Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was onderworpen, maar bij regterlijk vonnis was beslist, ten gevolge waarvan de benoeming van arbiters heeft plaats gehad;

O., dat de arbiters zich dus hadden behooren te bepalen bij de beoordeeling van de aan hun oordeel onderworpen actie en, door dit niet te doen, hebben nagelaten uitspraak te doen over de punten, aan hun oordeel, ten gevolge van compromis, in casu het vonnis, onderworpen;

O., dat dus de app. teregt, op grond van hetgeen bepaald is bij art. 649, 1ste lid en n°. 1 en 6, B. R., de beslissing van arbiters als nietig heeft bestreden;

dat mitsdien het vonnis a quo behoort te worden vernietigd en den app. zijn ter eerster instantie gedane eisch en genomene conclusie alsnog behooren te worden toegewezen;

Gezien, behalve de reeds aangehaalde artikelen, art. 56 B. II.;

Vernietigt het vonnis, door de Arrond.-Regtbank te Amsterdam (eerste kamer) op den 29 April 1873 in zake van den app. als opp. (eischer) en den geïnt. als geopp. (ged.) gewezen; en, op nieuw regt doende,

Verklaart nietig de beslissing van de heeren Mrs. A. J. Hovr en P. A. Bregmans , advokaten, en J. E. M. Stroobant , meubelmaker, allen wonende te Amsterdam, als scheidslieden op den 5 Sept. 1872 tusschen partijen gewezen , en bij beschikking van den heer president der Arrond.-Regtbank te Amsterdam in dato 24 Sept. 1872 (waartegen verzet) uitvoerbaar verklaard;

Benoemt, voor het geval, dat partijen niet omtrent eene andere keuze mogten overeenkomen , de heeren Mrs. E. N. Rahusen , J, van S. Melder en P. Pet, advokaten te dezer stede, tot scheidslieden, om, met in-acht-neming van dit arrest, op den voet van art. 11 der overeenkomst van 1 Oct. 1867, de tusschen partyen hangende geschillen, bij het vonnis der Regtbank te Amsterdam, op 16 Oct. 1871 tusschen partijen gewezen, omschreven, te beslissen en regt te doen op de door den app. in te stellen vordering tot ontbinding der vennootschap Siem en Comp., bij de voormelde acte, tusschen partijen aangegaan, op grond van wanpraestatie van den geïnt., met veroordeeling van dezen tot vergoeding van schaden, kosten en interessen , door den app. verder geleden of nog te lijden , en dien ten gevolge tot liquidatie der vennootschap en deeling van het batig slot;

Verklaart dit arrest voorloopig uitvoerbaar, mits de app. zekerheid stelle , welke zekerheid zal moeten worden gesteld binnen acht dagen na een eventueel beroep in cassatie en binnen acht dagen, nadat die zal zijn gesteld, zal moeten worden aangenomen of betwist;

Veroordeelt den geïnt., zoo in de kosten van het geding van scheidslieden , thans vernietigd, als in die van dit geding in beide instantiën.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN GRONINGEN. Burgerlijke banier.

Zitting van den 3 Maart 1874.

Voorzitter, Mr. G. W. H. Baron van Imhoff.

Koop en verkoop. — Levering. — Onsplitsbaar aveu. — Bedoeling van partijen omtrent de wijze van betaling. — Getuigenbewijs.

Is het aveu van partij, bestaande hierin, »dat wel was verkocht en geleverd, maar gelijktijdig betaald«, vatbaar om te worden gesplitstf — Neen.

Houden de slotwoorden van art. 1496 B. W. niet in een algemeen

voorschrift, maar zijn zij alleen betrekkelijk tot het speciale onderwerp van het artikel i — Ja.

[) het de bedoeling der partijen omtrent de wijze van betaling te bepalen, dat de helft van den koopprijs zou worden betaald te gelijk met de aanvaarding, de tweede helft eene maand daarna ? — Ja.

Moet de verkooper, die betaling van den koopprijs vordert, bewijzen, dat van zijne zijde aan het contract is voldaan ? — Ja.

Moet in art. 1933 B. W- het woord acte in den zin van handeling worden verstaan '? — Ja.

J. K. W., landbouwer, wonende te Bedum, voor zich en in hoedanigheid van vader en voogd over zijne minderjarige kinderen , appellant en incidenteel geïntimeerde, procureur Mr. B. Oohen , tegen

K. A. V., landbouwer, wonende te Zuidwolde, en verdere litis-consorten , geïntimeerden en incidenteel appellanten , procureur Mr. J. Lokman.

