Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

el beliooren te worden beperkt tot de invordering als gemagtigde, 00 a's bij het beklaagde arrest is aangenomen ;

•> dat uit de avtt. 133 tot en met 136 W. K. volgt, dat (met zondering alleen van het endossement in blanco) de eigendom van ^ brieven alleen overgaat door een endossement, voldoende aan vereischten van art. 134W.; en dat een irregulier geëndosseerde geene andere regten heeft dan :

°' die, voortvloeijende uit de volmagt, strekkende om den inhoud den wisselbrief zelfs in regten in te vorderen; en daa-' 'rreguüer endossement «aan zijne ouder» den eigendom v 1Va" over te dragen bij regelmatig endossement, behoudens zijne

wtwoordelijkheid jegens zijnen lastgever ;

het ^ m"'tsdien de houder van zoodanigen wisselbrief, behalve gwue°° 6Ven verme'^ regt van overdragt bij- regelmatig endossement, (Jq , andere regten heeft dan die van gemagtigde, en dat derhalve jr,h bij art. 135, 1ste zinsnede, toegekende bevoegdheid om den ^es wisselbriefs zelfs in regten in te vorderen hem alleen ^°nu als zoodanig;

lino-'' noc'1 de inhoud, noch de exceptionnele aard der bepaoii] ,ze^ve > noch de geschiedenis harer daarstelling veroorloven te , rscoeiden tusschen de verhouding van deu houder tegenover v ,e" en tegenover den endossant; en dat de door de eischeresse ei» e, Sde onderscheiding, als zoude bij irregulier endossement geene o ndoms- overdragt ontstaan tusschen endossant en geëndosseerde, «Mvel tegenover derden, — zoozeer strijdt vooreerst met het algeya en beginsel van art. 133 W. K., volgens hetwelk de eigendom fd t Wls'se"irieveii, betaalbaar aan order, alleen door endossement iet 18 V0llediS endossement) kan overgaan; en ten andere met de ,®ewoon begrip van eigendom, als altijd-zonder onderscheid gelde*1 te®.en 'n 'let algemeen, — dat zij zonder eene (in deze in j,inv,et niet gevonden) uitdrukkelijke toelating van zoodanige afwijS van het gemeene regt niet mag worden aangenomen ; 'J wa* betreft het tweede (subordinate) gedeelte van het middel cassatie (gerigt tegen 's Hofs beslissing, dat de eischeresse zoude ^ met-ontvankelijk ;n ^are vordering, zelfs dan, wanneer zij mogt dos eU 'Jewezei1 de waarde van den wissel aan den irregulieren ente hebben verstrekt), dat ook deze is onaannemelijk, ver„egS et Hof teregt heeft geoordeeld, dat, ofschoon den irregulier bew" 0sseerc'e tegenover zijn endossant toekomt de bevoegdheid te die H,2611' c'at wissel hem anders dan als gemagtigde is verstrekt, derd evoe^dheid echter hem niet kan worden toegekend tegenover

^en, zoo als zijn de verweerders;

dat d t0C^' dat de geheel formele aard der wissel-actie medebrengt, dn . .reëten van den houder van den wisselbrief tegenover derden 1 dien brief zeiven moeten worden bepaald en daaruit alleen oeten kunnen worden beoordeeld, en dat alzoo derden niet kunnen °rden genoodzaakt zich te onderwerpen aan een onderzoek aangaande uit den wisselbrief zeiven niet blijkende omstandigheden ;

0., dat alzoo het ée'nig aangevoerde middel van cassatie is ongegrond ;

Verwerpt het beroep en veroordeelt da eischeresse in de kosten boete van cassatie.

(Gepleit voor de eischeresse Mr. P. L. F. Blcssé , «n voor de l'rweerders Mr. A. M. van Ktipmaan Lüïscids.)

Zitting van den 8 Maart 1867.

praestatie. wanpraestatie. ontbinding.

