Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kon " P'aats "nden, wanneer hij als middel van bewijs in regten *°rden geproduceerd, terwijl bij het arrest implicite was uitge'y > dat hij nimmer als zoodanig had kunnen dienen;

bek,; °P llet een en ander, dat, volgens den zamenhang van het «w arrest' d2 bedoelde' Per Post overgebragte, brief j ten name | op een gewaanden notaris te Zutphen, moest dienen ten antwoord ten Cn a?n dien n°taris, ten behoeve van een crediteur der requiranfflen geilg.' verz°ek tot informatie betrekkelijk eene aan hen opgekoketalin» ï!^ °Eder Welk yoorgeven ZÜ van dien crediteur uitstel tot 4oor h® „d.den getracht te bekomen ; terwijl verder daaromtrent houd b h 1S overw°gen ' dat d®ze brief naar ziJnen vorm en indriften rt '6 worden gerangschikt onder de onderhandsche ge-

°nder ond *0! Wet ze^ve''n art' 1911 B. W., ook brieven rangschikt bedoelden e, . ndsche geschriften; en dat derhalve het Hof, door den Qoodig had'1"'6^ 8^S zoodal"g'e qualificeren, geene verdere motivering

onderhandel C'ü ar"' eu 'niet onderscheiden tusschen Van bewi' SC' Sesi-'hriften (écriture privée), die al dan niet als middel elk onriPJf ln regte" zouden kunnen dienen, waaruit volgt, dat in haar is 1 laudsch geschrift, welk ook, strafbare valschheid bestaan 611 dat rn-f'v s^echts de overige vereischten daartoe aanwezig zijn;

^ mitsdien geen dezer beide middelen is gegrond;

derzèlfri a' DOg a's derde middel is aangevoerd: verkeerde toepassing

0tndat h' artt' 150 en 151 J"'3' de artt' 147 en 164 ~P"' V00reerstJ 'en an 1 ^ aanwezig was het oogmerk om te benadeelen, en O i ^ ®venmin eenige benadeeling of zelfs mogelijkheid daarvan; heeft'arat eerste betreft, dat het Hof de gepleegde valschheid loo-enn .n?enomen als geschied met het bedriegelijk oogmerk om, op gèïoo»0 Ul®° V00]'£evens, den crediteur der beschuldigden te doen wee u aan eene eerlanS uit te betalen erfenis, en hem langs dien van ï , ,®weBen tot het verleenen van het van hem verlangde uitstel gaanrtf, ng', eü> Zat het andere ingaat, dat het Hof, teregt uitnaai- » an stelilng > dat nadeel niet behoeft te zijn een geldelijk, casu hifi1 Z00W • bestaa"baar is een moreel nadeel, dit laatste in «ideri n. geacbtj "Wanneer namelijk een crediteur, die

verechnk ^lp , 7" T ■regt t0t terugvordering van het hem bru k T" nalatigen debiteur zou hebben kunnen ge-

hem n ' daa^van teruggehouden wordt door voorgevens die

bem op een meer of minder verwijderd tijdstip het uitzigt op ceheele

S^"^od^™fde^^ ïït- {W* -

het logenachtige van den verzonnen brief niet dadelijk wareTntóekt'6?

0 , dat op deze feitelijke beslissingen in cassatie niet kan wolOen ^teruggekomen , en dat mitsdien ook dit middel niet is aannè-

Verwerpt enz.

PfiO VINCIALE HOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN NOORDHOLLAND. Burgerlijke hauier.

Zitting van den 27 December 1866.

Voorzitter, Mr. J. M. van Maanen.

Aassluiting der Rijn- en Hollandsche ijzeren-spoorweg-

STATIONS TE ROTTERDAM.

Overeenkomst van 16 Mei 1845, houdende verpligting der Neder landsche Rijn-spoorweg-maatschappij jegens den Staat der Nederlanden tot het daarstellen, voltooiden en in exploitatie brengen van eene vertakking, uitgaande van den Rijn-spoorweg nabij Rotterdam en leidende tot nabij het station van den Hollandschen ijzeren spoorweg aldaar.

Ontvankelijkheid en toewijzing der vordering tot nakoming der verbindtenis, met magtiging om, bij gebreke daarvan, die zelf te doen uitvoeren ten hoste der Rijn-spoorweg-maatschappij.

oor de verbindende kracht dier overeenkomst is het onverschillig,

°f het motiej nog bestaat en of het doel bereikt wordt.

ardive bereid-verklaring kan niet leiden tot afwijzing der daartoe ingestelde vordering.

