Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Dingsdag , 24 November 1874.

N°. 3785.

WEEKBLAD VAN HET REGT

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

ZES-EN-DERTIGSTM JAARGANG.

JUS ËT VERITAS.

Dit blad verschijnt des Maandags en Donderdags, en om de veertien dagen ook des Dïngsdags. — Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden franco per post met f 1.00 nerhanninn P-rina rfe.r adnertentièn. 20 cents ner reoel.— Biidraaen. brieven, enz., franco aan de Jhtnptiara -/n f n f m/w nut/nAl f >_ J . I 7 .

, j- -j• — ■ -j- 7 - r j </ > 7 > / -- - --- ^■/«?■» i/»>w m»; jci a a aen s iel n

ir i„_ j„ et j,

eII i ugici, oc

WETGEVING.

STAATSBEGROOTING VOOR HET DIENSTJAAR 1875.

IVde HOOFDSTUK (Departement van Justitie).

Memorie van beantwoording.

(Zie het verslag der Tweede Kamer in Weekbl. no. 3781.)

§ 1. Dat in alle afdeelingen algemeen werd gewe7en op de noodzakelijkheid om de bezoldiging der regterlijke ambtenaren te verhoogen, heeft de ondergeteekende met groote ingenomenheid uit het voorloopig verslag vernomen. Immers is hij zelf van die noodzakelijkheid zoo zeer doordrongen , dat hij, bij zijne optreding aan het hoofd van het departement van Justitie, gemeend heeft mede in de eerste plaats zich ten taak te moeten steller,, den eisch dier noodzakelijkheid te helpen vervullen. Terwijl die verhooging dan ook reeds een punt van overweging bij hem uitmaakt, is het zijn beslist voornemen om mede te werken die spoedig te helpen tot stand brengen.

Ook beaamt de ondergeteekende het door de meerderheid uitgedrukte gevoelen, dat de bedoelde verhooging van bezoldiging kan en behoort gepaard te gaan met eene vermindering van het getal regterlijke collegiën en regterlijke ambtenaren. En wordt dan in verband daarmede de vraag gedaan, op welke wijze die vermindering zal plaats hebben, »van onderen of van boven af», dan is het antwoord daarop »van boven af».

Dewijl het alzoo in des ondergeteekenden bedoeling ligt met het afschaffen van eenige hoven te beginnen, volgt daaruit, dat het zijn voornemen niet zijn kan, in afwachting daarvan mede te werken tot de benoeming van vice-presidenten van de provinciale geregtshoven. De benoeming van de diie vice presidenten , waarop het voorloopig verslag doelt, bad bij zijn optreden reeds plaats gehad; intussehen is reeds eene dier drie vervulde plaatsen weder vacant geworden door de optreding van den vice president van het provinciaal geregtsbof in Groningen als president van dat hof.

§ '1. Uit het vorenstaande blijkt reeds, voor zooveel de regterlijke organisatie betreft, dat de opvatting van die leden der Kamer juist is, die meenen, dat het 's ministers bedoeling is, het stelsel van partiële herziening van de wetboeken in praktijk te brengen. In overeenstemming met het daaromtrent in de troonrede gezegde, is het inderdaad het voornemen van den ondergeteekende er naar te streven om op den weg van partiële herziening die verbeteringen en aanvullingen in de wetboeken aan te brengen , waaraan zich de behoefte doet gevoelen. Zijnerzijds hoopt hij daarbij acht te geven op de wenk om toe te zien, dat op het stelsel van codificatie zoo min mogelijk Worde inbreuk gemaakt.

Terwijl gaarne de verzekering wordt gegeven, dat de vele arbeid, die op wetgevend gebied is te verrigten , met ijver ter hand wordt genomen, wordt door de Staatscommissie, die met het ontwerpen Tan een nieuw strafwetboek is belast, de laatste hand aan haren arbeid gelegd, en zal eerlang vei slag van hare werkzaamheden kunnen worden uitgebragt. Daarna zal de indiening bij de Kamer van de noodige Wets-ontwerpen tot vaststelling van een nieuw Nederlandscb Wetboek van Strafregt met gewenschten spoed kunnen worden bevorderd.

