Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

0., dat hieruit volgt, dat het Gemeentebestuur van Sneek ten deze de voorschriften van regtspleging niet heeft in acht genomen , door bij gewoon request het verzoek te doen om de schade, bedoeld bij art. 5 der wet van 7 Maart 1852 (Stbl. n". 48), te begrooten ; d;it toch van deze begrooting eerst sprake kan zijn in een gewoon twistgeding tusschen de gemeente Sneek , loco privato, en den Staat;

O., dat mitsdien het gedaan verzoek moet worden verklaard te zijn niet-ontvankelijk ;

O., dat hij deze beslissing het overbodig is om in een verder onderzoek der zaak te treden ;

Verklaren het gedaan verzoek van het Gemeentebestuur van Sneek, bij bovenstaand request, niet ontvankelijk (1).

KOLONIALE ZAKEN. hoog gerugtshof van nederlandsch indie.

Eerste kasuer.

Zitting van den 9 April 1874.

Voorzitter, Mr. H. W. du Perbon.

Raadsheeren: Mrs.: J. Sibeniüs Trip, Th. K. van Slingerlandt , B. be Groot en W. E. van der Hoct.

Vendu-accept , waasvan het bedrag hoooer was gesteld dan

de werkelijke opbrengst der vendutie. — Al OF niet aansprakelijkheid der regering.— vendumeesters. —

Artt. 185, 194 en 195 W. K., aet. 1365 B. W., art. 58 B. R.

De naamlooze vennootschap van koophandel de «Javasche Bank», gevestigd te Batavia, eischeresse, comparerende bij Mr. J. F. Gerritzen ,

tegen

de Regering van Nederlandsch Indië, als vertegenwoordigende den Lande, gedaagde.

Het Hof enz.,

Ten aanzien van de daadzaken:

Overwegende, dat de eischeresse als feiten heeft heeft gesteld : dat zij den 8 Julij 1872 heeft gediscompteerd eeue acceptatie dd. 4 Julij 1872 , waarbij het vendukantoor te Djocjocarta heeft aangenomen om zes maanden na dato te betalen aan den moor Godjalie Sieman of order de som van ƒ 1000 Indisch courant, zijnde het gedeeltelijk rendement der op genoemden datum gehouden vendutie, en welke acceptatie is geteekend door den vendumeester van het vendukantoor te Djocjocarta', C. N. H. van Lawick van Pabst en voor gezien geteekend door den resident van Djocjocarta , superintendent van genoemd vendukantoor A. D. Bosch;

dat, nadat eischeresse als wettige houdster van deze acceptatie ze had geëndosseerd aan den resident van Djocjocarta, doch alleen om daarvan betaling te vorderen, blijkens protest van non-betaling dd. 6 Jan. 1873 , opgemaakt ten verzoeke van dien resident door den buitengewonen deurwaarder bij den Raad van Justitie te Samarang, wonende te Djocjocarta, A. van Banisett, betaling dezer acceptatie is gevraagd , doch niet bekomen ;

dat eischeresse door deze non-betaling heeft geleden schade, het bedra(r waarvan wordt bepaald door de artt. 185, 194 en 195 W.

dat,'blijkens hetzelfde protest, de vendumeester C. N. H. van Lawick van Pabst heeft verklaard : dat het accept niet werd betaald, omdat het bedrag daarvan meer was dan de werkelijke opbrengst der vendutie;

dat alzoo vaststaat, dat de door de eischeresse geleden schade is het gevolg eener door genoemden vendumeester en superintendent in de uitoefening hunner functiëu gepleegde onregtmatige daad;

dat toch de vendukantoren slechts mogen afgeven acceptatiën voor het bedrag der gehouden verkoopingen;

dat ged. verantwoordelijk is voor deze schade, veroorzaakt door hare ondergeschikten in de werkzaamheden, waartoe zij hen gebruikt heeft (art. 1367 B. W.);