De^N^eriandsche Rijn-spoorweg-maatschappij, appellante, procureur

tegen

^yan'e^s.116" NederIanden > geïntimeerde, procureur Mr. J. H.

(Zie het vonnis a quo in Weekbl. n°. 2753.)

Het Hof enz.,

'w Pr0C"g6n-Vn z«ne conclusie, daartoe strekkende, ®n den no Hoyermt°ge ,agen' h6t VOnnis a V» te vernietigen* karen i " eiScher'.nu ë^ïnt., niet-ontvankelijk te ver-

heWe instaan 6rmS' ^ Ver00rdeeling in de kosten der

tie eziianzi!n der feiten en gevoerde procedures ter eerster instangaa'nds Lg ïïgen ® aa" ®n alz0° overnemende hetgeen dienaan°P 22 N ? c " m het VOmus' door de Al'rond--Regtbank alhier daarin uitZni!'1 tusschen partijen gewezen, waarbij, op de gronden, v«n acte is of ' ^an partiJen acte IS verleend van datgene, waarpen en de p-piIIIi' de excePtie van niet-ontvankelijkheid verworde bepalinrren = ®maatsehappij veroordeeld is om, overeenkomstig 1845 gemaakt', daai0"^^ n'"-' de overeenkomst van den 16 Mei brengen eene vertakkin ! te voltooijen en in exploitatie te

ter dam en leidendetot n

, uitgaande van haren spoorweg nabij Rotspoorvveg aldaar; daarmeripJ 0let stat'on van den Hullandschen ijzeren dagen na de beteekening Van 6frf aanvang te maken binnen veertien geld voort te gaan , te dien effectJ0","is' en verder daarmede gereW den tijd van drie jaren voldaanaan de Seheele verbindtenis bij gebreke van de gedaagde maatse{' ™.et magtiging op den eischer, te voldoen , alsdan zelf de daartoe stfS °m aau het een of ander uitvoeren, of de uitvoering daarvan te d™ ,verbilldtenis te doen gedaagde maatschappij , alles met hare vo'tooijen ten koste der osten ; en veroordeeling i„ de proces.

Overwegende wijders, dat de ged. van gemehl , •

eroep gekonien is, en bij memorie van grieven m.s in hooger wingeii omtrent de ontvankelijkheid der vorderino- trpfrSJi in beschou«angaande opgemerkt heeft, dat dezelve strekte - °a tnt 's en dien" 4 tot verkrijg,ng eener magtiging; ' vero°rdeeling,

dJ!-, a • dat de eisch niet-ontvankelijk is, omdat de gevraag» u

-rd::,bTaldzTen,niet in de magt van de

ad 6 ln hreede uiteengezet wordt; '

onbépaa'ld^l a'S strafbePaling op de niet uitvoering van iets geheel °°k de Jn onn^ogef'jkstle vordering zelve onbestaanbaar is, terwiil der verbindtenis in casu een persoonlijk handelen van

den verbondene eischt of onderstelt, zoo als nader door de appellante betoogd wordt;

dat, wat het fond der zaak betreft, zij geprocedeerd heeft:

a. dat de maatschappij alles gedaan heeft, wat in hare magt was om de verbindtenis van 16 Mei 1845 uit te voeren, door op i5 Oct. daaraanvolgende aan de Regering een voorstel en beschrijving van den ontworpen weg aan te bieden;

b. dat oorzaak en doel der verbindtenis vervallen is; dat uit de stukken blijkt, dat de Staat thans de uitvoering eischt van een geheel ander plan dan oorspronkelijk bedoeld werd;

c. dat, ten gevolge der veranderde omstandigheden, de oorspronkelijk beraamde uitvoering niet meer mogelijk is, zoo als het een en ander door de appellante in het breede uiteengezet wordt; dat, niettegenstaande zij de ontvankelijkheid en gegrondheid der actie betwistte, zij aangeboden heeft de quaeatleuse vertakking te maken op twee voorwaarden, waarvan de Regering vooraf met der daad de billijkheid erkend had; dat, ingevolge art. 31 der concessie, die voorwaarden als een regt der appellante erkend hadden moeten worden ; dat nu evenwel sedert lang hetzelfde aanbod onvoorwaardelijk gedaan is, en derhalve over de juistheid van dit deel der oorspronkelijke conclusie van antwoord niet uitgeweid behoeft te worden; concluderende zij appellante op alle deze gronden, dat het Hof, met vernietiging van het vonnis a quo, den geïnt. zal verklaren nietontvankelijk in zijne gedane vordering, immers hem die ontzeggen zal, met des geïntimeerde^ veroordeeling in de kosten der beide instantiën;

