Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Donderdag, 26 September 4867. N°.

WEEKBLAD VAN HET REGT. ^

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

NEGEN. EN-T WIN TIGS TM JAARGANG.

JUS ET VERITAS.

T)it blad verschijnt geregeld twee malen per week. Prijseer jaargang f 20 ; voor de buitensteden, franco per post, met f 1.20 verhooging. — Prijs dsr advertentiën, zonder zegel/regt, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., behalve van HU. gewone correspondenten, franco.

PROVINCIALE HOYEN.

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN ZEELAND.

Hurgerlijke kBinei.

Zitting van den 28 Mei 1867.

Voorzitter, Mr. C. W. E. Vaillant.

Heeft het novaal tiendregt in Zeeland toegekomen aan den Graaf als decimator universalis, en is dat regt overgegaan op het tegenwoordige Staatsdomein? ■— Neen.

Het Bestuur der Domeinen , uitgeoefend wordende door den minister

van Finantiën , appellant, procureur P. Rekker ,

tegen

de gezamenlijke ambaclitsheeren of eigenaren der heerlijkheid van

Oud-Vossemeer en Vrijberghe, als zijnde tevens eigenaar van den

Hollare-polder, geïntimeerden, procureur P. de Maret Tak.

Ter openbare teregtzitting van 26 Maart 1867 heeft de proc.-gen., Mr. Verbrugge , in deze genomen de volgende conclusie:

Edel Groot Achtbare Heeren !

Wanneer ik heden het woord tot u voer in eene zóó gewigtige aangelegenheid, dan wensch ik, dat gij u overtuigd houden moogt, dat ik niet dan na rijp beraad en grondig onderzoek een gevoelen uitspreek , dat uit den aard der zaak aan andersdenkenden minder gevallig wezen moet, maar dat ik naar mijn beste weten en met waarheidsliefde alleen voor regt houde, omdat ik evenmin wensch te buigen voor de eene of andere der belanghebbende partijen, met welke beide wij te vaak in aanraking zijn , om uit beiievendheid eene andere meening te uiten dan die, welke het besluit is van eene gezette betrachting der in deze zaak behandelde vraagstukken.

Wat ten jare 1856 bij wege van sommatie en opgevolgde dagvaard tegen de nu geïntimeerden vruchteloos was beproefd , om reden , dat niet dit nu appellerend Bestuur, maar de toenmalige administrateur van het Kroondomein , destijds alleen geregtigd was te doen , werd door den nu app. andermaal ondernomen, toen hij, bij sommatie van 29 Maart 1864 , de nu geïntimeerden sommeren liet om hunne gehoudenheid tot het opleveren van tienden van den nieuwlings ingedijkten Hollare-polder gestand te doen, op voet en wijze, daarbij omschreven.

De geïntimeerden hebben daarop den 11 April van dat jaar een protest daartegen gedaan, doch tevens behoudens alle reserven een aanbod, voor wat de onder de Vossemeersche heerlijkheid ressorterende gronden betreft, en beweerd , dat zij in dit geval voor die in het Vrijbergsche gelegene niets verschuldigd waren. Daar dit aanbod niet werd aangenomen, volgde op 9 Junij 1864 eene dagvaard, welke den grondslag van dit proces uitmaakt, tot erkenning van het regt van tiendheffing der tiendbare vruchten in den Hollare-polder, en veroordeeling tot vergoeding van de sedert 1843 wederregtelijk ingehaalde tiendvruchten (sedert de indijking).

Die vordering werd bestreden, op grond :

