Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 24 Augustus 1874. N\ 5749.

WEEKBLAD VAN HET REGT.

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

ZES-EN-DMRTIG8TM JAARGANG.

M ET VERITAS.

JHt blad verschijnt des Maandags en Donderdags, en, om de veertien dagen ook des B'mgsdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 verhooging. — Prijs der advertentien, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., franco aan de Uitgevers. — Agenten voor Duitschland: Haasenstein en Yogier, te Hamburg. >

KOGGE BAAD DEJl iVEDEHLANDEN.

Hamer vim Strafzaken.

Zitting van den 29 Junij 1874.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

huidenzouterijen. huiden - en lederbereiderijen. maga-

zij.nen tan huiden, leder enz. — vergunning.

Kunnen huidenzouterijen worden begrepen onder de benaming van huiden- en lederbereiderijen, welke volgens het Kon. besluit van 31 Jan. 18'24 (Stbl. «o. 19) de vergunning behoeven van het Plaatselijk Bestuur f — Neen.

Is ook eene liuidenzouterij begrepen in de benaming magazijnen van huiden , leder enz.? — Neen.

Behoejt een huidenzouter in het algemeen de vergunning van het Plaatselijk Bestuur tot het hebben van een magazijn van huiden 1 — Niet beslist.

De proc.-gen. bij den Hoogen Raad, in het belang der wet, is req. van cassatie tegen een vonnis van de Arrond.-Regtbank te Amsterdam van den 19 Febr. 1874, waarbij is bevestigd in hooger beroep, jnet bepaling, dat de kosten in hooger beroep zullen komen ten laste van den Staat, een vonnis van den kantonregter in het eerste kanton to Amsterdam van den 20 Nov. 1873, bij hetwelk H. Duveen , ond zes-en-twintig jaren, van beroep koopman in huiden en vellen, geboren te Zwolle, wonende te Amsterdam , ter zake van het in een perceel, bij bem in gebruik, voorhanden hebben van onderscheidene partijen hniden , welke aldaar waren gezouten , zonder dat hij van bet Plaatselijk Bestuur vergunning had bekomen om aldaar eene huidenzouterij op te rigten , — is ontslagen van regtsvervolging, met veroordeeling van den Staat in de kosten.

Nadat te dezer zake door den raadsheer Heemskerk het verslag was uitgebragt, heeft de adv.-gen. Polis de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Heeren 1 Over de vraag, of huidenzouterijen kunnen worden opgerigt zonder vergunning van het administratief gezag, bestaat verschil van gevoelen. Bij vonnis van 19 Febr. jl. bevestigde de Arrond.-liegtbank te Amsterdam een vonnis van den regter in het eerste kanton aldaar, waarbij was beslist, dat huidenzouterijen niet zijn begrepen onder <le buiden- en lederbereiderijen, genoemd in art. 3 van het Kon. besluit van 31 Jan. 1824 {Stbl. n». 19). I)aarentegen zijn HH. Ged. Staten in Noordholland van oordeel, dat, vermits het zouten van huiden is een der eerste processen van bereiden , ook op huidenzouterijen de bepaling van art. 3 van meergemeld besluit toepasselijk is.

Het is wenschelijk voorgekomen het geschil aan de beslissing van den Hoogen Raad te onderwerpen. Van daar deze voorziening, in het belang der wet, tegen het vonnis, den 19 Febr. jl. door de Arrond.itegtbank te Amsterdam in zake tegen H. Duveen gewezen.

Als middel van cassatie meen ik te moeten voorstellen: schending van art. 3 van het Kon. besluit van 31 Jan. 1824 {Stbl. n". 19) en van art. 1 der wet van (i Maart 1818 {Stbl. n°. 12).