Het Hof enz.,

Gehoord de conclusiën en pleidooijen van partijen;

Gehoord de conclusie van den proc.-gen., daartoe strekkende, dal bet Hof verwerpe de exceptie van niet-ontvankelijkheid van het incidenteel appel; dat appel ongegrond verklare; het principaal appel gegrond verklare; het vonnis a guo vernietige en uitspraak doe overeenkomstig de conclusie va» den principalen app.; den incidenteel geïnt. verwijze in de kosten, door zijne exceptie veroorzaakt; de Principale geïntimeerden, incidenteel appellanten, in de overige kosten Va" het hooger beroep;

Overnemende de daadzaken, vervat in het vonnis, door de Arrond.Regtbank te Appingedani den 3 April 1873 gewezen en op de expeditie geregistreerd waarbij aan de eischers is toegestaan om door alle roidüelen regtens, speciaal ook door getuigen, te bewijzen , dat de s®opers de gekochte goederen, bij dagvaarding en koop-contract om. reven, hebben aanvaard of in levering ontvangen, met reserve der Ult®piaak over de kosten tot aan het eindvonnis;

overwegende, dat de ged., by geregistreerd exploit dd. 12 Mei 1873, n dit vonnis in hooger beroep is gekomen, voor zoover daarbij '' geïntimeerden is toegestaan de voorschrevene daadzaak ook door J u,gen te bewijzen; dat geïntimeerden bij hunne procureur-stelling leren^ hebben verklaard incidenteel van hetzelfde vonnis te appel-

rt'j6' v°or den principaal app. is geconcludeerd: dat het Prov. Gevoni selieve te verstaan, dat er verkeerd is gevounisd bij het dien '8' 1Vaarvan is appel en voor zoover daarvan is appel, en mitsVan ln z°over dat vonnis gelieve te vernietigen en, met verbetering t0e ,at vonnis, versta, dat de geïntimeerden niet kunnen worden leve tot llet bewijs door getuigen van de door hen te bewijzen

Offitre"8 ('Ur t}'j dagvaarding bedoelde goederen; met vrijlating üaar<lt> .. 'hi a"dere bewijsmiddelen bil te brengen, en het Hof overzulks

£qÜk I • v o

van |, rugwijze naar den eersten regter, om, met inachtneming Yerooid ^Ve8 u'tspraak, die verder te beregten en al te doen, met dat ee vai' geïntimeerden in de kosten van het hooger beroep; deeid • V°°r geïntimeerden en incidenteel appellanten is geconclu^rniet! 'let t'e" üove behage, het vonnis, waai van appel, te den ine T C" ' ^oende wat de eerste regter had behooren te doen, heggen KIUee' appellanten , zonder bun eenig verder bewijs op te Voor e'scl1 toe te wijzen, en mitsdien den incidenteel geïut.

«eiven en in zijne qualiteit te veroordeelen om aau de

incidenteel appellanten, tegen behoorlijke kwijting, te betalen de door dezen aan genen verschuldigde som van f 4000, immers ƒ2500 ten laste van hem zeiven en ƒ1500 ten laste van zijne minderjarige kinderen; met veroordeeling van hem, zoo voor zich zelf als qq., in de kosten van beide instantiën; voorts den incidenteel appellanten acte te verleenen van hun bij dagvaarding gedaan voorbehoud op alle zoodanige vorderingen , als zij als erfgenamen in den boedel van wijlen A. K. V. uit anderen hoofde tegen den ged. en principaal app. geldend kunnen maken en welke nog niet door scheiding en deeling tusschen partijen zijn vereffend; en subsidiair, dat het den Hova moge behagen, het vonnis a quo te bevestigen, met wijziging alleen van den dag en het uur voor het bevolen getuigenverhoor , met terugwijzing wijders der zaak naar den eersten regter en met veroordeeling van den principaal app. in de kosten van het hooger beroep;

dat hierna voor den incidenteel geïnt. is geconcludeerd: dat het Hof de incidenteel appellanten verklare niet-ontvankelijk en althans ongegrond in hun incidenteel appel en hen veroordeele in de kosten van het incidenteel appel;

waartegen door de incidenteel appellanten is geconcludeerd : dat het den Hoge moge behagen, het door incidenteel geïnt. opgeworpen middel van niet-ontvankeijkheid passerende, op het incidenteel appel regt te doen ingevolge de door incidenteel appellanten genomene conclusie;