§ 3. De juistheid van het hiervoren gezegde, dat er vóel arbeid op ■Wetgevend gebied is te verrigten , wordt wel bevestigd door hetgeen onder anderen in deze paragraaf van het voorloopig verslag wordt herinnerd. Ten aanzien van de verschillende daarbij besproken onderWerpen zij het vergund kortelijk het volgende op te merken.

a. Sedert de ondergeteekende als lid der commissie van rapporteurs Over de begrooting van Justitie voor 1873 mede de noodzakelijkheid uitsprak tot verbetering van de hier bedoelde wetgeving, is hij van gevoelen niet veranderd. Het ligt dan ook in zijne bedoeling die 'aak ernstig ter harte te nemen.

b. Nadat in 1870 het rapport der bedoelde staatscommissie is uitgebragt, is eene herziening van de wettelijke bepalingen op het notar'aat niet verder voorbereid. De behoefte aan die herziening op meer 'ian één punt doet zich intussehen bij toeneming gevoelen ; en daarom "elt de ondergeteekende zich voor, ook aan dit onderwerp zijne bijzondere aandacht te wijden.

1. Naar het oordeel van den minister moet de vraag betreffende de aanvulling van het getal notarissen binnen het gestelde maximum, 'en als de verhooging van dat maximum in verhouding tot de uitkomst van de laatste volkstelling, alleen beslist worden door en zich regelen naar de behoefte, die zich daaraan doet gevoelen. Een onderhoek naar die behoefte is ingesteld.

2. In hoever de klagt over de opdrijving der kosten van openbare 'erkoopingen door notarissen gegrond zij, is den ondergeteekende niet gebleken. Hij zal gaarne de aandacht daarop vestigen; maar dat ,;e'1 zoogenaamd vrij notariaat een afdoend middel zou zijn tot wegneming van vernieuwde bezwaren, kan niet worden toegegeven. Eene '"stelling daarvan zou ook moeijelijk zijn overeen te brengen met tiet imbt van notaris, aan wien het verlijden van authentieke acten is °Pgedragen.

®. Dat de bestaande wetgeving op de vennootschappen herziening behoeft, kan moeijelijk worden ontkend; maar evenmin dat dat een 0Rrk is van nog al omvang, die dus tijd vereischt, vooral wanneer <"en, wat wenschelijk schijnt, onder die herziening begrijpt de geheele oaterie der vennootschappen en zich niet alleen tot de naamlooze noPa8lu 0ok de C0ÖPeratieve vereenigingen, die regtens tot de ven-

otsehappen moeten worden gebragt, zullen bij die herziening hare

geling moeten vinden. Bij de behoefte intussehen, die zich meer - meer aan bedoelde vereenigingen doet gevoelen, en in verhand

Mede aan regeling van den regtstoestand, waardoor haar bestaan I

kan worden verzekerd en zij zich kunnen ontwikkelen, is door den ondergeteekende in overweging genomen, die regeling afzonderlijk tot stand te brensren, in afwachting, dat de geheele derde titel van het Wetboek van Koophandel dooreenen anderen zal kunnen worden vervangen.

d. Omtrent de regeling der makelaardij is in de zitting van 1867 —68 een wets-ontwerp ingediend, dat toen echter geen onderwerp van behandeling heeft uitgemaakt. De zaak, die werkelijk voorziening schijnt te behoeven , blijft de aandacht der Regering trekken. Binnen een niet verwijderd tijdstip hoopt de ondergeteekende dienaangaande de noodige voorstellen te doen.

e. Bij het groote belang, dat bestaat bij het spoedig tot stand komen van de aanhangige wetsvoordragt tot wijziging der wet van 13 Augustus 1849 (Staatsblad n°. 39), heeft de Regering het wenschelijk geacht, die wijziging te blijven beperken tot het stellen der regelen, waarnaar uitlevering zal kunnen geschieden. In hoever en op welke wijze de bepalingen dierzelfde wet betreffende de regeling van de

toelating en uitzetting van vreemdelingen zullen behooren te worden

herzien, kan daarna worden overwogen.

f. Twee ontworpen Koninklijke besluiten ter uitvoering van de

wetten , houdende vaststelling van tarieven van aereetskosten in bur

gerltjke en militaire strafzaken, ziin gereed en bii den Raad van

State aanhangig gemaakt. De afstandstafelen zijn in bewerking, en met

ae zamensteiung van ae modellen zal weldra een aanvang worden gemaakt.