dat de geïnt. bij memorie van antwoord, zoowel de ontvankelijkheid als de gegrondheid der vordering, met wederlegging van hetgeen daartegen door de appellante aangevoerd is , in het breede betoogd, en onder anderen opgemerkt heeft: dat hij geïnt. het door de appellante conditionneel en geclausuleerd gedaan aanbod niet behoeft aan te nemen; dat, indien dat aanbod sedert onvoorwaardelijk gedaan is, dan toch de eisch met toestemming van de appellante toegewezen zou moeten worden, terwijl er alleen over de veroordeeling in de kosten verschil zou kunnen ontstaan, als het aanbod in 18G0 gedaan was; daar zulks echter nog niet het geval is en het ook nu nog verdrongen wordt door allerlei daarmede strijdige tegenspraken , het zelfs op de kosten van geen invloed kan zijn ; concluderende de geïnt. aizoo tot bekrachtiging van het vonnis a quo, met veroordeeling van de appellante in de kosten van het appel;

O. in regten, ten aanzien der voorgestelde niet-ontvankelijkheid op grond van het onbepaalde der vordering, dat die vordering, zoo als teregt bij het vonnis a quo aangemerkt is, tot niets anders strekt dan tot datgene, waartoe de app. zich bij de overeenkomst van 16 Mei 1845, w*aarvan de inhoud tusschen partijen in confesso is , verbonden heeft, namelijk om eenen spoorweg te maken, waarvan het uitgangspunt en het einde (van nabij Rotterdam tot nabij het station van den Hollandschen spoorweg) bepaald is; terwijl de beslissing omtrent de rigting tusschen die twee punten aan de Regering is voorbenouden; dat dat werk dus nooit kan gezegd worden eene onbepaalde zaak te zijn, en dat, wel verre dat uit dien hoofde de onbestaanbaarheid der gemelde overeenkomst immer beweerd is of althans beweerd wordt, de appellante juist op die overeenkomst hare verwering gegrond heeft;

0. aangaande het beweren der appellante, dat de gevraagde handelingen niet in hare magt zouden staan , dat het niet betwist is zoo als de appellante zelve in hare memorie van grieven opmerkt' dat het ontwerpen en voordragen van een plan voor het werk van haar appellante moet uitgaan, terwijl, blijkens art. 10 der concessie de rigting en afmeting van den weg door den minister van Binnenlandsche Zaken vastgesteld moet worden; dat nu wel in 1845 zoodanig plan door de appellante aan gemelden minister is ingediend maar dat plan, op speciaal verzoek van de appellante, als een punt van nader overleg voorbehouden is, waaromtrent van het Hoofdbestuur van de maatschappij nadere voorstellen te gemoet eezien ddrd2e8 "T1Ve,Yan den1rai»ister van Binnenlandsche Zaken

arfVo der 4^

aan de goedkeuring van hem minister te onderwerpen bed°eIden WeS

O., dat nu wel blijkt, dat later V '.

maatschappij aan de verschillende bij de zaak bet^k^auttóeiten ingeleverd, gewijzigd en weder teruggenomen zijn, doelt ne S tot dusver aan de Regering een plan ingediend is, om daaron ham beslissing te verkrijgen, zoo als de geïnt. teregt opgernerkt heef?

0., dat uit a het bovengemelde resulteert, dat, vermits de apne'1 lante, na de mievering vau haar eerste plan in 1845 (sedert door partijen als non avenu beschouwd) , nimmer eenig nader plan aan meergemelden minister heeft ingezonden, het beweren van de appellante , dat, zij met het daarstellen van den weg geen aanvano- mag maken, zoolang de Regering het plan van het werk niet vastgesteld heeft, op zich zelf waar is, maar in haren mond al zeer zonderling klinkt daar zij, ten gevolge van het tot dusver niet-indienen van eon nader plan, de eerste daad van aanvang harerzijds om tot de uitvoering der verbindtenis te geraken, den miniem, • <. uv

gesteld heeft om het traee' van de bewuste snor . w» '"u 1" ' te stellen, en zij zelve dus oorzaak is, dat %Zef'Z ^ aanvang gemaakt heeft of heeft kunnen maken d ï ^ u g6ea met den geest der concessie, noch met de at^v n°Ch daarvan, blijkens het bovengemelde, strookt dit ,iJ r"™ paitlje" deze het initiatief zoude nemen; dat nu, wel 'is waar d g®ri"s. ten de gevraagde magtiging ca» quo strekt, maar dat zulks hetVevX is, dat de maatschappij tot dusver in gebreke gebleven i« g g hare verpligtingen te voldoen; aan

