , den 27 April.

Frankrijk heeft eene vrouw verloren , wier leven, even als dat van den onlangs overleden de Metz , stichter van Mettray, gewijd was aan het teregtbrengen en opleiden van verwaarloosde kinderen. Mevrouw Lechevalier — dit is de hooggeschatte vrouw, die, in 72-jarigen ouderdom, overleden is in de door haar, ter bereiking van het bovengenoemde oogmerk, opgerigte en bestuurde inrigting in het vermaarde voormalige Carmeliterklooster, waarin de Hertogin de Lavallière den sluijer aannam — trok zich reeds sedert een aantal jaren het lot aan van jeugdige vrouwelijke veroordeelden. Zij had een ruim aandeel in de oprigting van het Genootschap voor verwaarloosde meisjes, waarvan men het denkbeeld aan mevrouw de Lamartine te danken heeft gehad. In 1844 werd zij tot inspectrice der strafgestichten voor vrouwen benoemd , eene voor haar gecreëerde betrekking , waarin zij veelzijdig nut stichtte. In 1848 werd haar van Regeringswege de taak opgedragen, lokalen voor vrouwen uit den arbeidenden stand in te rigten, waar zij arbeid en verdienste konden vinden. Eenige jaren later werd onder bare leiding de inrigting voor ontslagen jeugdige vrouwelijke veroordeelden opgerigt, waarin zij thans is overleden. Zij bepaalde zich echter niet bij het bestuur van dit nuttige gesticht, maar strekte hare zorgen ook uit tot de Parijsche godshuizen van allerlei aard, tot die voor bedaagden zoowel als tot die voor weezen en andere kinderen. »De naam van mevr. Lechevalier — zegt het Journal Officiel aan het slot van het artikel, dat dit orgaan aan het overlijden van deze weldoenster wijdt — zal voortaan genoemd kunnen worden naast die van Fry, Nightingale, Meredith, Lamartine en van zoovele andere edele vrouwen, die het niet beneden zich achtten om verdoolden en ongelukkigen, die over het algemeen geheel andere gevoelens dan meêwarigheid opwekken, tot in do allerlaagste sferen der maatschappij te gaan opzoeken en teregt te brengen.»

— Men schrijft uit Suriname, 2 April:

De Koloniale Staten hebben een adres van gelukwensching aan Z. M. dén Koning aangenomen , bij gelegenheid van het aanstaande Krooningsfeest.

De proc.-gen. Mr. R. Twiss heeft, uit hoofde van zijn ophanden vertrek naar Nederland, gister afscheid genomen van het corps maréchaussee en dat der inlandsche politie-beambten.

Mr. W. A. van Emden is gequalifieeerd om tijdelijk als auditeurmilitair te fungeren.

Ned.-IndiS. — Het aantal strafzaken neemt van jaar tot jaar in Nederlandsch-Indië toe. Van waar dit verschijnsel?

Ten bewijze hiervan vestige men, zegt het Indisch Weekblad 0. h.

Regt, het oog op onderstaande opgave der door het Hoog Militair Geregtshof in de laatste jaren behandelde militaire straf-processen. In tien jaren is het aantal daarvan verdubbeld.

Door het Hoog Militair Geregtshof van Ned.-Itidië zijn behandeld:

Jaar.

Arresten.

Sententiën.

Door de hoofd. v. gewest, bestuur.

Door den krijgsr. te velde.

Totaal.

1864 188 119 92 37 436

1865 135 152 109 14 410

1866 224 253 107 69 653

1867 262 325 47 5 639

1868 240 232 — — 472

1869 264 236 — — 500

1870 287 343 — — 630 Hieronder 104

reclame zaken.

1871 331 452 — — 783 131

1872 391 450 — — 841 153

1873 431 464 — — 895 210

Frankrijk. — De Staatsraad houdt zich bezig met het opstellen van eene wetsvoordragt betreffende de faillissementen. Zoo men weet hebben sedert lang vele kamers van koophandel den wensch uitgedrukt tot het wijzigen van de bestaande wet op de faillieten, wier gebreken algemeen worden erkend.