dat het als algemeen beginsel vooropgestelde, dat het novaal tiendregt aan het Domeinbestuur van den Staat toebehoorde, niet werd erkend, als afgeschaft bij art. 25 der Staatsregeling in 1798 en sedert niet hersteld, zoodat de bewijslast der tiendpligtigheid berustte bij den eiseher; en voorts subsidiair, dat de gronden waren verkregen titulo oneroso en waren gekocht, zoodat de aanwassen hun niet waren aangekomen als ambachtsgevolg, maar als grond-eigenaren, met de tienden; bewerende, dat zij , ofschoon door de Grafelijkheid niet bewoeijelijkt, om processen voor te komen over die vorderingen met de geestelijkheid, bepaaldelijk de kerk en het capittel van Tholen, accoord hadden gesloten op 12 Junij 1500 , tot betaling waarvan zich hadden verbonden van het gestipuleerde , en 't welk door hen 'ïvns afgekocht in 1806; dat in elk geval de aanwassen in Zeeland behoorden aan de ambachtslieeren , ofschoon daarmede niet verlij t, terwijl overigens omtrent het niet-bestaan der aanwassen , waarvan het tiendregt alsnu gevorderd werd, bij pleidooi eerst als feit werd gesteld, dat die ten jare 1798 nog niet in wezen waren en dus vrij

' oporengst van novale tienden.

Dit als niet wedersproken voor de Kegtbank te Zierikzee gesteld •eit werd door dat regtscollegie bij zijn vonnis van 12 Sept. 1865 aangenomen tot grondslag van uitspraak, waarbij de app. in het van618 Nov isr^6^ Van daar het "gesteld hooger beroep bij acte zwaren dd. '12 Dec' ^tnwe^ d?or «ene beteekende memorie van beeerst op 5 Sept. van het voUefde'il? b achtervolSd > doch waarop In de teregtzittingen van ïet HoTdd 9^ o°7 pT Ïi ° h»™ zaak breedvoerig bepleit, en is het miin'nW 1 -l' ■ 'S in deze mede te deelen. Jn pllSl alsnu miJne zienswijze

. Bij het uiteenzetten der gronden voor mijn gevoelen hoon ik niet "! zóó breedvoerige betoogen te moeten treden, omdat ik eensdeels met i„ herhaling van gesprokene zaken wensch te treden en ten andere, omdat ik veel daarvan overbodig acht. '

Wat de uitspraak des eersten regters betreft, valt niet veel te '■eggen ; partijen zijn het eens, dat do motieven in jure niet houdbaar zlJn. Het komt mij voor, dat de eerste regter gehouden was zijne uitspraak te rigten op het beschrevene in de dingtalen, en dat hij geen vonnis mogt slaan op een daarin niet aangevoerd feit, hetwelk Jij pleidooi aangevoerd, geene wederspraak zelfs behoefde. Maar behalve dat, houdt die uitspraak eene bepaalde miskenning in van et beginsel, waarop het novaal tiendregt steunt, want het is een 'egt, dat eerst in werking komt, wanneer niet bestaande gronden voor het eerst in staat van cultuur gebragt worden; en dus zou ie« èf moeten aannemen, dat het novaal tiendregt altijd slechts

kon beperkt^ zijn tot gronden, bestaande bij het ontstaan van dat regt, dus van vóór eeuwen, of wel dat, ten tijde der uitgifte van den grond, ook de aanwas reeds in wezen was (1).

Dit nu is in bepaalden strijd met hetgeen Hort leert, Domeinen van Hollandt, d. X, a. 53, 54 en 41, fol. 719, als hij zegt: «Nieuwe tienden moetende geconsidereerd worden tarnquam res de novo emergentes et existentes, en vóór derzelver existentie verstaan werden sine speciali nota mede uitgegeven te zijn ; waar sprake is van nieuwe op te komen gronden. Hieruit volgt immers, dat het al dan niet lateiontstaan van gronden buiten invloed is op het regt van novaal tiendheffing zelf, omdat dat regt berustte bij den Souverein, en alleen de uitoefening van dat onverjaarbaar regt afhankelijk was of van het ontstaan of van het in cultuur brengen van tot daartoe niet bebouwde gronden (2).

Ik zeide dddr van het bij den Souverein berustend regt van novaal tiendheffing.

Heb ik daarmede beslist het hier zóó in het breede besprokene vraagstuk , of het tiendregt afkomstig is van de Vorsten dan wel van de geestelijkheid ? Dit zij verre.

Ik beschouw wel dat geheele betoog over den oorsprong van het tiendregt en bij wien het berustte, als een zeer belangrijk, als een zuiver wetenschappelijk en geschiedkundig vraagpunt, maar bij de beslissing dezer zaak acht ik het overbodig.