O., dat eischeresse op grond van bovenstaande feiten ten dienenden dage'heeft geconcludeerd tot veroordeeling van de ged. om aan eischeresse te betalen ;

1". eene som van ƒ 1000, met de renten ad 9 pet. 'sjaars van af 6 Jan. 1873 en met 2% pet. van genoemde som voor onkosten;

2°. eene som van / 10.90 voor protestkosten , met de renten ad 9 pet. '» jaars van af den dag der dagvaarding;

O., dat de ged. tegen dezen eisch heeft aangevoerd, dat de superintendent tijdens het stellen van zijn visum op de acceptatie handelde eigener autoriteit en niet namens den Lande, vermits hij bij geene bepaling daartoe was geregtigd;

dat de vendumeesters buiten de hoofdplaatsen zijn personen , die niet namens de Regering , maar uit eigen hoofde , op eigen verantwoordelijkheid handelen , en dus ook geene ondergeschikten van de Regering zijn, zoo als zulks duidelijk blijkt uit de artt. 12, 13 en 14 hunner instructie (Stbl. n°. 29);

dat, aangenomen zelfs, dat in casu eene onregtmatige daad ware gepleegd, de vraag, of de Regering aansprakelijk is voor het afgeven van het onjuiste accept, bezwaarlijk beantwoord kan worden uit art. 1367 B.W., omdat noch de superintendent noch de vendumeester in deze zijn gebruikt tot waarneming van de werkzaamheden van den Lande; terwijl, al worde aangenomen, dat beide voornoemde personen hebben gehandeld ais ondergeschikten der Regering, en deze hen had gebruikt om dergelijke accepten af te geven en te teekenen ooK dan nog van geene verantwoordelijkheid der Regering sprake'kan zijn, omdat deze niet heeft kunnen verhinderen, dat zij het onjuiste accept teekenden ;

dat eindelijk ontkend wordt de civielregtelijke verhouding tusschen den Staat en zijne ambtenaren , omdat de ambtenaar niet is een dienstbode, die door huur en verhuur van diensten aan hem is verbonden , maar hij volgens publiek regt het staatsgezag voor een

gedeelte uitoefent;

dat de ged. zich echter uitdrukkelijk bereid verklaart, het bedrag van het accept te voldoen tot het zuiver rendement der gehouden

vendutie ad /' 667.08;

0 dat de ged. op deze gronden heeft geconcludeerd tot ontzegging' dan wel niet-ontvankelijk-verklaring van den eisch cumexpensis;

O., dat de ged. bovendien voor eisch incidenteel subsidiair heeft aangeboden het bewijs door getuigen te mogen leveren, dat de opbrengst der op den 4 Julij 1872 te Djocjocarta ten verzoeke van den moor Gadjalie Sieman gehouden vendutie niet meer heeft bedragen dan ƒ 667.08 , met reserve van kosten tot aan de eind-uitspraak;

O., dat eischeresse, verklarende het vorengemeld gesielde feit gaarne voor waar aan te nemen , voor antwoord subsidiair incidenteel

(1) Deze uitspraak is in strijd met die van den kantonregter te Tholen, opgenomen in Weekbl. n°. 2092.

heeft geconcludeerd tot passering van den gedanen incidentelen subsidiairen eisch , met voeging der daardoor te veroorzaken kosten bij die der eind-uitspraak ;

O., dat, nadat partijen de door haar gestelde sustenuen breedvoerig | mondeling hadden uiteengezet en toegelicht, zij heiiben verzocht regt op de overgelegde stukken ;

Ten aanzien van het regt :

0., dat, hoezeer uit de door eischeresse in deze, zoowel bij haar exploit van dagvaarding als bij eisch genomen conclusie tot betaling van het volle bedrag eener van non-betaling geprotesteerde acceptatie met alle daarop ingevolge de artt. 185 , 194 en 195 W. K. gevallen onkosten , zou moeten worden opgemaakt, dat zij in deze ageert tot vergoeding van die geprotesteerde acceptatie,— echter uit de daadzaken, die door haar als grondslag dier vordering zijn geposeerd , het blijkbaar hare bedoeling is, dat zij onderwerpel(jk heeft ingesteld eene actie tot vergoeding van schade, gegrond op eene gepleegde onregtmatige daad;

