Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

exereised in cases of innocence discovered or of cerlain and unequivocal rejormalion.»

Deze korte uitspraak is zeker de antipode van de meest voorkomende Duitsche beschouwingen. Deze gewagen van Livingston's eersten grond zeer weinig , en van den tweeden bijna niet. Van het voorzien in de feilen of da hardheid der wet, van het regt laten weervaren aan den aard der bijzondere gevallen , welke aan de algemeene regelen der wet ontsnappen, van regt te oefenen in strijd met de wet: geen woord daarvan bij Li vis oston.

Broügham vermaant tot groote behoedzaamheid en matiging in de uitoefening van het gratieregt, waarmede »executive government must always be vested» [waarom ?]. Hij vreest zeer voor misbruik, maar meent toch, dat de kans op misbruik moet gewaagd worden: «1°. to prevent the enforcement of the law when circumstances inay have come to light since sentence was passed, proving the party's innocence, or entitling him to a mitigation of the punishment awarded; 2". to extend mercy towards persons who after undergoing part of their punishment, may have shown claims to it by their demeanour; 3o. to mitigate the rigour of the law, which may not sulfer judges to take peculiar circumstances of human frailty into their consideration.»

De twee eerste gronden zijn die van Livingsion. Te regt wordt bij de ontdekking der onschuld ook die der geringere schuld vermeld. Doch opmerking verdient het, dat de herstelling van de feilen der regtspleging zelve, als de uitspraak onafhankelijk van latere ontdekkingen en met het proces zelf voor oogen verkeerd bevonden wordt, niet door Broügham is aangevoerd, ofschoon in verband met de slechtheid der Engelsche strafregtspleging van dezen grond in Engeland een ruim gebruik wordt gemaakt. Wat den derden grond betreft, kunnen de «peculiar circumstances of human frailty» niet alle verzachtende omstandigheden van objectiven en subjectiven aard aanduiden, maar slechts verleiding en provocatie door anderen en door de omstandigheden, ook onwetendheid, ellende en hartstogt.— Brotjgham acht de twee volgende gronden ontoelaatbaar: 1°. het verleenen aan de Regering van een air van barmhartigheid en welwillendheid; 2°. verzachting der soms te harde bepalingen der wet. Omtrent dezen grond zegt hij: »If the law is too severe, it ought to be aniended, and its amendment is only delayed by this bad substitute of particular action for a general rule.» — Wat hier Brougham eigenlijk voor oogen zweeft, is het steunen op dezen bad substitute om de wet niet te verbeteren, en dit veroordeelt hij. De vraag evenwel, wat tot aan de verbetering verkieslijk is, de te strenge wet gebruiken of den «bad substitute» toepassen, heeft hij niet beantwoord, zelfs niet gesteld. Ik geloof, dat hij zulks zou hebben gedaan en aan den «bad substitute» de voorkeur gegeven, indien hij, het aangehaalde schrijvende , Bentham nog eens opgeslagen en daar gelezen had de reeds bovenvermelde woorden : «Si les lois sont trop dures, le pouvoir de faire grlice est un correctif nécessaire, mais ce correctif est encore un mal.»

Behalve op het tegen de wet inwerken wijst Broügham nog op eene andere fout van den substitute: de verbetering der wet wordt door het in de praktijk verzachten der wets-toepassing uitgesteld. Men merke echter op, dat zoo de gratie door het buiten werking stellen der te harde wet een spoorslag tot verbetering der wet wegneemt , zij er althans in dezen tijd een anderen spoorslag voor in de plaats geeft: de ergernis over de onregelmatigheid van dergelijken toestand, over de werkeloosheid eoner steeds bestaande wet en het daardoor aan het prestige der wetten toegebragte nadeel. Al is nu de laatste spoorslag de zwakste, moet dan het belang der levende misdadigers niet beslissen?