Kan te gelijk met ontbinding van een contract wegens wanpraestatie voor de toekomst, gevorderd worden vervulling van vroeqer daaruit ontstane verbindtenissen ? ■— Ja.

Moet hij, die gelijktijdig vordert ontbinding wegens wanpraestatie en praestatie der contractuele verbindtenis in de gevallen waarin dit niet is geoorloofd, in deze geheele vordering' worden verklaard niet-ontvankelijk ? -— Neen.

P. Regout, eischer l procureur Mr. J. van der Jagt ,

tegen

M. Dohmen, verweeitder, procureur Mr. J. van der Jagt.

adv.-gen. GregoryI heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen.

k'del Hoog Achtbare Heeren, President en Raden! De eischer m 2ich in cassatie voorzien tegen het arrest van het Prov. GeS'shof in Limburg van 17 Sept. 1866, met uitzondering echter

0 dat gedeelte van het dispositief, hetwelk luidt: «verklaart den v °pgegrond in zijne overige, zoowel primaire als subsidiaire

°'deringen» , en heeft tot dat einde twee middelen voorgedragen. ■Het eerste bestaat in schending en verkeerde toepassing van de t. 1302 en 1303 B. W. , omdat, indien werkelijk door den eischer U zijne reconventionnele vordering , behalve de ontbinding der overenkomst, ook gedeeltelijke nakoming daarvan is gevraagd, zulks in e eerste plaats bij de aangehaalde artikelen niet is verboden ; in e tweede plaats zeer zeker niet is verboden betaling te vragen van ge,.?®e!ï vóór de ontbinding van het contract verschuldigd was, en e'Jktijdig, op grond van wanpraestatie, ontbinding voor het verin de derde plaats, deze'geheele stelling van het arrest in geen tot V?B '°epassing zou kunnen zijn op de subsidiaire vordering ontbinding sedert den 19 Oct. 1860, omdat het nog veel minder

1 boden is of kan zijn , gelijktijdig met de ontbinding van het conapt te vorderen betaling van datgene, wat reeds vóór do wanpraes-

a'e verschuldigd was; en eindelijk, omdat, gesteld al, dat de nief' 1302 eu 1303 dit alles verboden , zij zeker aan dit quasi verbod

verbinden de niet-ontvankelijkheid van de geheele actie, arr " ''C 'weede en derde overwegingen quoad jus van het beklaagde reen8' 'le?ft het Hof uitgemaakt, dat de eischer bij zijnen eisch in der nvontie heeft gevorderd te gelijk de ontbinding en nakoming

^ overeenkomst.

rin„e ®lscher beweert wel, dat hij bij zijne reconventionnele vordehtlijjniet gelijktijdig ontbinding en nakoming der overeenkomst zou klaar!)1 gevraagd; doch hij ontkent niet, dat het Hof bij het bete e i•-6 arrest heeft beslist, dat de voornoemde vordering inhoudt eenen eisch tot ontbinding en tot nakoming der overeen«ls 8 ' terwijl naar mijn inzien zoodanige beslissing niet anders dan Oe fei'elijke kan worden aangemerkt, omdat de vraag, welke Het d de' vo.rderinS ïs ' uitsluitend aan den judex facti toekomt. ;n r moet dus in cassatie vaststaan , dat de eischer bij zijnen eisch hepffC°llvent'e ontbinding en nakoming der overeenkomst gelijktijdig

e"' gevorderd.

te ve^vi mi ^lct ^!H > door den eischer in den eisch niet-ontvankelijk " aien, de beide bij liet middel aangeduide wets-artikelen gej.n n of verkeerd toegepast?

*erkl gel°o1 het niet. Integendeel vermeen ik , dat het Hof, door te Mn ™' da' ontbinding en nakoming eener overeenkomst niet 'J >.tijdig ma„ gevor(jerd worden, overeenkomstig de wet heeft

geoordeeld.