0. in regten: dat, naar aanleiding van de dingtalen en van den geheelen inhoud van het vonnis a quo, in de uitspraak des eersten regters ligt opgesloten, dat de stelling der eischers, dat zij niet noodig hadden de levering te bewijzen , daar die èn door een aveu van de partij, èn door de productie van het koopcontract voor den ingestelden eisch tot betaling van den koopprijs voldoende was gestaafd, — door den regter is ongegrond bevonden, zonder dat daaromtrent eene uitdrukkelijke beslissing in het dictum van het vonnis voorkomt;

0., dat, daar het principaal appel beperkt is en alleen betreft de vraag over de toelaatbaarheid van het getuigenbewijs, der eischers belang medebrengt om door incidenteel appel de stellingen, door hen in eersten aanleg voorgedragen en die in het dictum van het vonnis stilzwijgend waren voorbijgegaan, maar inderdaad ten hunnen nadeele beslist waren, als zoovele regtsmiddelen bij den regter in hooger beroep weder aanhangig te maken; dat zij daarbij mogten gebruik maken van de ruime bevoegdheid, bij art. 339 B. R. gegeven, terwijl de partij niet is benadeeld door die handelwijze, die de zaak niet partieel, maar in haar geheel aan den regter in hooger beroep onderwerpt;

O., dat het incidenteel appel alzoo is ontvankelijk;

0., dat in de tweede plaats de vraag is , of het incidenteel appel is gegrond ?

O., dat de eischers, nu geïntimeerden en incidenteel appellanten , beweren , dat hun eisch voldoende bewezen was door het aveu van de partij, bestaande hierin: //dat wel was verkocht en geleverd, maar gelijktijdig betaald», en dat dit aveu zou mogen worden gesplitst;

O., dat dit geschilpunt in het nadeel van de incidenteel appellanten wordt beslist in het antwoord van de Regering op de vraag van eene der afdeelingen, luidende dat antwoord; //Het is regtens uitgemaakt, dat, naar den regel, geene bekentenis kan worden gesplitst. Het zoude b. v. onbillijk zijn, dat, wanneer iemand eene schuld erkent, doch daarbij voegt, dat hij die gekweten heeft, men in dat geval zich op zijne erkentenis met gevolg kon beroepen en in den wind slaan hetgeen hij tot ziine bevrijding had aangevoerd» (Voorddin , vijfde deel, p. 541);

O., dat eischers, incidenteel appellanten, vervolgens het aveu verwerpende , hebben beweerd, dat, doordien zij schriftelijk bewijs van den koop en verkoop hadden geleverd, door de productie van het koopcontract, waarin hunne vordering was gegrond , zij, volgens de bepalingen der wet, de betaling konden vorderen, zonder bewijs der levering bij te brengen of die aan te bieden;

O., dat art. 1496 B. W. wel eenige aanleiding tot die meening geeft; doeh dat bij eene naauwkeurige beschouwing van het artikel blijkt, dat de slotwoorden, waarop men zich beroept, niet inhouden een algemeen voorschrift, maar alleen betrekkelijk zijn tot het speciale onderwerp van het artikel; dat n. 1. dan, wanneer de koop bestaat in een zeker en bepaald voorwerp en de zaak buiten de schuld

of nalatigheid van den verkooper verloren gaat, dit verlies komt voor rekening van den kooper, hoezeer de zaak nog niet geleverd zii, en

in dat geval de verkooper, die nu niet in staat is te leveren, desniettemin de vordering tot betaling van den koopprijs blijft behouden;

O., dat de eischers wijders hebben beweerd , dat de tijd van betaling bij het contract tusschen partijen was bepaald; dat inderdaad het contract daarvan eene bepaling inhoudt; doch dat de woorden, die daarin voorkomen: »den dag der aanvaarding», de bedoeling van partijen doen uitkomen, die moet geweest zijn, dat de helft van den koopprijs zou worden betaald tegelijk met de aanvaarding, de tweede helft eene maand daarna;

O., dat art. 1550 B. W. het beginsel inhoudt, ook in het liomeinsch, oud-Hollandsch en Fransch regt aangenomen, dat, bij koop en verkoop , diegene der contracterende partijen , welke de andere tot nakoming van het contract wil noodzaken, met de vervulling aan hare zijde moet beginnen of die aanbieden ; dat dus de eischers en incidenteel appellanten, die betaling van den koopprijs vorderen, moeten bewijzen, dat van hunne zijde aan het coutract is voldaan ;

O., dat alzoo het incidenteel appel is ongegrond;