Wanneer een en ander gereed is, zal het tijdstip tot het in werking treden van de tarieven kunnen worden bepaald en zullen vermoedelijk niet later dan uiterlijk 1°. Januarij 1876 kunnen worden

ingevoerd.

De solidariteit der kosten bij politie-overtredingen , gelijk reeds opgemerkt is op bladz. 15 der memorie van beantwoording op het

verslag betrekkelijk het tarief van geregtskosten in strafzaken ,

waarvan de gewone regter kennis neemt, is een onderwerp, dat bij de herziening van het Wetboek van Strafvordering nader zal moeten

worden overwogen.

g. Na tot de afkondiging van de wet van 19 September il. (Staats

blad no. 130) te hebben medegewerkt, heeft de minister van Justitie

tot uitvoering daarvan de bekende circulaire van 30 September aan

de procureurs-generaal, fungerende directeuren van politie, uitge¬

vaardigd. uerigten, dat op verschillende plaatsen aan de wet uit¬

voering gegeven is, zijn ingekomen; meerderen worden nog te

gemoet gezien. Van uitbreidende toepassing van het beginsel kan geen sprake zijn, zoolang over de werking dezer wet nog geen

ooraeei Kan worden gevestigd.

h. Tot intrekking van het decreet van 30 December 1809 is door het departement van Justitie, in overleg met dat van Binner.landsche Zaken en van Finantiën , een ontwerp in gereedheid gebragt; en er

oesiaat uitzigi, uai, uai spoeuig uo ixaiuer zat Kunnen bereiken.

i. Het Friesche reglement op de verkiezing en beroeping van predikanten , goedgekeurd bij Koninklijk besluit van 14 September 1833, is door de kerkelijke autoriteit tegen 1». Januarij 1875 ingetrokken.

§ 4 , a. Het blijkt niet, dat de instructiën in strafzaken langer duren dan het gewigt en de omvang van elke zaak noodig maken. De zaak, waarop in het voorloopig verslag als voorbeeld is gewezen, is niet zoo eenvoudig als zij geacht werd te zijn. Het geldt daarbij eene hoogst ernstige zaak, waarbij geen bekentenis door den beschuldigde is afgelegd, en hebben juist zijne beweringen medegewerkt tot den omvang, dien de instructie in deze heeft genomen. Het hof beeft thans zijne teregtstelling wegens doodslag bevolen.

Wijziging van het bestaande systeem van instructie kan , dat behoeft geen betoog, eerst ter sprake komen bij wijziging van bet bestaande Wetboek van Strafvordering.

b. Het appel a minima berust niet op administrative voorschriften. Het zoude te veel ingrijpen in de vrijheid, die het openbaar ministerie hebben moet in de beoordeeling der vraag, of appel wenschelijk of noodig is na ingesteld appel van de zijde der beklaagden , om dienaangaande beperkende voorschriften te geven.

e. Onder dagteekening van 10 October 1861, no. 120, werd eene circulaire uitgegeven, waarbij in het algemeen werd gewezen op bezwaren, verbonden aan strafvervolging van jonge kinderen en voorgeschreven deze niet in te stellen, ten ware het openbaar belang het gebiedt. Of die uitzondering op den regel aanwezig is, moet in ieder concreet geval worden overgelaten aan het juiste inzigt van het openbaar ministerie. Intussehen wordt steeds een wakend oog gehouden op de naleving van de in 18til door den minister Godefroi gegeven voorschriften. Nog den 30 October jl. is te dier zake een schrijven van den ondergeteekende uitgegaan, naar aanleiding van eene door de regtbank te Deventer uitgesproken veroordeeling van twee jeugdige knapen, die echter volkomen was geregtvaardigd.

d. De informatiën, hier bedoeld, bepalen zich niet uitsluitend tot rapporten van het openbaar ministerie. De ondergeteekende geeft gaarne de verzekering, dat hij zich omtrent de bekwaamheid ™

geschiktheid van sollicitanten met de meeste naauwgezetheid doet inlichten en bij het doen van voordragten door de uitkomsten daarvan zich doet leiden.