Het is niet miskenning of vermetelheid, die mij daartoe leidt, maar de feiten, dat (men zal zich bij de inzage der daartoe betrekkelijke bescheiden er van kunnen overtuigen) de Staten-Generaal der Vereenigde Nederlanden bij liet Munstersch vredestractaat zich de souvereiniteit dezer landen hebben verzekerd, zoo als die waren onder Philips II (art. 3), Groot Placaatboek, 1ste deel, fol. 79;

dat zij reeds bij placaat van 3 Jan. 1630 , dus vóór den vrede, het gezag over de inning, zoo der geestelijke als der landstiendregten hebben uitgeoefend, en zich daarbij als Souverein en eigenaars dier tienden hebben gedragen, zoo als zij dat bij het placaat var: 27 Nov. 1640 (Groot placaatboek, 2do deel. fol. 2622) eveneens hebben gedaan , bevelende: Ende dat de Raad ten behoeve van 's Lands do mein, na verloop van de voorzeide tien jaren van vrijheid, zal geregtigd zijn van dezelve Nieuwe landen te hebben en te heffen de novale tienden , voortaan altijd in het toekomende, idem 2de deel, fol. 2655;

dat zij bij placaat van 27 Mei 1661 omtrent het benificiëren met tienden bepalingen hebben gemaakt, alsmede omtrent het verzwijgen van schuldpligtigheid van renten, tienden enz., waaromtrent ook nog bij placaat van 18/24 Julij 1742, onder herinnering aan het gestelde bij placaat van 11 Eebr. 1688, bepaaldelijk ook omtrent geestelijke tienden, in oorsprong of doel nadere bepalingen door gezegde StatenGeneraal werden gegeven, idem 7de deel, fol. 1509.

Bij dat vroeger herinnerd tractaat van den 30 Jan. 1648, te Munster gesloten, werd ook Zeeland mede onder de Vereenigde Nederlanden vertegenwoordigd, en deelde dit gewest in al de stipulatiën van dat verdrag. Als dus hier of daar gezegd wordt, dat «wat in Holland regt is, geldt in Zeeland niet,» dan betreft dat bijzonderheden, afwijkende van het gemeene regt, die bewezen moeten worden door wie ze inroept (3).

Door die uitoefening van tiendregt, ook van novaal tiendregt, dooide Staten-Generaal dezer landen als opvolgers van den voormaligen Souverein, als eigenaren van den bodem, wordt het geheel overtollig een onderzoek te doen naar den aard van het novaal tiendregt, want dat is door die placaten regtens feitelijk uitgemaakt. Nu heeft wel art. 25 der Staatsregeling van 1798 zekere regten afgeschaft, maar daarentegen die regten, welke als vruchten van den eigendom moeten beschouwd worden, gehandhaafd en wel tegen eene bij de wet vast te «tellen wijze van afkoop, welke wet nooit is tot stand gekomen en waardoor dus niet is afgeschaft het novaal tiendregt, dat eene vrucht van den eigendom is en waarvan de reserve niet behoefde bepaaldelijk te zijn uitgedrukt, zoo als alle schrijvers over tiendregt eens zijn (4).

De wetgeving van het Koningrijk Holland heeft ze evenmin afgeschaft als de Fransche, en dat de Nederlandsclie van 1838 ze evenmin heeft afgeschaft, maar in statu quo gelaten, is buiten kijf.

(1) Zoo zegt ook Merlin, Rep., voce dixieme, n". 2 tome 8 n 248: «Les dixmes novales sont celles que 1'on percoit sur'ïes terres de'frichées depuis quarante ans, et qui de temps imme'morial navaient pomt e'té cultivées, 011 11'avaient point porte's des fruits suiets k la dixme. J

(2) NB. alleen dan veijaarbaar, wanneer binnen het tijdsverloop van dertig jaren sedert den geboortedag (waarop de uitoefening van dat regt mogelijk werd) , zijn voorbijgegaan, zonder dat regt te hebben doen gelden.

(3) Hier wordt gedoeld op het heffen van tienden door ambachtsheeren , 't geen in Holland verboden was, doch in Zeeland toch werd uitgeoefend. Ermbrins Vossemeer etc., p. 83 ; de Groot, II. li.t § 3 bladz. 193 in de noot.