De Regtbank heeft zich geheel vereenigd met de door haar bevestigde uitspraak van den kantonregter, en dus ook met diens beslissing, dat het hebben van eene huidenzouterij zonder vergunning niet strafbaar is, omdat aan het woord «huidenbereiderij», in art. 3 van meergemeld Kon. besluit, de beteekenis moet worden gegeven van het bewerken van ruwe of nog niet afgewerkte huiden tot een bruik baren staat, en het bewaren van gezouten huiden of het zouten van versche huiden, om ze voor bederf te vrijwaren, niet is het bereiden of het bruikbaar maken van huiden. v

Men kan het betwijfelen, of het wel de bedoeling in het besluit van 1824 geweest is, het woord «huidenbereiderijen» in zoo bepaalden zin te bezigen , en of daarbij niet veeleer verboden is de daarstelling zonder vergunning van inrigtingen, waar huiden eenige bewerking ondergaan, om bet even of die bewerking strekt om de huiden te brengen in eenen bruikbaren staat, of in zoodanigen staat, dat zij kunnen bewaard en verder bewerkt worden.

De ratio legis zou zich tegen die opvatting niet verzetten. Dat zij ook is overeen te biengen met den zin, die door lieden van het vak "au het woord » huiden bereiderij» gegeven wordt, zou ik niet durven Verzekeren.

Ik heb de eer te concluderen tot vernietiging van het beklaagde "onnis, voor zooverre daarbij bevestigd is de beslissing van den eersten regter, dat het hebben eener huidenzouterij zonder vergunning van bet Plaatselijk Bestuur niet strafbaar is, zonder dat echter door het "rrest van den Hoogen Itead nadeel aan de regten van partijen zal "orden toegebragt; de kosten , op deze voorziening gevallen , te dragen door den Staat.

De Hooge Kaad enz.,

Gelet op het middel van cassatie, door den req. voorgesteld bij 'nonde van den adv.-gen. Polis , luidende :

schending van art. 3 van het Kon. besluit van den 31 Jan. 1824 '•Stbl. n". 19) en van art. 1 der wet van den 6 Maart 1818 (Stbl. 12);

Overwegende, dat in het in hooger beroep bevestigde vonnis van i kantonregter wettig en overtuigend bewezen is verklaard, dat op "en 19 Aug. 1873 in het voorste gedeelte der woning van den bekl., '*P de Lijnbaansgracht, drie partijen paarden-, kalfs- en varkenshuiden gezouten aanwezig zijn bevonden; en dat de bekl. geene '«■gunning van het Plaatselijk Bestuur van Amsterdam had bekomen in zyne woning eene huidenzouterij op te rigten;

O., dat noch bij art. 3 van het Kon. besluit van den 31 Jan. 1824 {Stbl. n°. 19), noch in eene andere bepaling van dat besluit of van de besluiten, tot aanvulling en uitbreiding daarvan strekkende, de benaming «huidenzouterijen» voorkomt; en dat dus te onderzoeken valt, of deze inrigtingen begrepen zijn onder de benamingen: «huidenen lederbereiderijen», of wel «magazijnen van huiden, leder enz.,» die wel in voormeld art. 3 worden genoemd, als behoevende de voorafgaande vergunning van het Plaatselijk Bestuur;

O. te dien aanzien, dat onder de woorden: «huiden- en lederbereiderijen» (in den officiëlen Franschen tekst: tanneries), naar het spraakgebruik, wel in algemeenen zin kunnen worden verstaan alle inrigtingen, in welke de huiden tot leder worden gelooid of bereid en het leder aan verschillende industriële doeleinden dienstbaar wordt gemaakt; maar dat die woorden niet worden gebruikt ter aanduidiog van werkplaatsen, waar huiden alleen worden gezouten, welk zouten ook geene bereiding, maar een middel is om bederf te weren;