O. omtrent het beweren der appellante, dat de gevraao-l» m„r, tigmg op den geïnt. onbestaanbaar zoude zijn, dat zuJks op goeaè gronden in het vonnis a quo, waarmede het Hof zich v wederlegd is, daar het toch hier niet zoodanige verbindtenisTeidt die men alleen met het oog op den verbondene en op de ten- 'rvoerlegging, door dezen alleen aangegaan, heeft;

0., dat uit dit alles volgt, dat de door de appellante voorgestelde gronden van niet-ontvankelijkheid ongegrond zijn;

0. ten aanzien van de zaak ten principale, dat het beweren der appellante, dat zij ailes gedaan heeft om de verbindtenis van 16-Mei 1845 ten uitvoer te brengen, door al het bovengemelde bepaald wedersproken wordt;

0., dat wijders door de appellante gesustineerd is , dat oorzaak en doel der verbindtenis vervallen zouden zijn, maar dat, behalve dat de geïnt. zulks ontkent, deze nog teregt aangemerkt heeft, dat voor de verbindende kracht eener overeenkomst het onverschillig is, of het motief nog bestaat en of het doel bereikt wordt; terwijl hetgeen door de appellante als grond van verwering in het midden gebragt is omtrent de spoorwegwijdte op de Hollandsche en Rijnspoorwegen , op goede gronden door den eersten regter wederlegd is •

0., dat het beroep van appellante op de veranderde omstandigheden haar geenszins in casu te stade kan komen, zoo als in het vonnis a quo zeer juist uiteengezet is, terwijl dienaangaande nog door den geïnt. teregt is opgemerkt, dat, zoo de schuld der ver" traging bij de appellante ligt, het dan tot hare verpligtingen niets aidoet, of die vertraging htiar nadeelig is geweest;

O. eindelijk, dat, terwijl vroeger in dit geding een voorwaardeliik thans, zoo als de appellante zegt, een%nvforwaaX^ aanbod

gedaan is , daaruit dan zou volgen , gelijk de geïnt. teregt opmerkt, niet eene afwijzing, maar de toewijzing der vordering, en dat wel met toestemming van de appellante, vermits al hetgeen deze aangevoerd heeft, ten einde van hare diligentie in casu te doen blijken , daargelaten het ongegronde daarvan, in alle gevallen posterieur is aan het exploit van 30 Mei 1860 , waarbij de appellante in mora gesteld is , en dus nimmer ten gevolge kan hebben , dat die in morastelling als niet geschied beschouwd zoude moeten worden;

Gezien art. 1277 B. W., en art. 56 B. R.;

Verwerpt de door de appellante voorgestelde gronden van nietontvankelijkheid der vordering;

En zich overigens geheel en al vereenigende met het vonnis, dooide Arrond.-Regtbank alhier op 22 Nov. 1865 tusschen partijen gewezen,

Bekrachtigt datzelve vonnis ;

Veroordeelt de appellante in de kosten van het hooger beroep.

(Gepleit voor de appellante Mr. A. Philips , en voor den geïntimeerde Mr. M. J. Pijnappel.)

aurofdissements-eegtbanken.

ARROStniSSEMENTS-regtbank TE AMSTERDAM.

Tweede kamer.

Zitting van den 23 Januarij 1867.

Voorzitter, Mr. A. E. Penning.

Faillissement. — Waschgoederen. — Jaarloon.

Retentie-eegt. — Curator. — Verificatie.

Renvooi. — Reconventie.

Een bleeker, die eene overeenkomst heeft aangegaan om, voor eene by het jaar bepaalde som, de gebruikte goederen te wasschen en te bleeken, heeft regt, bij faillissement van den mede-contractant op het loon voor een vol jaar, hoewel hein slechts gedurende het eerste gedeelte van een jaar goederen zijn toegezonden. De curator heeft het regt om in plaats van den failliet de goederen ter bewassching toe te zenden en is daartoe veeltijds verphgt ten einde tot eene behoorlijke vereffeninq des boedels te geraken.

De curator kan in een geding tot verificatie, door den regter-commissaris aangebragt, eene reconventionnele vordering instellen, t i'cgt van retentie houdt niet op bij faillissement van den debiteur; het strekt zich niet verder uit dan over de kosten en arbeidsloonen voor het goed, dat men ter bearbeiding qekreqen en behouden heeft, en vindt, niet meer plaats, wanneer eens die goederen zijn afgegeven.