Door mijn hooggeachten leermeester , wijlen den Hoogleeraar H. Cock, in Dictatis de jure criminali, werd geleerd, dat zoo naar den usus (niet den abusus) der gratie gevraagd wordt, de twee hoofdgronden voor gratie deze zijn

lo. Leges humansi prudentie nulla sic scribi possunt, ut non aliquando casus emergant et verbis et sententia legis sine dubio comprehensi, (juos tamen si praevidisset, sine dubio non comprehendisset legis auctor: alzoo onvolkomenheid der wet wegens kortzigtigheid des wetgevers.

2». Het Staatsbelang: indien geheele provinciën of legers zijn opgestaan. Wat de bijzondere verdiensten des misdadigers, door hem gedane ontdekkingen omtrent zijne gezellen en hunne plannen, en andere dergelijke gronden, waaromtrent getwist wordt, betreft, meent de Hoogleeraar, dat steeds de voor- en nadeelen van bestraffing en straffeloosheid uit het oogpunt van het Staatsbelang moeten afgewogen en dienvolgens beslist worden, terwijl steeds het nadeel der straffeloosheid voor het prestige der wet in het oog moet worden gehouden.

Volgens het gestelde beginsel had de Hoogleeraar kunnen adviseren , dat in den actuelen stand van zaken stelselmatige gratie van doodstraf, ook tot proefneming, in plaats van hare stelselmatige uitvoering door het Staatsbelang gevorderd wordt.

Volgens Jhr. J. de Bosch Kemper, in zijn Wetboek van Strafvordering (1), is het gratieregt een staatkundig regt, hetwelk den Vorst in liet algemeen belang doch zonder eenige beperking verleend is. De hoofdbedoeling daarbij is om de hardheid der toepassing van de wet weg te nemen. Uit dit oogpunt is eene verandering in de strafwet, welke sommige straffen als te zwaar afschaft (2), eene gewigtige reden tot gratie. Eene tweede hoofdbedoeling is de vrees, dat de voltrekking der straf een verkeerden indruk zal te weeg brengen. Wat bepaaldelijk door dien verkeerden indruk bedoeld wordt (de groote menigte der misdadigers bijv. ?), wordt niet gezegd. Andere redenen in het algemeen belang worden echter niet uitgesloten, zoo als : 1". gratie, onder de voorwaarde van ontdekking van andere misdadigers; 2". de omstandigheid, dat door de veroordeeling reeds bereikt is, wat de wetgever met de straf beoogde (?) ; 3". uit nieuwe omstandigheden gebleken of vermoede onschuld des veroordeelden; 4°. goed gedrag in de gevangenis als reden tot verkorting; 5". verschoonende en verzachtende omstandigheden, in zoo ver de regter daarop niet heeft kunnen letten a. omdat zij volgens regtsgeleerde beginselen geene verschoonende omstandigheden waren (?), b. omdat het wettelijk minimum den regter niet veroorloofde zoover te gaan als die omstandigheden het vereischten (3), c. omdat die omstandigheden eerst na het vonnis bekend zijn geworden; 6o. onderscheidene andere en zeer verschillende redenen, uit den aard der zaak voor volledige opnoeming onvatbaar. — Het regter lijk vonnis mag volgens den S. door de gratie niet aangetast worden, wel de wet. Buiten de gevallen van tit. 9 Strafvord.. en de uit nieuwe omstandigheden blijkende of vermoed wordende onschuld mag dan ook volgens hem de blijkbaar onschuldig veroordeelde niet begenadigd worden.

In het Nederl. Staatsregt (1865) blijft de Hoogleeraar bij het denkbeeld, dat de gratie alleen ter correctie van de wet, niet tot correctie der regterlijke uitspraken (4), evenmin als uit gunst of

(1) Deel III (1840), p. 641—643.

(2) Hieronder zou vallen het gratiëren van strafsoorten, welke na de afschaffing en vóór het in werking treden daarvan worden uitgesproken. Doch evenzeer valt daaronder het gratiëren van vóór derzelver afschaffing uitgesproken strafsoorten.

(3) Alleen het geval b zou onder de hoofdbedoeling—■ wegneming! van de hardheid der wet — kunnen vallen.