O., dat zoodanige actie alleon dan voor toewijzing vatbaar is, wanneer consteert:

1°. dat er eene onregtmatige daad gepleegd is, en

2°. dat de eischeresse door die daad schade heeft geleden ;

0. alsnu ten aanzien van de eerstgestelde vraag :

dat uit art. 24 van de instructie voor de vendukautoren in Nederlandsch Indië , met uitzondering van Batavia-, Samarang en Soerabaya (Stbl. 1822, n". 29), j°. art. 36 van de instructie van het vendukantoor te Batavia (Stbl. 1819, no. 81), volgt.dat de vendukantoren in Nederlandsch Indië buiten de drie voormelde hoofdplaatsen verpligt zijn ten gerieve van belanghebbenden op derzelver aanvrage acceptatien af te geven tot betaling op den vervaldag;

O., dat nu, zoo als gereedeiijk uit de bepalingen der voormelde instructie blijkt en uit den aard der zaak volgt, deze acceptatiën eigenaardig moeten vertegenwoordigen het zuiver bedrag van de rendementen der gehouden vendutiën , dat is , het geheele bedrag daarvan, na aftrek van de bij de instructie voorgeschreven, door de verkoopers te betalen ongelden , zijnde dan ook, naar luid van het bepaalde bij Stbl. 1847, n°. 4, alleen de betaling van dit bedrag door de Regering gewaarborgd;

0. dat alzoo, wanneer, zoo als in casu consteert, eene venduacceptatie is afgegeven tot een hooger bedrag dan het zuiver rendement bedroeg der daarbij vermelde vendutie, die afgifte, als geschied in strijd met de daarvoor bestaande wettelijke bepalingen, is eene onregtmatige daad in den zin van art. 1365 B. W.;

0., dat dus de sub 1". gestelde vraag bevestigend moet worden beantwoord;

O. alsnu met betrekking tot de in de tweede plaats gestelde vraag, dat deze ontkennend behoort te worden beantwoord;

O. toch, dat voor alsnog niet consteert, dat de eischeresse eenige schade heeft geleden;

0., dat, wel is waar, ten processe het bewijs is overgelegd , dat meerbedoelde acceptatie van non-betaling is geprotesteerd; maar het voor alsnog niet blijkt, dat de eischeresse, als wettige houdster van dezelve, alle bij de wet aangegeven middelen heeft aangewend om tot de betaling daarvan te geraken ;

O., dat het toch daartoe niet voldoende is , zich te bepalen om aan den acceptant betaling daarvan te vragen en bij niet-voldoening zijnerzijds tegen hem van non-betaling te protesteren; maar eischeresse den acceptant in regten had behooren aan te spreken en uit te winnen en het bewijs daarvan ten processe te leveren, alvorens kan consteren , dat zij werkelijk schade heeft geleden ;

0-, dat nu, eenmaal vaststaande, dat van geleden schade niet consteert, de ingestelde vordering, gegrond op art. 1365 B. W., der eischeresse niet kan volgen , en haar dezelve alzoo . met passering tevens van de incidenteel subsidiair genomen conclusie, behoort te worden ontzegd;

Gelet op de aangehaalde wets-artikelen en art. 58 van het reglement op de Burgerlijke Regtsvordering;

Regt doende enz.,

Passeert de incidenteel subsidiair genomen conclusie;

Ontzegt der eischeresse de door haar ingestelde vordering ;

Veroordeelt haar in de kosten van het geding.

De Javasche Bank is van dit arrest in revisie gekomen.