J. van der Horst en Zoon, requiranten in cas van verificatie crocureur J. G. kuhn, ' ^

tegen

JhF Er'DAMME0RSh KemPer ^ CUrat°r' gere1u!reerde • Procureur De Regtbank enz.,

Gelet op het rapport van den heer regter-commissarisGelet op de conclusie van den heer subst.-officier van justitie, Mr. M. J. van Lennep hiertoe strekkende: dat het der Regtbank behage te bevelen, dat de requiranten alsnog zullen worden toegelaten op de lijst der erkende crediteuren in het faillissement van S v S tot een bedrag van f 170, onverminderd hun regt van retentie' op de onder hen berustende wasch des gefailleerden tot de volle voldoening van de kosten en de arbeidsloonen, daaraan in den loop van 1866 besteed, met ontzegging van hunnen verderen eisch; voorts den gereq. ontvankelijk te verklaren in diens reconventionnele vordering doch hem die te ontzeggen, met verwijzing van den gereq. qq. in de kosten van het regtsgeding;

Overwegende in facto :

dat de requiranten bij de verificatie der schulden in het faillissement van S. v. S. hebben verlangd toegelaten te worden voor de

sora vau J .f,43'01 • nit hoofJ° van eene overeenkomst, met dezen voor zijn faillissement aangegaan, dat zii voor hem en ,; „ i, • al het gebruikte huishoudelijk goed zouden walhl f waartegen hij hun zou betalen f 170 pl L 'V" bleeUJ' eeukomst van 1 Jan. tot uit". Dec van l'fl ? f® 0VW"

gevorderd wordt voor wasch- en bleekCn otr%fj^5T

eprste maanden v„r, ,i„» - • J 1866 slecbts voor de twee wasch- en bleekloon ad ^28.33; aangeboden te verifiëren voor het

dat de requiranten dat aanbod strijdig achten met de overeenkomst en ten nadeele van hun regt van retentie op de wasch, die nog in hunne handen is, en hebben geconcludeerd om alsnog te worden geadmitteerd en als erkende crediteuren op de lijst in gezegd faillissement te worden gebragt tot en voor de som van f 170 voor het "wasschen en bleeken in het jaar 1866, onder aanbod van zekerheid te stellen voor de voldoening aan hunne verpligtingen , onverminderd hun regt van retentie;

dat de gereq. bij antwoord de overeenkomst heeft erkend en gezegd , dat hij de requiranten heeft toegelaten als crediteuren voor de som van f 170 voor het jaar 18C5 en f 3.01 voor verschoten gelden, doch voor 1866 hen heeft willen toelaten voor de nrtanden ; Januarij en Februarïj ad f 28.33, hetwelk hij , met biivoegins van ean gedeelte der maand Maart, wil brengen tot /' 38 • dat hii dit

voldoende acht, omdat het loon alleen verschuldigd is voor war kelijk gepraesteerde diensten en de staat van faillissement zoowel den gefailleerde als den curator belet aan de overeenkomst te voldoen; dat derha ve de som van f 170 als loon voor het jaar 1866 niet verschuldigd is; J 4

nJr' 'beVfr- ^ regt Van retentie v00r ^t verschuldigde over 1865 heeft betwist en geconcludeerd tot admissie van de re

quiranten alsnog voor een bedrag van f 28.33 of hoogstens van "meerderen°eisch; ^ 1866 -t ontzegging van hun

ter™lre<1' TrtS e6n eisdl in ^conventie heeft ingesteld tot rl»T waschgoeaeren, nog in het bezit der requiranten ;

•• , - , re1jtiranten bij repliek de opmerking hebben gemaakt, dat verbonden hebben al datgene te wasschen en te bleeken, e v' ^lun zou gelieven te zenden, zoodat het van dezen ge eel afhankelijk was, of en, zoo ja, hoeveel werk zij hadden te praesteren ;

dat zij, inet betrekking tot den eisch in reconventie, zeggen, dat de bijzondere wijze van procederen bij renvooi van den heer regtercommissaris het instellen van zoodanige vordering verbiedt; dat alle quaestiën , waarvoor partijen niet gerenvoyeerd zijn, buiten beslissing moeten blijven; dat bovendien die eisch is ongegrond; dat de | requiranten hebben gepersisteerd bij hun eisch, concluderende tot niet; ontvankeüjk-verklaring of ontzegging van den eisch ia reconventie -}

Sluiten