(4) Dus ook niet meer wegens nieuwe omstandigheden (?),

naar willekeur mag geschieden. Bijzondere gronden vermeldt hij niet, maar zegt in het algemeen, «dat de strafwet onmogelijk in alle gevallen kan voorzien, en daarom van ouds de behoefte gevoeld is om in hare hardheid in sommige gevallen te voorzien. Gratie strekt om de gebreken der wet te verzachten en mag alleen verleend worden op gronden van billijkheid en staatkunde, waarop de aan de wet gebonden regter niet mogt letten.» —Deze bepaling van de rationele en ethische "bestemming" der gratie is zoo algemeen, dat volgens den Hoogleeraar voorzeker ook het partieel of geheel buiten toepassing houden van eene om liare hardheid of andere gebreken partieel of geheel verworpen strafbepaling of strafsoort daaronder valt. — De constitutionele onbeperktheid van het gratieregt ten onzent wordt door den Hoogleeraar niet ontkend; de door hem geformuleerde »bestemming» is eene vordering aan de goede uitoefening van het gratieregt gedaan. — Ook het «goed gedrag in de gevangenis» wordt in het Nederl. Staatsregt niet meer afzonderlijk vermeld.

De onlangs overleden raadsheer van Deinse (1) heeft eenige gratiegronden gecompileerd, door welke hij overigens het politisch onbegrensde souvereine gratieregt niet wil beperken (p. 453 van onder). Hij noemt: 1 ''.goede staatkunde, wegens groot getal misdadigers (geheele streek of leger, cf. Biet. Cock) ; 2». algemeen welzijn, onderling verraad, ontbinding van misdadigersbenden; 3-'. regtvaardigheid «zoo als b. v. wanneer onder gevaarlijke tijdsomstandigheden eene zekere strafwet was uitgevaardigd, zou het met alle beginselen van regt strijden om, de staat van zaken veranderd zijnde, die wet te blijven toepassen, alleen omdat zij nog niet afgeschaft was en de Regter dus verpligt is te veroordeelen«; 4». billijkheid (2), als te hoog minimum voor een voorkomend misdrijf, misdoen geheel te goeder trouw, de schuldige vroeger van goed gedrag, verdienstelijk jegens den Staat, door goede hoedanigheden uitmuntende, alles een ligt vergrijp van het oogenblik verre overtreffende; 5». afslag van gevangenis wegens betoonde verbetering. — Schijnbaar met 3°. in strijd komt van Deinse, als hij zegt, dat «wegens den bijzonderen regtstoestand en de wijzigingen, in de strafsoorten aangebragt, tegenwoordig meermalen alleen (3) door hetverleenen van gratie de straf in verhouding met het gepleegde misdrijf kan worden gebragt« ; en als hij er bijvoegt, dat «de maatregel om op zoodanige wijze te voorzien in bestaande leemten der wetgeving niet alleen weinig strookende is met het begrip van gratie, maar zelfs in strijd met de beginselen van strafregt en van goede regtsbedoeling.»— Het is echter blijkbaar, dat niet juist het voorzienj in eenige voorhandene leemte der wet, maar het stelsel om de bestaande leemten der wet maar to laten bestaan en zich met gratie te behelpen, door y. Deinse wordt afgekeurd. Ook de volgende slot-zinsnede des boeks wijst op uien zin (4); v. Deinse wil het éénige middel om de straf in verhouding tot het gepleegde misdrijf te brengen wel bezigen, doch liet daarbij niet laten, en "eene nieuwe JYederlandsche strafwetgeving» ingevoerd zien. Deze schrijver was gewoon zich bijzonder slecht uit te drukken.

Zijne woorden leveren weder eene bijdrage tot verklaring der geboorte van het door Mr. D. P. aangekleefde misverstand.