O., wat het principaal appel betreft, dat het hier de vraag geldt, of de geïntimeerden teregt bij het vonnis a quo zijn toegelaten om ook door getuigen te bewijzen, dat de koopers de gekochte goederen, bij dagvaarding en koopcontract omschreven, hebben aanvaard of in levering ontvangen;

O., dat in art. 1933 B. W., waarop de principaal app. zich beroept, het woord acte, even als in sommige andere artikelen van dit wetboek, moet worden verstaan in den zin van handeling; en dat het bij deze opvatting twijfelachtig is, of de levering van verkochte goederen, ter waarde van meer dan ƒ 300, valt onder het verbod dezer bepaling ;

0. echter, dat de geïntimeerden hebben beweerd, dat er geene, zoo als zij het uitdrukken , solemnele levering heeft plaats gehad, daar kooper en verkooper bij elkander en op de boerenplaats , waar de goederen zich bevonden, woonden; dat deze feitelijke toestand door den app. niet is tegengesproken en door de woorden van het koopcontract wordt bevestigd, daar dit niet van leveren of overgaan of in bezit stellen spreekt, maar van aanvaarden en in levering ontvangen , hetgeen niet doelt op handelingen, van den verkooper uitgegaan; dat de geïntimeerden alzoo, met het oog op dien feitelijken toestand, en overeenkomstig de bepaling van het contract, niet noodig zullen heb-

hfln Ha nvfirwnvp vnn hflfc vprlrin Hou niron oi-t R \\T

of eene handeling, door den verkooper verrigt, te bewijzen, maar het voldoende zal zijn, wanneer zij omstandigheden bewijzen, waaruit voortvloeit, dat de kooper het verkochte heeft aanvaard en het gekochte in bezit heeft;

O., dat het verbod van art. 1933 B. W., waarbij de bepaling van art. 1932 wordt uitgesloten, niet extensief moet worden uitgelegd en mitsdien op hetgeen geïntimeerden in casu aannemen te bewijzen, waartoe zij door den eersten regter zijn toegelaten , niet is toepasselijk ;

liezien art. 56 B. R.;

Verklaart de incidenteel appellanten ontvankelijk, maar ongegrond in het door hen ingesteld incidenteel appel;

Verklaart den principalen app. ongegrond in het door hem ingesteld hooger beroep;

Bevestigt het vonnis , door de Arrond.-Regtbank te Appingedam den 3 April 1873 tusschen partijen gewezen, met uitzondering vau de bepaling van dag en uur voor het bevolen getuigenverhoor ;

Wijst de zaak terug naar den eersten regter , om die verder te beregten en af te doen;

Veroordeelt den principaal app. in de kosten van het principaal hooger beroep, en de incidenteel appellanten in de kosten van het incidenteel appel.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANK TE MAASTRICHT. Burgerlijke kamer.

Zitting van den 21 Mei 1874.

Voorzitter, Mr. A. Gordon.

Gemeenschappelijke landbouw- en graanmolen-exploitatie.

Liquidatie. — Beweerde liqdidatedr. — Toepasselijk.

heid van de bepalingen , regelende de boedelscheiding. — Onsplitsbaarheid van de bekentenis.

Kan een mede-deelgenoot in eenen gemeenschappelijken onverdeelden boedel vóór deszelfs verdeeling eenig deel daarvan als zijn bijzonder eigendom opvorderen ? — Neen.

Moeten niet volgens art. 1872 Code Nap. even als volgens art. 1689 Burg. Wetb. de regelen omtrent de verdeeling der nalatenschappen , de wijze dier verdeeling en de verpligtingen , die daaruit tusschen de erfgenamen voortspruiten , ook toepasselijk zijn op de verdeeling tusschen vennooten f — Ja.

Is in casu van eenige verdeeling tusschen de vennooten gebleken f — Neen.

L. Tychon , A. Tychon en E. Tychon, allen landbouwers, wonende te Sippenaken (België), één belang hebbende, eischers, procureur Mr. J. Haex ,

tegen

C. Tychon , koopman , wonende te Gulpen, gedaagde, procureur J. L. Wetgers.

De Kegtbank enz.,

Gehoord de conclusiën van partijen, bij slotsom luidende 10. die van de eischers, van den 1 Mei 1873 : dat het der Regtbank behage, den ged. te veroordeelen om aan de eischers te betalen de voorschreven som van 3614 fr. en 11 ct. of Nederlandsch ƒ 1707.65, met de wettelijke interessen sedert den dag dezer dagvaarding, en met verwijzing in de kosten van het geding;