!,ii^"'-I303 B. W. geeft aan dengene, ten wiens opzigte de verïttlk niet 'S naSekonlen , de keus om bf de andere partij , indien 6 Hogelijk is, tot de nakoming der overeenkomst te noodzaken,

bf derzelver ontbinding te vorderen, met vergoeding van kosten,

schaden en interessen. Hij kan dus van die beide vorderingen nemen, welke hem het meest raadzaam voorkomt, doch hij moet zich tot eene van beide bepalen, omdat hem de keus van eene van beide gegeven is, en hij dus kiezen moet, welke hij wil instellen.

Eene gelijktijdige instelling van beide vorderingen is ook onbestaanbaar met het wezen der ontbindende voorwaarde, daar deze na hare vervulling de verbindtenis doet ophouden en de zaken weder tot den vorigen stand doet terugkeeren, even alsof er geene verbindtenis bestaan had.

Zoo heeft de Hooge Raad het ook steeds begrepen.

Bij arrest toch van 9 Jnnij 1854 (1) heeft de Raad geoordeeld, dat aan hem, ten wiens opzigte de verbindtenis niet is riagekomen, geene andere kans is gegeven dan de actie tot nakoming of tot ontbinding, terwijl hij bij arrest van 22 Dec. 1854 (2) heeft verklaard, dat uit e'e'ne en dezelfde overeenkomst niet kan worden ingesteld eene actie, tot praestatie van reeds uit de overeenkomst verkregen regten en eene tweede tot ontbinding wegens voortdurende wanpraestatie van die regten , als zijnde met de zuiver alternative bepalingen van art. 1303, zoo ingeval van uitvoering als van ontbinding der overeenkomst, niet overeen te brengen en daarmede in strijd.

En nu doet het er niets toe, of er te gelijk met de ontbinding slechts gedeeltelijke nakoming of nakoming tot aan de ontbinding en ontbinding voor het vervolg, of ontbinding sedert zeker tijdstip en nakoming tot aan dat tijdstip gevorderd wordt, daar men in alle die gevallen geene keuze doet tusschen beide regtsvorderingen, maar ze beide te gelijk te baat neemt.

De Hooge Raad heeft dan ook bij zijn laatstvermeld arrest eene dergelijke wijze van handelen in strijd geacht met de zuiver alternatieve bepalingen van art. 1303.

Wat voorts het beweren betreft, dat in allen gevalle niet de geheele actie moest zijn niet-ontvankelijk verklaard, zoo moet ik doen opmerken, dat, wanneer eene actie niet mag worden ingesteld, gelijk zij in deze is ingesteld geworden, zij allezins in haar geheel moet worden niet-ontvankelijk verklaard , omdat het aan den regter niet vrijstaat haar te splitsen en mitsdien eene keuze te doen, die alleen aan dengene toekomt, ten wiens opzigie de verbindtenis niet is nagekomen.

Het eerste middel van cassatie komt mij dus onaannemelijk voor.

Als tweede en laatste middel is aangevoerd: schending en verkeerde toepassing van de artt. 1302, 1303, 1349, 1374 en 1375 B. W., omdat, onafhankelijk zelfs van des eischers vordering in reconventie, de vordering in conventie niet-ontvankelijk had moeten zijn verklaard, op grond van beweerde wanpraes'tatie aan zijde des verweerders, vermits hij , die zelf in gebreke is het contract na te komen, de nakoming daarvan van zijne wederpartij niet kan vorderen.

Tegen den eisch in conventie waren door den eischer bij den judex facti twee middelen van niet-ontvankelijkheid opgeworpen. Het eerste was gegrond op de ontbinding der overeenkomst, uit te spreken op clen daartoe gedanen eisch in reconventie (cf. de zevende overweging quoad jus). Het tweede was hierop gegrond, dat de verweerder , na het hem door den eischer gegeven ontslag, nooit eene vorderiug tot nakoming der overeenkomst kan hebben, maar alleen eene vordering tot schadevergoeding, wanneer het ontslag onwettig gegeven was (cf. de achtste overweging quoad jus).