(4) Dit is overeenkomstig met de Fransche wetgeving, ook in de wet van 17 Julij 1793, waaromtrent Merlin., 11. n°. 3, tome 8, p. 248 in fine zegt: «Mais si elles n'e'taient inféodées que de leur proprie'taire a son suserain, si elles ne formaient dans la maiii du premier nu'un fief passif, si du premier an redevables elles ne formaient aue

des prestations foncières, elles sont mamtenues, même par la loi du .17 Juillet 1793.»

In het decreet omtrent Holland (organique de la Hollande) les dixmes continueront d'être peryues conformément aux lois existantes

jusqu a leur racliat.

Geheel Zeeland (wat de eilanden betreft, later afzonderlijk uitma.

kende het département des Bouchesde TEscaut), decreet van 15 Mei 1810, behoorde aanvankelijk tot het dép. des deux Nethes , decreet van

18 April 1810, en was onder de Fransche wetten gebragt, due onder de wet van 1793.

Gij kunt, Edel Groot Achtbare Heeren, uit dit een en ander zien, dat onze vaderlandsche regering, worstelende voor vrijheid van regt en van godsdienst, toeh de banden niet slaakte van bestaande regten, door de handhaving ten behoeve van 's lands domein van het bestaand tiendregt; dat het de geestelijkheid, die zich aanmatigde tienden voor zich te heffen, dit verboden en de opbrengst zelve heeft geregeld; dat ook reeds toen schuldpligtigen verzwegen of vertraagden op te brengen wat zij moesten, en dat, wat nu gezegd wordt dat in de negentiende eeuw niet meer behoorde te bestaan, bij een even vrijzinnig Bestuur der landen in de zeventiende, pligt werd geacht te handhaven.

Wanneer het nu regtens niet opgaat te willen onderzoeken, om daarvan de uitoefening van het novaal tiendregt afhankelijk te stellen, of de landen, waarvan de novale tienden gevorderd worden, al dan niet

voor 1798 in wezen waren, en het niets ter zake afdoet, van welken

oorsprong het heffen van tienden als regt is ontstaan , omdat blijkt, dat 's Lands Hooge Regering, van af de vestiging der Republiek der Vereenigde Nederlanden, dat regt zelve heeft uitgeoefend als een den lande toekomend regt, dat dit regt sedert dien tijd onwankelbaar heeft vastgestaan en door het hoogste regterlijk ligehaam in ons land is erkend en gehandhaafd,— zoo valt niet anders te onderzoeken, dan of de Staat geregtigd is om dat regt in den Hollare-polder uit te oefenen; met andere woorden, of de geïntimeerden hebben kunnen aantoonen, dat zij, 't zij door titel of anderzins, aan de uitoefening van dat regt niet onderworpen zijn.

Vooreerst willen wij hier voor alles uitgemaakt hebben, of de gron¬

den , die in 1843 bedijkt werden, dezelfde zijn, waarvan de geïnti¬

meerden beweren als aanwas hunner in 1400 en 1414(5) gekochte gronden eigenaars te zijn geworden, omdat, als daarvan niet blijkt, alle verder onderzoek ijdel is.

Bij de uitgifte der toen te bedijken landen met aanwassen hebben

de Vorsten beide gesteld de hoegrootheid of liever de uitgestrekt¬

heid, binnen welke palen ol merken door hen die landen ter bedijking in eigendom werden overgedragen. En als men, na al de overgelegde kaarten, dat is die van 1685 , onderling vergelijkt en in verband

brengt gedeeltelijk met dat bij Esmerins (6) gevoegde kaartje (7),

voor wat de rigting betreft, waarin Marle ligt, en de opvolgende kaar¬

ten, niet maar van Hatiinga van 1744, maar ook die, welke gevonden wordt in de Kerk. Oudheden van Zeeland van 1718 , en daarmede vergelijkt de kaart in 1799 door Schrauer , die de vóór de indijking in 1840 bij het octrooi tot bedijking bedoelde gronden bevatten (8), waarvan niet door aanwas enz. bezitter is geworden, krachtens vroeger verkregen titel van eigendom; — dan houd ik het er voor, dat dc gronden, waarvan men nu novaal tiendregt vordert, werkelijk begrepen zijn in die, welke deD nu Hollare-polder helpen uitmaken, en tevens dat het dezelfde gronden zijn, waarvan reedï