O., dat de wetgeving ook bij onderscheidene geldende bepalingen onderscheid heeft gemaakt tusschen huidenzouterijen en huidenbereiderijen, als, met name in de eerste tabel, behoorende bij de wet omtrent het regt van patent, van den 21 Mei 1819 {Stbl. n°. 34), alwaar in de eerste afdeeling, sub n°. 16, worden genoemd: «leerlooijers, leertouwers, leder- en vellenbereiders» (in den Franschen tekst: tanneurs, corroyeurs, hongroyeurs, peaussiers habilleurs de peaux), en in de tweede afdeeling, sub n". 50: «huidenzouters» (in den Franschen tekst; saleurs de peaux); terwijl hetzelfde onderscheid te vinden is in het reglement wegens den vrijdom van den accijns op het zout, van den 10 Junij 1825 (Stbl. n°. 52), alwaar die vrijdom verleend wordt aan «huidenzouterijen, mits tevens met eene looijerij gepaard gaande» , en bet Kon. besluit van den 25 Nov. 1831 [Stbl. no. 33), waarbij diezelfde vrijdom wordt toegepast op het ruwe zout ten dienste der huidenzouterijen, met geene looijerij gepaard gaande;

0., dat bij gevolg huidenzouterijen niet kunnen worden begrepen onder de benaming van huiden- en lederbereiderijen, zonder hieraan eene uitbreidende uitlegging te geven, hetgeen zou strijden met den aard van het Kon. besluit van den 31 Jan. 1824, als zijnde eene verordening, op welker overtreding straf is bedreigd;

O., dat eene huidenzouterij evenmin begrepen is in de benaming: «magazijnen van buiden, leder enz.,» daar toch magazijnen van huiden kunnen bestaan, zonder dat er buiden worden gezouten, en omgekeerd de huiden kunnen gezouten worden in een ander lokaal dan dat, waarin zij bewaard worden;

O., dat wel bij de uitoefening van het beroep van huidenzouten kan voorkomen de aanwezigheid in de werkplaats van eene hoeveelheid huiden, en in casu feitelijk is beslist, dat in het iokaal, bij den bekl. in gebruik, drie partijen huiden (gezouten) aanwezig zijn bevonden; en hieruit de vraag kan voortvioeijen, of een huidenzouter in het algemeen , en de bekl. in het bijzonder, de vergunning van het Plaatselijk Bestuur behoeft tot het hebben van een magazijn van huiden;

O. echter, dat in het tegenwoordige regtsgeding deze vraag niet kan worden beslist, omdat, zoo als de kantonregter teregt heeft overwogen, de bekl. niet teiegtstond wegens het hebben van een magazijn van huiden, en de verklaring van den burgemeester (vermeld in de tweede overweging van het vonnis) geen gewag maakt van het al of niet hebben van vergunning voor een magazijn van huiden, zoodat de regter geene schuldigverklaring te dier zake zou hebben kunnen uitspreken;

0., dat dus de bekl. op goede gronden van regtsvervolging is ontslagen, en het e'énig rniddei van cassatie in bet belang der wet is ongegrond;

Verwerpt het beroep; de kosten , in cassatie gevallen te dragen door den Staat.

Zitting van den 29 Junij 1874.

Het geopend hebben van eene herberg op andere voor het publiek openstaande plaats op een tijd, bij de plaatselijke verordening verboden.

Is niet de beslissing van feitelijken aard, waarop in cassatie niet kan worden teruggekomen, dat de verhouding der in de herberg des beklaagden gevonden personen niet van 'dien aard was, dat zij als eene gesloten vereeniging kon worden beschouwd ? — Ja.

Kon de in deze gewraakte uitdrukking van feit wel anders worden opgevat dan als schuldig-verklaring aan hetgeen was ten laste gelegd, d. i. de feiten, in de dagvaarding omschreven 1 — Neen.

Is tegen het uitspreken van het vonnis acht dagen na het onderzoek ter teregtzitting nietigheid bedreigd ? — Neen.