Alleen deze twee exceptiën van niet-ontvankelijkheid heeft de eischer bij den judex facti voorgesteld, geenszins die, welke een onderwerp van het tweede middel van cassatie uitmaakt. En daar nu het Hof niet geroepen was een middel van verdediging aan te vullen, hetwelk niet door de partij was voorgesteld, zoo kan de eischer zich niet bezwaard achten, dat het Hof dit middel van nietontvankelijkheid niet heeft uitgesproken en kan zich mitsdien op die exceptie in cassatie niet beroepen.

Daar nu ook dit middel in geene gunstige overweging kan worden genomen, zoo vermeen ik te moeten concluderen tot verwerping van den eisch tot cassatie, met veroordeeling van den eischer in de kos-ten en boetev^yan cassatie.

'v. . r

De Hooge Baad enz.,

Overwegende, dat de verweerder in cassatie , oerspron kei ijk eischer tegen den eischer m cassatie , toen ged., voor de Arrond.-Regtbank te Maastricht neeft ingesteld eene vordering tot betaling van salaris en diverse verschotten, hem zullende competeren krachtens eene tusschen beiden aangegane overeenkomst, en de uitvoering daaraan gegeven ; dat, hangende het proces daarover, de eischer in cassatie, toen ged., heeft gedaan eene reconventionnele vordering tot ontbonden-verklaring van de bedoelde overeenkomst en oin verder den eischer, verweerder in reconventie, te doen veroordeelen tot betaling van onderscheidene geldsommen, wegens aan den verweerder in reconventie op verschillende tijden in Japan, ter verkoop aldaar, toegezonden koopwaren, tenzij hij nog mogt verkiezen de bedoelde goederen in natura terug te geven binnen zekeren termijn ; subsidiair om den verweerder in reconventie te doen veroordeelen tot het doen van rekening en verantwoording over zijn beheer, gevoerd en gehouden over en van de bij hem door den eischer in reconventie geconsigneerde goederen ; tegen welken reconventionnelen eisch de verweerder i in cassatie, ook verweerder in reconventie, heeft geconcludeerd onder anderen en primario tot niet-ontvankelijk-verklaring van dien eisch, omdat te gelijker tijd werd gevorderd ontbinding en nakoming t der overeenkomst;

0., wat aangaat deze wederzijdsehe vorderingen , dat het Hof bij het aangevallen arrest, te niet doende het vonnis, waarvan appel, den geapp., oorspronkelijk ged. en eischer in reconventie , nu eischer in cassatie, heeft verklaard niet-ontvankelijk in zijne reconventionnele vordering, heeft verworpen de door den geapp. tegen den eisch in conventie opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid, en voorts den geapp. heeft veroordeeld om aan den app. te betalen de som van f 3070.43 , wegens salaris , door hem verdiend , met verdere interlocutoire uitspraak als bij het arrest is vermeld, en met ongegrond-verklaring van den app. in zijne overige, zoowel primaire als subsidiaire vorderingen , en met uitspraak over de kosten;

0., dat bij de memorie, ter griffie overgelegd , de tegenwoordige eischer zich tegen gemeld arrest heeft voorzien in cassatie, met uitzondering echter van dat gedeelte van het dispositief, hetwelk luidt: » Verklaart den app. ongegrond in zijne overige zoowel primaire als | subsidiaire vorderingen ; ■>

\ dat voorts bij die memorie zijn voorgesteld twee middelen van 1 cassatie , waarvan het eerste is gerigt tegen de niet-ontvankelijk-verklaring van den eischer in zijne reconventionnele vorderingen, en bij het tweede wordt beweerd, dat de verweerder, op de gronden , voor den eisch in reconventie aangevoerd, in allen gevalle had moeten zijn niet-ontvankelijk verklaard in zijn eisch in conventie;

Wat nu betreft het eerste middel van cassatie schending en ver-

(1) Te vinden in de Nederl. Regtspr., deel 47, bl. 313 en volg., en bij v. d. Honert , Verz. v. Arr., afd. Burg. Regt, deel 18, bl. 414 en volg.