Op den 9 Julij jl. hadden voor het Hoog Geregtshof de pleidooijen plaats in dit belangrijk proces.

Het Hof, hetwelk nu in revisie regt moest doen, was zamengesteld uit acht raadsheeren en werd gepresideerd door Mr. J. de Wal.

De advokaat der Javasche Bank (Mr. Gerkitzen) betoogde, dat de Regering, als aansprakelijk voor de onregtmatige daden harer ambtenaren , verpligt was de schade te vergoeden , welke de Javasche Bank door de nalatigheid van den vendumeester en superintendent te 1 ijocjocarta had geleden. Hij wees er op, dat de afgifte van zulk een onjuist accept, waarin een bedrag vermeld stond , hooger dan de opbrengst der vendutie , eene onregtmatige daad was , waarvoor het Gouvernement aansprakelijk was, en besprak breedvoerig het reglement op de vendu-kantoren, waaruit hij aantoonde, dat de vordering der Javasche Bank volkomen gegrond was.

Hierop verkreeg het Openb. Min. het woord en werd namens den proc.-gen. de ingestelde eisch bestreden, voornamelijk op grond, dat de afgifte van accepten door de vendumeesters, buiten de drie hoofdplaatsen, geheel buiten de bemoeijenis der Regering geschiedde, en dat de Staat niet aansprakelijk kon gesteld worden voor handelingen, waarmede deze niets te maken had , en die alleen ten behoeve van particuliere vendumeesters plaats hadden.

Het Openb. Min. vestigde inzonderheid de aandacht op art. 13 der instructie voor de vendumeesters , waarbij deze alleen voor de betaliing der vendu-rendementen aansprakelijk zijn gesteld.

Het Hoog Geregtshof bepaalde hierop de uitspraak op l Oct. a. s.

MENGELWERK.

KANTONRECHTER OF RECHTBANK?

Bij de vraag over de bevoegdheid tot het verleenen van machtiging tot verkoop van onroerend goed, onverdeeld aan meerder- en minderjarigen toebehoorend, schijnt het meeste gewicht in de schaal te zullen leggen de zin, die aan den aanhef van art. 1122 moet toegekend worden. Veronderstelt dat artikel, zoo als onlangs de Rechtbank van Nijmegen en de kantonrechter te Nijkerk hebben beslist, dat de erfgenamen het oneens zijn? Regelt het uitsluitend contentieuse rechtsmacht ?

M. i. beslissen de woorden »de erfgenamen» in tegenoverstelling van de volgende »of een of meer hunner» de vraag op ondubbelzinnige wijze in dien zin , dat er althans tijdins het indienen van het verzoek volkomen eensgezindheid tusschen de mede-erfgenamen moet

proc.-gen. de ingestelde eisch bestreden, voornamelijk op grond, dat de afgifte van accepten door de vendumeesters, buiten de drie hoofdplaatsen, geheel buiten de bemoeijenis der Regering geschiedde, en

waarmede deze niets te maken had , en die alleen ten behoeve van

Het Openb. Min. vestigde inzonderheid de aandacht op art. 13 der

instructie voor de vendumeesters , waarbij deze alleen voor de betaliing

■ om te verkoopen» in het algemeen , maar bepaaldelijk over een verzoek om den verkoop te bevelen van «de onroerende goederen des boedels, of sommige». Indien de erfgenamen het oneens zijn over de vraag »wat« verkocht behoort te worden, dan kunnen zij alleen individueel een verzoek aan de rechtbank indienen. Een collectief verzoek , zonder opgave van hetgeen men wenscht dat verkocht worde, zou moeten aangemerst worden als eene poging om de rechtbank te belasten met eene werkzaamheid, die, als behoorende tot de regeting der scheiding, behoort uit te gaan van de erfgenamen. Werden echter in zoodanige verzoekschriften de verschillende meeningen uiteengezet , het zou inderdaad geen collectief verzoek zijn, dan alleen wat het uitwendige betreft.