J. Gernler, oud twee-en-veertig jaren, herbergier, volgens de dagvaarding,— volgens opgave ter teregtzitting, acht-en-dertig jaren oud, en societeithouder , — geboren te Middelburg, wonende te Koudekerke, is req. van cassatie tegen een vonnis van den kantonregter te Viissingen van den 14 April 18 74, waarbij hij is schuldig verklaard aan: 1°. het geopend zijn (hebben) van eene herberg of andere voor het publiek openstaande plaats in de gemeente Koudekerke, tusschen des avonds tien en des morgens vijf ure, zonder vergunning van den burgemeester dier gemeente; en 2». het houden van openbare muziek en danspartij in de gemeente Koudekerke, zonder speciale vergunning van het Gemeentebestuur; en, met toepassing van de artt. 21, 2b en 48 der verordening op de algemeene plaatselijke politie voor de gemeente Koudekerke, dd. 28 Dec. 1870 , en art. 1 der wet van den 22 ApriU864 (Stbl. n». 29^. i* v«-nnr.i0„M tu'iio iralrï -

boeten, elk van f 10. ieder boete hH niof.hofoUr.rr Ki*nn*»n wpaÏ

maanden, na daartoe te zijn aangemaand, te vervangen door eene; gevangenis-straf van drie dagen, en in de kosten van het regtsgeding,

ten Denoeve van aen Dtaat, te verhalen bij lijfsdwang.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Jolles , heeft de adv.-gen. Römek de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achtbare Heeren, President en Raden ! De voorziening in cassatie is gerigt tegen een vonnis van het Kantongeregt te Vlissingen, waarbij de req. is veroordeeld wegens het openhouden zijner herberg na bezetten tijd en het geven eener danspartij zonder vergunning. Dergelijke zaken zijn dikwijls bij den Raad behandeld; en de middelen van cassatie, bij de memorie voorgesteld , vorderen m. i. geene breedvoerige behandeling. Bij het eerste middel wordt geklaagd over schending van art. 10 der Grondwet en de artt. 1 en 13 d°er wet van 22 April 1855 (Stbl. n°. 32), en dien ten gevolge verkeerde toepassing van het politiereglement van Koudekerke.

Wanneer met dit middel mogt bedoeld zijn, dat door het politiereglement inbreuk is gemaakt op het regt van vereeniging , bij de Grondwet gewaarborgd, en bij de wet van 1855 geregeld,°dan acht ik het onnoodig in eene wederlegging van het middel te treden.

Ik acht het onnoodig de wettigheid van dergelijke bepalingeu te onderzoeken, vooral na het arrest van den Kaad van 7 Maart 1871 (Ned. Regtspr., d. 97, bl. 181, y. d. Hokert, Gem. Zak., d, 25, bl. 385 en 393). Voor het middel worden echter twee gronden opgegeven : vooreerst, dat de aangehaalde artikelen zijn geschonden door de beslissing, dat zekere wijze van introduceren in eene societeit het karakter van societeit te niet doet, zoodat deze ophoudt eene vereeniging te zijn, en als eene, voor het publiek openstaande, plaats moet worden beschouwd; en, ten andere, door de beslissing, dat het met alle begrip van eene societeit in strijd is, dat men verpligt wordt gelag te betalen.

Beide gronden bewijzen de beweerde schending der wetsbepalingen niet; en wel om deze eenvoudige reden , dat daarin het karakter van eene societeit niet wordt omschreven en de regter dus uit feitelijke omstandigheden moet opmaken, of de verhouding van het gezelschap, in het lokaal tegenwoordig, van dien aard is, dat de personen als leden eener gesloten vereeniging kunnen beschouwd worden, of dat het lokaal, onder den naam van societeit, echter voor het publiek toegankelijk is. De regter heeft de verdediging onderzocht, en de gronden opgegeven, op welke hij haar verwerpt; geene der aangehaalde wetsbepalingen kan daardoor geschonden of verkeerd toepast zijn.