(2) Te vinden in de Nederl. Regtspr., deel 49 , bl. 63 en volg., en bij v. d. Honert, Verz. v. Arr., afd. Burg. Reqt, deel 19 bl. 373 en volg.

keerde toepassing der artt. 1302 en 1303 B. W., omdat, aangenomen al, dat door den eischer bij zijne reconventionnele vordering is gevraagd zoowel ontbinding der overeenkomst als hare gedeeltelijke nakoming, dan nog : 1". hare niet-ontvankelijk-verklaring zoude zijn in strijd met de aangehaalde artikelen , als daarbij niet verboden ; 2 . bij die artikelen niet zoude zijn verboden, te gelijk met de ontbinding voor het vervolg uit hoofde van wanpraestatie, te vorderen betaling van het reeds vóór de ontbinding, ja zelfs vóór de wanpraestatie , verschuldigde; en 3Ü. in allen gevalle zoodanig verbod niet zoude medebrengen de niet-ontvankelijkheid der geheele vordering ;

O., dat de grond in regten, door het Hof voor de uitgesproken niet-ontvankelijkheid van den eisch in reconventie, waarop dit middel betrekking heeft, aangevoerd, deze is: «dat eene vordering tot ont binding eener overeenkomst, en tevens tot betaling van gelden , krachtens die overeenkomst opgetrokken wegens goederen, ter nakoraln®,.^er overeenkomst door de wederpartij verkocht, inhoudt te gelijk eenen eisch tot ontbinding, en tot nakoming: der overeenkomst ; »

O., dat mitsdien de aangevallen beslissing van het Hof in de meest algemeene termen uitsluit de bevoegdheid om eisch te doen tot ontbinding, en te gelijk tot betaling van gelden, die uit kracht der overeenkomst, waarvan de ontbinding wordt gevorderd, vóór het uitspreken der ontbinding zijn verschuldigd geworden;

0., dat zeer zeker, naar art. 1303 B. W., degeen, ten wiens opzigte de verbindtenis niet is nagekomen, geene andere keus heeft dan om bf de andere partij , indien zulks mogelijk is , tot de nakoming dei overeenkomst te noodzaken, bf hare ontbinding te vorderen ; maar dat die bepaling niet medebrengt, dat, bijaldien ontbinding wordt gekozen, degeen, die de verbindtenis niet heeft nagekomen, van alle vroeger uit kracht der overeenkomst ontstane verpligtingeii zou zijn ontslagen;

0. toch , dat , al moge bij vele contracten voldoening aan vooraf ontstane verpligtingen in cas van ontbinding niet behoeven in aanmerking te komen , bij vele andere de zaken niet door de werking der ontbinding alleen zijn te brengen in den toestand, alsof er geene overeenkomst had bestaan, maar daarentegen eene reeks van handelingen zal hebben plaats gehad, uit welke , onafhankelijk van de ontbinding voor liet vervolg, verpligtingen kunnen zijn ontstaan, waaromtrent met eenvoudig kan worden geoordeeld, dat die alle zijn uitgewischt, zonder dat daardoor in hooge mate reeds verkregen regten zouden worden benadeeld;

O. voorts, dat, al mogt ook, des neen, de bepaling van art. 1303 B. W. in geheel anderen zin moeten worden opgevat, des dat hetgeen vóór de ontbinding zou zijn verschuldigd geworden , en onvoldaan is gebleven, onder de schadevergoeding, die een gevolg van ontbinding is, zou moeten worden begrepen, dan nog de toevoeging, als in casu, van eene bijkomende vordering tot voldoening van reeds geboren verpligtingen , de vordering tot ontbinding, die de hoofdvordering is, daarom niet per se mede zou doen zijn niet-ontvankelijk • dat integendeel hoogstens in dat geval die bijkomende vordering' bij toewijzing der hoofdvordering, zou zijn te verklaren niet-ontvankelijk , als zullende daarvan de al of niet gegrondheid eerst zijn te onderzoeken bij het opmaken der schade, die ten gevolge der ontbinding, èn wat het verledene èn wat de toekomst aangaat, zou mogen zijn of worden geleden, maar niet de vordering, die is ingesteld, zoo als hier heeft plaats gevonden, in haar geheel;