Ofschoon nu het woord «bevelen» verschil van meening of althans niet medewerking veronderstelt, zoo moet men, juist om den aanhef «de erfgenamen' , dat verschil plaatsen m een tijd, die op de indiening van het verzoek volgt.

liet bevel waarborgt elk der verzoekers tegen verschil van meening of niet-medewerking in de toekomst.

De beschikking der rechtbank, zal zij met zekerheid nader tot het hier beoogd doel voeren, moet wel, ook bij volkomen eensgezindheid der erfgenamen , een bevel zijn.

Maar, zegt men — o. a. de kantonrechter te Nijkerk — bij volkomen en geheele overeenstemming zou, ook zonder zoodanig bevel tot verkoop, tot verkoop overgegaan kunnen worden.

JVlij uunkt, dat dit lil strijd zou zijn met artt. 1117, dat immers, al is het niet op straffe van nietigheid, in geval er minderjarigen onder de erfgenamen zijn, o. a. de in-acht-neming van art. 1122 voorschi ijft. Bovendien is de machtiging van art. 451 slechts onder deze conditie vau geene toepassing, dat er een bevel tot verkoop volgens art. 1122 gegeven zij. Er moet dus in elk geval zijn of machtiging öf bevel, zoo dikwerf ue voogd onroerend goed van den minderjarige overdraagt, niet omdat bevel tevens als machtiging behoort te gelden, uiaar omdat volgens de wet zonder bevel de machtiging onontbeeriijK is, terwijl deze vervalt bij het bestaan van een bevel tot verkoop. Wanneer machtiging, wanneer bevel noodig is, hangt af vau de handeling, welke de voogd op het oog heeft. Behoort zij als medewerking tot eene boedelscheiding aangemerkt te worden, dan valt zij onder titel XVI van het Burg. Wetb., als speciaal dit onderwerp, voor het geval er minderjarigen in betrokken zijn , regelende.

W. F. Frijlinck. HOOGE RAAD. — Hasaer vau ütrafzakeu.

Zitting van Maandag, 14 September.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

I. Conclusie genomen in zake:

1". den ambtenaar van het Upenb. Min. bij het Kantongeregt te Eist, tegen een vonnis in zake J. Heizen c. s. Aüv.-gen. Romer concludeert tot vernietiging van het vonnis; en dat de Hooge Raad de gerequireerden zal schuldig verklaren aan het bewezen verklaarde feit en hen zal veroordeelen overeenkomstig de conclusie van het Openb. Min. bij het Kantongeregt en tot terugwijzing der zaak naar voornoemd Kantongeregt, om, met ïn-acut-neming van het arrest van den Raad, uitspraak te doen op de vordering van de gevoegde partij. Uitspraak 5 October.

2°. den ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te Kampen, tegen een vonnis in zake H. H. Rutten. Adv. gen. Romer concludeert tot vernietiging van het vonnis en schuldigverklaring en veroordeeling van den gereq. overeenkomstig het requisitoir van den ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt. Uitspraak 5 October.

II. Behandeld het beroep van:

lo. A. Keyzer, tegen een vonnis der Regtbank te Zaandam, liapp., raadsh. üertseu. Conclusie bepaald op 21 September.

2". M. Gerritsen, tegen een vonnis der Regtbank te Nijmegen. Rapp., raadsh. Schuurman. Conclusie bepaald op 21 September.

3o. F. Holleman , tegen een vonnis uerzelide Regtbank. Rapp., raadsh. Schuurman. Conclusie bepaald op 21 September.

ADV EBiTENTIEN.

LÉON'S REGTSPEAAK.

De verschillende gadeelten zijn afzonderlijk verkrijgbaar tegen de volgende prijzen :

TWEEDE DRUK.

Geb. in Gab. in

Deel. Ing. halve h. jucht

led. bd. led. bd.