& fi a. TTet denkbeeld om voorbereiding vqn ±

0 — & »»tto-umwerpen aan

speciale commissiën op te dragen, is meermalen besproken , en

he veelt zich y.fikfir in menicrerlei onziort. aan. TVi^V.

~ O ~J O JLUUCL Z-HJU Uil 111

den regel bepalen tot wets-ontwerpen van grooten omvang zoo als

l. ;n • TXT_1 !_ n . , ,

ucL gcvai io xiict wu nieuw vveiüoe& van ocrarregt en daarmede zamenhangende wijzigingen in andere bestaande wetboeken. Overigens, al mogen soms wets-ontwerpen door commissiën worden voorbereid, de indiening daarvan geschiedt toch door en onder de verantwoorde¬

lijkheid van de Regering of het hoofd van het betrokken departement die dan ook den last van de verdediging daarvan eigenaardig op zich' behoort te nemen.

6. Van een antwoord op de, naar aanleiding van de te Maastricht gehouden processiën, gedane vragen meent de ondergeteekeude zich te kunnen onthouden, daar hij van oordeel is de regterlijke magt te dien aanzien te moeten doen beslissen.

c. Het is den ondergeteekende bekend, dat niet alleen te Goes, maar ook elders het bezwaar bestaat, waarop het verslag wijst. Zijné aandacht is daarop gevestigd.

d. De grondwettige bevoegdheid des Koaings om adeldom te verkenen op zoodanige wijze als Hg goedvindt kan niet worden betwist. Intussehen is, zoo als in eene afdeeling is opgemerkt, vroeger streng toegezien dat bij creatie van nieuwen adel de titel slechts bij regt van eerstgeboorte overgaat, en zijn de afwijkingen daarvan , eenmaal in 1868 en nu laatstelijk in Mei ais uitzonderingen te beschouwen aan bijzondere omstandigheden ontleend. In hoever de werkzaamheden van den Raad van Adel op andere wijze kunnen worden geregeld kan een onderwerp vau nadere overweging uitmaken.

1ste afdeeling. — Kosten van het departement.

Art. 2. De overbrenging van het beheer der Rijksgestichten te Ommerschans en Veenbuizen van het departement van iSinuenlandsche Zaken naar dat vau Justitie steunt op de bekende gronden, zoowel in het tegenwoordig voorloopig verslag aangegeven, als met name ook uitgesproken in dat op het wets-ontwerp tot herziening der bepalingen op de bedelarij. Over de opportuniteit van die overbrenging schijnt zich voornamelijk verschil van gevoelen te hebben geopenbaard • maar de ondergeteekende acht een uitstel van die overbrenging niet noodig nu, zoo als teregt is opgemerkt, het getal vrijwilligers uiterst gering' is. En hij acht dat evenmin wenschelijk, omdat de bedoelde gestichten in naauw verband staan met de wetgeving op de bedelarij en welligt in naauwer verband kunnen worden gebragt met het gevangeniswezen. Terwijl die beide onderwerpen eerlang door den wetgever nader zullen moeten worden geregeld, zullen inmiddels de iurigting en de bestemming dier gestichten een punt van gezette overweging kunnen uitmaken.

Het Regeringsantwoord op het voorloopig verslag over vermeld wets-ontwerp betreffende de herziening vau de strafbepalingen op de bedelarij is achterwege gebleven, ook en vooral omdat, nu het verslag van de Staatscommissie, belast met het ontwerpen van een nieuw Wetboek van Strafregt, spoedig kan worden te gemoet gezien , het wenschelijk is voorgekomen dat af te wachten, en om daarna te beslissen, of voortzetting van de behandeling van dat wets-voorstel dan wei intrekking daarvan het meest raadzaam is.