Het tweede middel luidt: schending van de artt. 206 en 211 Strafvord.:

a. door den bekl. schuldig te verklaren aan het ten laste gelegde feit, terwijl twee feiten zijn ten laste gelegd en ook wegens twee feiten eene veroordeeling is uitgesproken;

b. doordien niet is gemotiveerd, waaruit blijkt, dat de gehoorde getuigen zijn binnengelaten, niet als leden van eenige andere vereeniging, maar als individu's, deel uitmakende van het publiek;

c. doordien niet beslist is over de schuld van den bekl. aan de hem ten laste gelegde overtreding van art. 26 van bovengemeld reglement.

De eerste bewering is juist, maar levert geene schending op der aangehaalde artikelen. De regter beslist, dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen, dat de bekl. daaraan schuldig is, en geeft voorts de qualificatie op. Daardoor is aan het voorschrift van de artt. 206 en 211 voornoemd voldaan. En nu herhaalt het vonnis in het slot: «verklaren den bekl. en opposant schuldig aan het hom ten laste gelegde feit/', waarop volgt de veroordeeling in twee geldboeten. Nu mag die schuldigverklaring minder naauwkeurig zijn; maar met het oog op de voorafgaande overweging is het toch duidelijk, dat de beide feiten, in de dagvaarding bijeengevoegd, daarin zijn opgesloten.

De tweede grief is ongegrond; bij het vonnis worden de gronden opgegeven, waaruit blijkt, dat de getuigen niet waren geïntroduceerd. Zij hebben verklaard, die woning vrij en ongehinderd als eene herberg te zijn binnengetreden; en de regter verklaart, op eene beschouwing van feitelijken aard, dat de toelating, zoo als die in casu heeft plaats gehad, in strijd is met het wezen eener societeit.

Ook de derde grief is mij niet duidelijk. Er wordt bewezen verklaard, dat het publiek al dansende en zingende de herberg in- en uitging, terwijl er muziek voor den dans werd gemaakt en binnen gedanst werd, zonder dat de req. de vereischte vergunning had. Hierdoor is art. 26 voormeld overtreden f en die overtreding is mede wettig en overtuigend bewezen verklaard. De grief wordt bij de memorie gemaakt, maar geen bewijs wordt daarvoor aangevoerd.

Een derde middel van cassatie luidt: schending van art. 1 Strafvord. en art. 4 Strafregt, door op den bekl. toe te passen art. 26 voormeld, hetwelk als een nudum preceptum moet worden beschouwd , terwijl wel in art. 48 bepaald wordt, welke straf kan worden, maar nergens blijkt, op wien zij moet worden toegepast.

Het verbods-artikel bepaalt, dat geene muziek-, danspartijen enz. mogen plaats hebben zonder speciale vergunning. Op de overtreding van dat artikel wordt straf bedreigd bij art. 48 van het reglement; en nu kunnen die artikelen , in gezonden zin opgevat, niet anders beteekenen dan dat de straf wordt beloopen door dengene, die de oorzaak is, dat de ongeoorloofde danspartij plaats heeft.

Een nudum preceptum is hier zeker niet; en de strafbare persoon m. i. duidelijk genoeg aangewezen.

Eindelijk is in de vierde plaats beweerd: schending van art. 253 jo. artt. 227 en 205 Strafvord., doordien het vonnis gewezen en uitgesproken is op 14 April, terwijl de behandeling der zaak op 31 Maart heeft plaats gehad.

Ook deze bewering is juist; en het blijkt niet uit het procesverbaal der teregtzitting, waarom aan het voorschrift van art. 205 voornoemd niet is voldaan.

Het artikel bedreigt echter geene nietigheid van het vonnis, hetwelk later dan acht dagen na het sluiten van het onderzoek wordt uitgesproken ; en de Raad heeft meermalen beslist, dat hierin geen grond is om de regterlijke uitspraak te vernietigen.

ieeus m 1851 beschouwde de adv.-gen. G&eöübv de jurisprudentie

Sluiten