I (Mr. E. L. v. Emden, Staatsregt) . . ƒ 3.75 ƒ 5.25 ƒ 6.00

I (1ste vervolg op id.) 8.00 9.50 10.25

I (2de » « ») 8.25 9.75 10.50

I (3de » » » ) 6.00 7.50 8.25

I (4de » » » ) 4.75 6.25 7.00

II, lsie afl.(Mr.E.L.v.EuiDEN, Regt.0rg.) 4.00 5.50 6.25 H, 2de en 3de afl. (Mr. C.Asser, Burg.

Wetb.) 25.00 28.00 29.50

II, 4de afl. (Mr. J. A. Levy, Koophandel) ,

met 2 supplementen 12.00 13.50 14.25

ƒ71.75 ƒ85.25 f92.00

EERSTE DRUK.

II, 5de afl. (Burg. Regtsvordering) . . f 8.25 ƒ 9.75 ƒ10.50 II, 6de afl. (Strafvordering) 10.00 11.50 12.25

ƒ18.25 ƒ21.25 / 22.75

i , Eene nieuwe inteekening is opengesteld voor hen, die achter eenvolgens in 2% jaar bovengemelden tweeden druk wenscheO te ontvangen.

Deze abonnés ontvangen in het geheel 29 stukken en wel maandelijks een stuk van f 2.50.

Den Haag, Aug. 1874. ÖEBR. BELKFAXTE.

Snelpersdruk en uitgave van GKBnilEDEl1^ BKLIXFAHTK, te 's Graveuliage,

Zitting van Maandag, 14 September.

Voorzitter, Mr. J. D. W. Pape.

I. Conclusie genomen in zake:

lo, den ambtenaar van het Upenb. Min. bij het Kantongeregt te Eist, tegen een vonnis in zake J. Heizen c. s. Adv.-gen. Römer concludeert tot vernietiging van het vonnis; en dat de Hooge Road de gerequireerden zal schuldig verklaren aan het bewezen verklaarde feit en hen zal veroordeelen overeenkomstig de conclusie van het Openb. Mm. bij het Kantongeregt en tot terugwijzing der zaak naar voornoemd Kantongeregt, om, met ïu-actit-neming van het arrest van den Raad, uitspraak te doen op de vordering van de gevoegde partij. Uitspraak 5 October.

2°. den ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt te Kampen, tegen een vonnis in zake H. H. Rutten. Adv.-gen. Römer concludeert tot vernietiging van het vonnis en schuldigverklaring en veroordeeling van den gereq. overeenkomstig het requisitoir van den ambtenaar van het Openb. Min. bij het Kantongeregt. Uitspraak 5 October.

II. Behandeld het beroep van:

lo. A. Keyzer, tegen een vonnis der Regtbank te Zaandam, liapp., raadsh. üertseu. Conclusie bepaald op 21 September.

2". M. Gerritsen, tegen een vonnis der Regtbank te Nijmegen. Rapp., raadsh. Schuurman. Conclusie bepaald op 21 September.

3o. F. Hoileinan , tegen een vonnis uerzeltde Regtbank. Rapp., raadsh. Schuurman. Conclusie bepaald op 21 September.

De verschillende gadeelten zijn afzonderlijk verkrijgbaar tegen de volgende prijzen :

TWEEDE DRUK.

Gab. in h. jucht led. bd. ƒ 6.00 10.25 10.50 8.25 7.00 6.25

29.50

14.25

ƒ71.75 ƒ 85.25 ƒ 92.00

Hier'toch wordt niet gehandeld over een verzoek tot een bevel ;

ƒ 8.25 ƒ 9.75 f 10.50 10.00 11.50 12.25

ƒ18.25 ƒ21.25 ƒ 22.75

Eene nieuwe inteekening is opengesteld voor hen, die achter eenvolgens in 2% jaar bovengemelden tweeden druk wenscheO te ontvangen.

Deze abonnés ontvangen in het geheel 29 stukken en wel maandelijks een stuk van f 2.50.

Sluiten