REGTSGELEERDE UITGA YEN.

FRANSCHE LITERATUUR.

Bedarride, J., Commentaire de la Loi du 14 Juin 1865 sur les Chèques, 1 vol. in 81*. Paris, A. Durand et Pedone-Lauriel.

Corunlier, E. db, Du droit de tester, 3e éd., 453 p. Orléans , Herhüson.

De la Collatio en dr. rom. et du Rapport en dr. frani;. Thèse, par J. E. Vraine. In 80., 168 p. Paris, Pichon.

Delmas, Ch., Du mariage et du contrat de mariage. In 8°., 129 pAlbi, Desbue.

L'Usure, sa définition, par Ch. Marin-Oorbel, 1 vol. Paris, A. Eudes.

ADYERTENTIEN.

Bij GEBR.BELINFANTE, te 's Hage, ziet het licht:

THEMIS,

HEGTSK.UNDIG TIJDSCHRIFT »

onder redactie van

Mr. Dav. h. Levyssohn Nobman, Mr. a. de Pinto , Mr. Gijsb. m. van der Linden , Jhr. Mr. j. de Witte van Cittebs en Mr. j. Kappeyne van de Coppello.

XXXIVste deel. — Derde Verzam. — 4de Jaarg.

n°. 1. — maart 1874i.

Inhodd:

stellig regt (nederlandsch).

Burgerlijk beqt en Regtsvordering. — De artikelen 501 502 van het Burgerlijk 'A'etboek, in verband met den invloed der krankzinnigheid op de bekwaamheid om te handelen, door Mr. W. Frijlinck, Advokaat te Lith.

De leer van het verstek volgens de artikelen 76 en 7 7 van hel Wetboek van Burgerlijke Regtsvordering, door Mr. d. Binger , Advoka®' te Amsterdam.

Koophandelsregt. — Buitenlandsche en Binnenlandsche Scheepvaart. — Zee- en binnenschepen. — Artt. 748 en 749 W. v. K., door mr. j. g. a. Fabeb, Advokaat te Amsterdam,

liOEKBEOORDEELINGEN en verslagen.

Nederlandsche literatuur.

De Regtspraak van den Hoogen Raad, door Mr. d. Léon, Tweede deel, 2e en 3e aflevering, 3e en 4e gedeelte. Burgerlijk wetboek, boek iii en iv. Tweede druk, harzien en bijgewerkt door Mr. C. Asser , 's Hage 1873 ; —door Mr. 1)av. h. Levysob n Norman , Advokaat te 's Gravenhage.

Nederlandsche Pasicrisie, door Mr. Eugènk van Oppen , Procureur en Hegter-plaatsvervanger, en Mr. l. van Oppen 1 Advokaat en plaatsvervangend Kantonregter , beiden te Maastricht; Gulpen 1 ' —1874; — door Mr. a. p. Th. Eyssell, Advokaat te 's Gravenhage-

Internationale Arbitrage. — Uit het Italiaansch, met een voorwoord van j. p. Bredids, lid van de Tweede Kamer der Stat.-Gen-, Dordrecht 1874; — door Mr. J- a. Jolles, lid' v. d. Hoogen Raad der Nederlanden.

Academische literatuur.

W. m. Reepmaker , — Over de verbindbaarheid der chertepartij voor den cognoscementhouder.- Leiden 1873;—door Mr. j. g. Kist, 1 van den Hoogen Raad der Nederlanden.

berigten van gemengden aard.

Ontwerp van wet tot afzonderlijke opsluiting der gevangenen enz.

REGTSGELELiRDE bibliographih.

Snelpersdruk en llitgare van eEllllOKW*'11'

HHHwipi.ih'B. *«• •» «ravenhase.

Sluiten