werd gesproken in het tweede register der advyzen van de Reken¬

kamer van Zeeland, dd. 30 Dec. 1799 , en waarvan de verpachting

door het domein in 1800 en volgende jaren op 26 Mei 1831 heeft plaats gehad, waaruit dan tevens volgt, dat de als feit door den eer¬

sten regter aangenomene stelling, dat de gronden voor 1798 met bestonden, op onomstootelijke beweegredenen wordt gewraakt. Aan den eiseher, nu app., is steeds voorgehouden: 1°. dat de

gronden en aanwassen zijn gekocht met de Thienden. Doch dat dit alleen spreekt van de bestaande thienden en niet van novale tiendeu, te heffen bij opkomst van gronden, die voor het eerst later bebouwbaar worden gemaakt, blijkt die per alluvionem zijn aangekomen of als incrementa latentia; en dat het voorbehoud van het regt om novale tienden te heffen als eene reservata dominii nars niet be-

hoeft gestipuleerd te worden, is reeds boven aangemerkt, zoo als het dan ook ten huidigen dage nog steeds is verstaan door 's Lands Regering als een regt, dat van zelf sprak. — Zoodat, wat de geïntimeerden ook mogen gekocht hebben, de novale tienden van de aanwassen of van aanwassen der aanwassen, hebben zij niet gekocht , en dus ook niet kunnen verkrijgen (9).

Nog hebben de geïntimeerden beweerd, dat zij het tiendregt hadden afgekocht krachtens de publicatie van 's Lands Regering in 1806 (10), en zij leggen daarvan kwijtingen over, — 't Is een feit, dat niec valt te ontkennen, dat zij regten hebben afgekocht, maar wat hebben zij afgekocht ? dat is de vraag. En nu zeggen zij , ofschoon de Grafelijkheid hun geen moeite aandeed, zoo heeft het Kerkbestuur van Tholen hen wel bemoeijelijkt, waarover op 12 Junij 1500 een akkoord is gesloten , waarbij zij zich verbonden, aangaande thiende en de rechte van alle thienden, die alsnu vallende in de commende, zijn in alle onbedyekten landen der voors. heerschappen van Vossemeer toebehoorende ende die weleke oock hiernaemaels, en denzelven lande als die bedijekt zullen worden vallen en comen te vallen nijex uitgezonderd; te doteren met landthienden boven 't honderste gemet ende de twaalf schellingen groot vlaams nae geschreven alsoo kennelijke dat een priester tamelijke van die vruchten zal mogen leven na sijn staat (art. 3) en in art. 4 het honderste gemet en art. 5 tien lammeren enz., enz., waaruit blijkt, dat de geestelijkheid van de nieuwe eigenaars der gronden nog hebben weten renten, recognitiën en tienden en bezittingen te verkrijgen boven hetgeen de Heer des lands bij de uitgifte in 1410 en 1414 van hen had gevorderd , en zulks in het belang van het onderhoud der eeredienst.

Maar dit nu is eene geheel aan het nu gevorderd wordende novaal tiendregt als een pars dominus reservata van den eigenaar van den

(5) 3 Nov. 1410 en 9 Febr. 1414.

(6) Ermerins, Vossemeer en Vrijberghe, op blz. 6,

(7) Tegenw. Staat van Zeeland, 5de deel, blz. 435.

(8) Kerk. Oudheden van Zeeland, uitgegeven 1725 in fol.

(9) Zie noot Q, fol. 719, n°. 33 en 54. v. Leeuwen, Censura forensis, blz. 174, op. 24, § 15. Sed si jus illud nulla certa concessione, sed solum modo per praescriptionem acquisitum est, aut alios ipsi agri certis terminis praescribuntur intelligitur tantum de illis terris, cf. § 3, fol. 170.

(10) Publicatie van Sept. 1805,

Sluiten