Ten slotte, wat zegt Mr. B. P. zelf? — Vooreerst, dat de gratie in onzen tijd en in een constitutionelen Staat strekt om onder de noodige waarborgen (gelijk volgens onze Grondwet) de mogelijkheid te scheppen om, waar het regt zoude lijden onder eene al te strikte (51 toepassing der wet, de kracht van deze laatste in een concreet geval te breken». Hij schijnt dus alleen eene wetbrekende gratie toe te laten ; doch waartoe en hoever mag deze zich uitstrekken ? Dat de gratie nooit bij algemeen voorschrift, maar steeds in een individueel of concreet geval • de aard van dat geval in aanmerking genomen en 1 van alle zijden bezien zijnde — verleend wordt, dit behoort tot zijne stoffelijke natuur, tot zijnen constitutiven vorm: niemand zal het ontkennen. Doch bedoelt nu Mr. d. P. ook, dat de omstandigheid, dat het regt door de wet gewond of te kort gedaan wordt als grond der gratie niet van abstracteu of algemeenen aard mag zijn, of zich niet tot een aantal gelijksoortige gevallen mag uitstrekken, maar in de bijzonderheid van het concrete geval moet gevonden worden , of welligt alleen in het misdadige individu? Iets dergelijks moet hij wel bedoelen, vooral in verband met het vooraf door hem gezegde omtrent het karakter van individueel gunstbetoon der oude gratie, een karakter, dat hij, met verwerping slechts der gunst, tot verklaring der beteekenis ook deiactuele gratie aanvoert. Hij zegt toch, dat het begrip der gratie eenigermate wordt teruggevonden in den ouden naam indulgentia principis , waarin het karakter van individueel gunstbetoon uitgedrukt lag.—Verdere gegevens om de juiste opinie van Mr. d. P. te kennen, heeft hij ons niet verschaft, ook niet door de verklaring , dat de Koning door de gratieoefening niet mag worden regter in hoogsten aanleg of wetgever extra ordinem. Bij alle wetbrekende gratie ter wille des regts is toch de Koning een judex legibus solutus en (ofschoon die uitdrukking eigenlijk eene contradictie bevat) een wetgever voor een bijzonder geval, of beter eene staatsmagt, die in elk strafgeding op nieuw de strafwet vermag te breken en er zijne beschikking voor in de plaats mag stellen.—Alleen verklaart Mr. d. P. uitdrukkelijk , dat er geene regelmatige gratie mag gegeven worden van eene bepaaide straf en van een bepaald misdrijf. In strijd hiermede had hij daarentegen vroeger gezegd »dat, wanneer eene regering overtuigd is, dat het algemeene regtsbewustzijn, of dat beginselen van regt en zedelijkheid in het volk levende maar nog niet in de wet uitgedrukt, zekere straffen veroordeelen, zij alleen dan geregtigd is deze »opejuris gratiae» buiten werking te stellen , zoolang er in de politieke omstandigheden of in andere dringende redenen een tijdelijk beletsel gelegen was om het in het bewustzijn des volks reeds doorgedrongen regt in den vorm der wet te gieten». Laten wij echter den strijd dezer stelling met het algemeen verbod om eene straf door gratie geheel buiten werking te stellen daar , en beschouwen wij haar als uitzondering op den regel, dan rijst de vraag, waarop toch deze uitzondering mag berusten. Op welken grond mag van den regel worden afgeweken, en waarom juist zóóveel, niet meer of minder? Deze vraag zal moeijelijk te beantwoorden zijn.

De door Mr. d. P. aangewezen beperkte bevoegdheid tot buiten werkingstelling eener strafsoort is hem alleen eigen ; dit blijkt uit het voorafgaande. Die bevoegdheid is inderdaad zeer onzeker en vlottend. Moet het met eene straf juist zoover gekomen zijn , dat de Regering (Koning en Minister) zeker weet, dat de straf reeds bijna alle voorstandei's verloren heeft, en sleehts de »moeite» van den vorm der afschaffing overblijft? Veelal weet de Regering -— wanneer van afschaffing van straffen sprake is — niet, hoe het loopen zal in de wetgevende kamer, en weet zij ook de verhouding der voor- en tegenstanders niet zoo juist. Wat is een tijdelijk beletsel; hoelang mag dit duren om de regelmatige gratiëring te verschoonen ? En welke

(1) Algem. heg. van strafregt, 1852.