Ilde afdeeling. — Kosten van de regterlijke magt.

Art. 6, f. De hier bedoelde benoeming is geschied, nadat het Hof eene aanbevelingslijst daartoe had opgemaakt met goedvinden van des ondergeteekenden ambtsvoorganger, met wien ook hij van oordeel is, dat die benoeming door de dienst der justitie werd gevorderd.

Art. 8. De hier bedoelde voorbeelden zijn den minister niet bekend; doch zal hij zich gaarne daaromtrent doen voorlichten. Overigens biedt de wet van 4 Julij jl. (Staatsblad n°. 90; de middelen aan, om misbruiken, waar die bestaan, te keer te gaan.

Art.^ 10. Eene wijziging van art. 12 der zoo evengenoemde wet van 4 Julij jl. acht de Regering om de aangevoerde grinden noodzakelijk. Een ontwerp daartoe zal worden gereed gemaakt.

Art. 12. Bij het voornemen van den ondergeteekende om wijzigingen voor te stellen in de wet op de regterlijke organisatie, zal op het bij dit artikel besprokene van zelf -«'orden teruggekomen,

IHde afdeeling. — Kosten van het Hoog Militair Geregtshof en de auditiën in de militaire afdeelingen.

Herziening van de militaire wetboeken, zoowel wat strafregt als stratregtspleging betreft, blijft de ondergeteekende noodzakelijk achten, en daartoe mede te werken behoort tot zijne meest ernstige wenschen. Afdoende verbetering van de militaire strafregtspleging moet, naar zijne overtuiging, worden voorafgegaan door algemeene herziening van ons materieel militair strafregt. Die herziening zal met ernst en vrucht kunnen worden ter hand genomen, als het algemeen Wetboek van Strafregt zal zijn vastgesteld. Intussehen wenscht de ondergeteekende eene poging te wagen en is die bij hem in overweging, om, in afwachting daarvan, door partiele wijzigingen aan de meest dringende behoeften naar herziening te gemoet te komen.

IVde afdeeling. — Geregtskosten en kosten van den raad van tucht

Art. 17. ü/ene bepaalde toezegging betreffende den tijd, waarop eene verbetering der wetnevins- betreffende lt rank ainnirron

^ —ftBii nuiucu te

gemoet gezien, kan niefc worden gegeven.

nee wensenenjte van zoodanige verbetering wordt intnsschen

beaamd en Zftl. wanneer fiiirl T. 11 lira trwilaat-

; > — "V"* vvu nauti Ultucr werp

van behandeling kunnen uitmaken, in overleg met het departement

Van TiinnenlnnHsphc» 7.*Vc*r\ Hot jloarKii r\r»lr io 1» —

U1J UOIV io UCL1U&&C11.

Art. 18. Zonder te durven beweren, dat eene herziening der wet op de koopvaardijtucht niet noodig zou wezen, is de ondergeteekende van oordeel, dat het niet raadzaam is zoodanige herziening in overweffinjr te nemen, vóórdat het verslao- vnn Ha ...

v. . £ a a , „ a r h . ^UJlA1,oolc van enquête

betreffende den toestand onzer koopvaardijvloot verschenen zal ziin •

ten einde dan te knnnen nacaan r»f KSi * . J _ »

^ I—1-1 u A V u • — J <^4^0 welligt ook de

noodzakelijkheid dier herzienmer en . zon ia „li¬

ter sprake gekomen. zm ' 18

Yde afdeeling. - Kosten van algemeene of rijks-politic en in

zaken van jagt en visscherij.

a. Op verbetering van d<» riikfi-nnliiio *oi a~ „„j ...i

- ° j— i—uc uuuergeieeKenae . voor

zoover die mogt Wijken noodig te wezen, bedacht zyn; maar eene

Sluiten