■ia. uie van uen gea., van ü juni) 1873:

dat het der Regtbank moge behagen , den ged. te verleenen acte, dat hij ged. gereed is overal, en op elk tijdstip, met alle belanghebbenden over te gaan tot verrekening van hunne en zijne respectieve daden van liquidatie der quaestieuse gemeenschap;

wijders regt doende op den ingestelden eisch , dezen te verklaren ongegrond, met veroordeeling van de eischers in de kosten; 3°. die van de eischers, vau den 29 Jan. 1874 : dat het der Regtbank behage, aan de eischers hunne vordering toe te wijzen, cum expensis,- des noods onder voorwaarde, dat zij zullen uitzweren een door de Regtbank op te leggen suppletoiren eed ; 4o. die van den ged., van den 19 Maart 1874 : zoo heeft de ondergeteekende procureur van den ged. de eer te persisteren bij zijne principale conclnsiën, cum expensis; zeer subortinaat en, voor het geval de Regtbank mogt van oordeel zijn, dat er eenige grond voor de bewering der eischers aanwezig is , namens den ged. aanbiedende de vorenstaande feiten door alle middelen van regten en zelfs door getuigen te bewijzen ;

5°. die van de eischers, van den 16 April 1874: dat het der Regtbank behage, passerende het door ged., subsidiair aangeboden bewijs, de vorige conclusiën der eischers toe te wijzen , cum expensis;

Gehoord de pleidooijen;

Overwegende, wat de daadzaken en de gevoerde procedure betreft dat de eischers den ged., bij exploit van den deurwaarder Cramer, te Gulpen, van den 21 April 187S, ten fine hunner in het hoofd dezes onder lo. overgeschreven conclusiën, voor deze Regtbank hebben doen dagvaarden , en zulks op grond:

dat zij eischers, met den ged., benevens met hun broeder N. Tychon, voor gemeenschappelijke rekening hebben geëxploiteerd eene pachthoeve en een molen, gelegen te Valdieu, gemeente Tubel, met den daartoe behoorenden handel in granen en meel;

dat in Ibbb deze exploitatie heeft opgehouden, en de ged. zich belast heeft met de liquidatie van het gemeenschappelijk goed;

dat volgens eene door hem gedane opgaaf de netto-opbrengst van het gemeenschappelijk goed heeft bedragen 40,014 fr., makende voor ieder der vijf belanghebbenden 8002 fr., 80 ct.;

dat de eischers op de hun toekomeude 20,008 fr., 40 ct., in goederen en speciën ontvangen hebben 20,394 fr., 29 ct., en derhalve de ged. hun nog schuldig is 3614 fr., 11 ct.;

dat hij herhaaldelijk , doch vergeefs, tot betaling dier som is aangemaand ;

dat de ged. bij zijne in het hoofd dezes onder 2°. overgeschrevene conclusie de vordering heeft tegengesproken, op grond :

dat hij moet protesteren tegen de posita der inleidende dagvaarding ; dat hij gaarne erkent de gemeenschappelijke exploitatie van pachthoeve en molen, maar ten stelligste betwist, eenige hoegenaamde lastgeving te hebben gekregen of aangenomen om het gemeenschappelijk goed alleen of meer dan zijne mede-deelgenooten te liquideren , gelijk hij eveneens betwist als liquidateur de netto-opbrengst te hebben opgegeven ;

dat de eischers het zich zeiven te wijten hebben, dat zij weigerachtig blijven gezamenlijk met alle regthebbenden het resultaat van hunne gemeenschappelijke en individuële liquidatie-operatiën vast te stellen ;

dat derhalve de vordering, gelijk zij is ingesteld , gegrond op een obligo, wat niet bestaat, moet worden afgewezen;

dat, bij vonnis dezer Regtbank van den 25 Sept. 187S , waarbij de uitspraak over de kosten is voorbehouden , de eischers op hnn verzoek zijn toegelaten om den ged. op de bij dat vonnis breeder omschreveue vraagpunten te doen hooren ;

dat het verhoor van den ged. daarop door den bij gezegd vonnis

daartoe gecommitteerden regter neett plaats genaa op den 15 Oct. 1873 , waarvan proces verbaal is opgemaakt;

dat daarna genomen zijo de overige in het hoofd dezes overgeschrevene conclusiën , waarbij is aangevoerd : door de eischers :

dat zij in het geding brengen : lo. ©en door ged. eigenhandig geschreven en onderteek end stuk, hQpdeud^ dc rekening, door hem ftftu

Sluiten