(2) Deze vier rubrieken, in verband met de daaronder gebragte gevallen , zijn zeker moeijelijk te vatten.

(3) De bedoeling is «een ander middel is er niet.»

(4) Desgelijks zijne verwijzing hier ter plaatse op Miiterm. , die Strafgesetzgeb. in ihrer Fortbildung, p. 300 (zie boven).

(5) Dit «al te strikte" heeft hier geen goeden zin. Het keil, van eene te letterlijke interpretatie gebezigd, te begrijpen zijn. Aan de letter der wet kan men zich meer of minder strikt houden. Maar hier is sprake van de wet toepassen of haar door gratie breken, niet van graden van toepassing. Men leze dus : «waar het regt zou lijden onder de toepassing der wet.»

zijn de politieke omstandigheden en andere dringende (hoe dringend?) redenen, die een voldoend beletsel kunnen daarstellen? Als do afschaffing in de volksopinie verzekerd is , zal het beletsel toch niet van zeer peremptoiren aard kunnen zijn, het gewigt en de urgentie der zaak in aanmerking genomen. Een ministeriële krisis, de waarneming van het Departement van Justitie door een demissionairen minister of het hoofd van een ander Departement, een ander wets-ontwerp dat juist in behandeling is , beletten toch niet, dat de reeds gedoemde straf even worde opgeheven en bijv. door de naastvolgende, die niet gedoemd is, worde vervangen. Is de verwachting van een nieuw strafwetboek in het volgende jaar een voldoend «tijdelijk beletsel» ? of de omstandigheid, dat de actuele Minister van Justitie juist, strijd met de volksopinie, een doodstraf behouder is, die de afschaf* fing niet wil voorstellen , en die toch uit anderen hoofde voor 's land» belang of voor het Kabinet waarvan hij lid is, onmisbaar geacht wordt? Mr. d. P. zegt het niet.

P. van Bemmelen.

(Wordt vervolgd.)

HOOGE RAAD. — Hamer vuii Itrariahen,

Zitting van Maandag, 30 September.

Voorzitter, Jhr. Mr. B. van den Velden.

I. Conclusie door het Openb. Min. genomen in zake:

1". den proc.-gen. bij het Hof in Noordholland, tegen een arrest in zake J. Brouwers , huisvrouw van A. van den Bosch , en J. Mooy. Adv.-gen. Romer concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring der voorziening. Uitspraak 22 October.

II. Behandeld het beroep van:

1". D. Schipper, tegen een arrest van het Hof in Groningen; rapp., raadsh. van der Sande. Adv.-gen. Romer concludeert tot verwerping. Uitspraak 9 October.

2°. W. van Halm, tegen een arrest van het Hof in Gelderland ; rapp., raadsh. Huguenin. Adv.-gen. Römer concludeert tot verwerping. Uitspraak 9 October.

Zitting van Dingsdag, 1 October.

I. Uitspraak gedaan in zake:

1°. H. Bohlen c. s., tegen een arrest van het Hof in Drenthe.

Verworpen.

2". den officier bij de Regtbank te Eindhoven, tegen een vonnis in zake H. Rooijakkers. Het vonnis vernietigd en de gereq. veroordeeld tot eene geldboete van f 25 of subsidiaire gevangenis-straf van twee dagen.

II. Behandeld het beroep van:

1°. II. Wagendorp en G. J. Boomer, tegen een vonnis der Regtbank te Zutphen; rapp., raadsh. Elias. Adv.-gen. Römer concludeert tot vernietiging van het vonnis en tot bevestiging van het vonnis van het Kantongeregt te Lochem. Uitspraak 15 October.

2°. G. Kuyf en J. Zwartenbol, tegen een arrest van het Hof in Utrecht; rapp., raadsh. Wintgens. Adv.-gen. Römer concludeert tot verwerping. Uitspraak 15 October.