!>., dat ten gevolge van een en ander het eerste middel van cassatie in meer dan ée'n opzigt is gegrond, en reeds hierom het arrest moet worden vernietigd ; dat derhalve niet behoeft te worden onderzocht , of dat eerste middel nog in andere opzigten , cn of ook het tweede middel moge zijn gegrond;

Gezien art. 105 R. O. ;

En uit kracht daarvan ten principale regt doende op het bestaande hooger beroep,

Vernietigt bet aangevallen arrest van het Prov. Geregtshof in Limburg van den 17 Sept. 1866, in deze zaak gewezen, voor zoover daartegen in voege voormeïd is in cassatie gekomen ;

Verwerpt het tegen den geapp., nu eischer, in cassatie aangevoerde middel van niet-ontvankelijkheid;

Voorts gezien art. 424 B. R.;

0., dat in deze de definitieve beslissing der hoofdzaak afhangt van daadzaken en regtspunten, welke bij de vroegere behandeling onopgelost zijn gelaten;

Wijst de zaak terug aan evengemeld Prov. Geregtshof, ten einde met in-acht-neming van deze uitspraak, de hoofdzaak vérder te behandelen en te beslissen;

Verwijst den verweerder in cassatie in de kosten , in cassatie ge-

de eind-uitspraak ■6CTSten a8Dl6g ^ h°°gei' bei'°ep geresel'™CTd

Beveelt de teruggave der geconsigneerde boete.

(Gepleit voor den eischer Mr. A. de Pinto , en voor den verweerder Mr. J. Kappeyne van de Coppello.)

Hamer van Strafzaken.

Zitting van den 8 Januarij I8C7.

Voorzitter, Jhr. Mr. B. van den Velden.

Motieven. — Veren.

Wordt, wanneer de regter bevindt, dat het voor bewezen aangenomen feit al de vereischten oplevert om het te qualificeren als daarstellende de overtreding, omschreven en met straf bedreigd bij de door hem toegepaste artikelen der strafwet, eene verdere motivering voor zijne uitspraak vereischt ? — Neen. »

Is het beweren, als zoude de verordening voor het beurtveer schen de gemeenten Uithuizen enz. en Groningen vcui Mei 185 7 alleen geschreven zijn voor de schuiten 'en barg?s , inJitt beurtveer varende, en hunne daartoe verjjunfting verkreqeft*hebbende schippers, in overeenstemming met dw.vèrorémnq ? — Neen. »..»

^ J -r-

J. R. Tuzee, schuitenvoerder te Uithuizen, irèsft zich in cassatie voorzien tegen een vonnis van het Kantorigerëgt te Onderdendam van den 18 Oct. 1866 , waarbij dj req. is schuldig verklaard aan liet ondernemen van de dienst vair het^ vaste beurtveer tusschen Uithuizen en Groningen, zonder #£ar toe, ver kregen vergunning van liet Bestuur der gemeente Gro/fingen en van eene der andere betrokken gemeenten , na, gedurende het laatste jaar, voor gelijke overtreding te z'yn veroordeeld; en te dier zake, met toepassing van art. 2, in verband met art. 1 en art. 26 van de verordening en het tarief der vracht!oonen voor het beurtveer tusschen de gemeenten Uithuizen enz. en Groningen, vastgesteld door den Raad der gemeente Uithuizen den 18 Mei 1857 , art. 163 der gemeentewet en art. 1 principio en al. 9 der wet van den 22 April 1864 (Stbl. n°. 29), veroordeeld tot betaling eener geldboete van ƒ12, in eene subsidiaire gevangenis-straf van zeven dagen en in de kosten van het geding.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Voorduin , heeft de adv.-gen. Karseboom de volgende conclusie genomen :

Sluiten