NB. Woensdag is er geene zitting gehouden.

z. .■■■■- —•- — v. , ■ ■ - ... : r.—ra1, „i ï.i ■ i .ra

BER1GTEN.

's Grauenhage , den 2 October•

— Aan de toespraak, waarmede Dr. E. Laurillard de jongst gehouden Algemeene Vergadering van het Nederlandsch Genootschap «tot zedelijke verbetering der gevangenen" opende, ontleenen wijde volgende regelen:

«Zoo waarlijk liet onverstand zijn zou, als men uit ziekelijke teergevoeligheid aan het gevangenisleven alle scherpe kanten ontnam, zoo waarlijk is het een triumf der menschelijkheid dat gevangenen tegenwoordig worden beschouwd en behandeld als menschen, en dat ook het armzalige en onzedelijke begrip, volgens hetwelk de straf niets anders, niets hoogers, dan eene bij de wet geregelde wraakoefening was, heeft moeten plaats maken voor dit verhevene en edele denkbeeld, dat de straf ook moet inhouden en ook moet bedoelen de zedelijke verbetering van den ongelukkige, die aan de maatschappelijke wetten en de zedewet van God zich vergreep. En inzonderheid de cel is eene feitelijke openbaring van datzelfde verhevene en edele denkbeeld. In de cel worden niet allen beter, maar ze hunnen er beter worden, en daar zijn er waarlijk, die er beter uitkomen dan ze er in zijn gegaan. In de gemeenschap wordt niemand beter, om de eenvoudige reden dat men daar niet beter Jcan worden Men wascht geen kleêren schoon in modder, en met zwartsel wi men niet. Genoeg, de humaniteit heeft zich, ook ten aanzien dei.' gevangenen , in 't bezit van de te lang haar onthoudene regten gesteld. Daardoor is de mishandeling uitgebannen , daardoor heeft de straf eene zedelijke strekking gekregen, en de liefde, niet de sentimenteele weekhartigheid, maar de gezonde en verstandige liefde, heeft een' zetel bestegen, waaronder pijnbanken en duimschroeven en geeselroeden en brandijzer» zoo diep zijn begraven dat ze er nooit meer onder uit zullen komen. Als er nu de galgen en de stroppen nog maar bijgedaan worden , dan is dat fraaije stel van vroegere barbaarschheid ten slotte compleet."

— De Gouv.-Generaal van Nederl. Indië heeft, blijkens de laatst ontvangen berigten, loopende totl3Aug. jl., benoemd: tot advokaat en procureur bij het Hoog Geregtshof van Ned. Indië, Mr. J. E. Henny; tot raadsheer in het Hoog Geregtshof van Ned. Indië, den officier van justitie bij den Raad van Justitie te Batavia, Mr. J. J. C. Gaymans; tot 2den subst.-griffier bij den Raad van Justitie te Batavia, den 3den subst.-griffier bij het Hoog Geregtshof van Ned. Indië, Mr. L. Th. Schoon; tot 3den subst.-griffier bij het Hoog Geregtshof van Ned. Indië, den ambtenaar voor de burgerlijke dienst aldaar, Mr. P. G. J. van Ghert, thans werkzaam op het parquet van den proc.-gen. bij genoemd Hof; tot subst.-officier van justitie bij den Raad van Justitie te Samarang, den benoemde officier van justitie bij den Raad van Justitie te Amboina, Mr. J. H. Bergsma; tot officier van justitie bij den Raad van Justitie te Amboina, den ambtenaar op Avachtgeld, Mr. W. F. de Vogel.

Engeland. — Men berigt het overlijden van den beroemden Engelschen regtsgeleerde Francis Blackburne. Hij was in 1782 in Ierland geboren en werd reeds in 1805 lid van de Engelsche balie. Sedert 1822 heeft hij de hoogste betrekkingen bij de magistratuur vervuld. In 1*52 werd hij doorliet toenmalige conservatieve Ministerie Derby tot kanselier van Ierland benoemd.

SmeSgBersuIspicS* eaa uSt^ave van €*

, te 'ë ^riivcnSi^e.

/

Sluiten