Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

N*. 2941.

Oude Klerezy, wanneer de aartsbisschoppelijke zetel vervuld is , bij den aartsbisschop alléén , of bij den aartsbisschop én het kapittel ?

Die vraag, die ik trachten zal kortelijk toe te lichten, vindt haar antwoord in bet kanoniek regt en in de geschiedenis van het ontstaan van het kapittel van Utrecht.

Sedert de eerste tijden van het christendom was het in de kerk gebruikelijk dat de bisschop ter zijde werd gestaan in zijn herderlijken arbeid door de oudsten en opzigters der gemeente (Presbyteri et Diaconi) (l!.

Toen het christendom zich allengs uitbreidde , nam ook het aantal geestelijken dermate toe, dat de vergadering van oudsten en opzigters uit den aard der zaak door te groote uitgebreidheid moeijelijkheden veroorzaakte , en hare doelmatigheid verloor

Het was om die reden dat de bisschop nu eenige der meest eerwaardige mannen uit de geestelijkheid verkoos , om hem met raad en daad bij te staan (quorum consilio et opera Diocesin suam regeret).

Aan die keuze was het dat de kapittel-vergaderingen haar bestaan verschuldigd waren.

Even als vroeger de presbyters en diakenen met den bisschop vereenigd als 't ware den Episcopalen Kaad (senatus episcopalis) uitmaakten , zoo volgden van toen af aan ook de kapittel-vergaderingen in de regten en verpligtingen van dien Kaad op.

Als vertegenwoordigers der geheeló geestelijkheid, waarvan de bisschop zelf het hoofd was, maakten de leden van het kapittel met den bisschop als natuurlijk hoofd, voorzitter en leidsman, e'én ligchaam uit, met het tweeledig doel om de geestelijke tucht uit te oefenen en de tijdelijke belangen van het bisdom waar te nemen.

Een dergelijk kapittel stond ook oudtijds den aartsbisschop van Utrecht ter zijde, totdat ook hierin de Hervorming een geheelen omkeer dreigde te brengen.

Nadat reeds de Protestanten zich allengs hadden meester gemaakt van een groot deel der goederen aan het kapittel behoorende, besloten eindelijk in 1622 de Staten van Utrecht dat geen RoomschKatholijk van nu aan meer tot het canonicaat zou worden toegelaten (2).

liet kapittel, de Raad des bisschops , dreigde alzoo binnen kort te zullen uitsterven, en van dit kapittel hing het bestaan der Utrechtsche kerk af.

Pen einde dien ondergang te voorkomen nam de toenmalige aartsbisschop Philippus Ruvenius een besluit, waarop de inrigting van het kerkgenootschap der Oude Klerezy tot op den huidigen dag gegrond is geweest.

Den 9 Nov. 1633 vaardigde hij de acte van oprigting uit van een anderen aartsbisschoppelijken Kaad of zoogenaamd vicariaat |3).

In die veel bewogen tijden de ware reden van dezen maatregel waarschijnlijk niet openlijk durvende bekend maken, verklaart de aartsbisschop in den aanhef, daartoe te zijn overgegaan , op grond van de, ook voor dit proces, niet onbelangrijke overweging, dat hij , aartsbisschop, bij het toenemend getal der geloovigen, de noodzakelijkheid ondervond, om zich in zijn arbeid en zorgen te doen bijstaan door eenige der voornaamste geestelijken uit zijne diocese, die hem als medearbeiders of medehelpers (cooperatores) zouden ter zijde staan. Tot dit hoogste ligchaam in de kerk van Utrecht zouden alle geestelijken zich bij voorkomende moeijelijkheden om ra«d te wenden hebben , en aan de besluiten en voorschriften (staluta et directiones) van dit collegie, door den aartsbisschop goedgekeurd, hadden allen te gehoorzamen.

Die acte van oprigting van het vicariaat werd in 1658 door den aartsbisschop Jacobus Torrius of de la Torre bevestigd in zijne "Tabulae confirmationis concilii vicariatus".

Dezelfde magt werd daarbij aan het vicariaat opgedragen die het bij zijne oprigting gekregen had, en zelfs werd die magt nog verder ■uitgebreid. Het vicariaat werd verheven tot een //Senatus Ecclesiae Ultrajectinae atque concilium vicariatus n os tri ejusdem Ecclesiae, et ad instar canonicorum graduatorum in Ecclesia Cathedrali haberi volumus*. Tevens werd bepaald dat de aartsbisschop altijd voorzitter zou zijn (praeses perpetuus) en de eerste en beslissende stem zou hebben. //Declaramus quoque-/, zoo luidde het, //intentionem nostram esse quod hoe concilium in conservandis juribus quibuscumque Diaecesis hujus in reliquis cau^is majoribus auctoritatem habebit ad instar capituli Cathedralis//.

Het vicariaat had dus, en heeft nog dezelfde regten en bevoegdheden van een cathedraal kapittel. Het was niet enkel de Kaad, maar ook de medearbeider van den aartsbisschop , niet enkel een adviserend, maar ook een medebesturend ligchaam , het oefende in een woord het hoogste gezag in de kerk uit met en benevens en onder de leiding van den aartsbisschop.

Dat die venleeling van gezag, en vooral de gebrekkige omschrijving van de grenzen vari ieders bevoegdheid, menigmalen aanleiding gaven tot oneenigheid tusschen den aartsbisschop en zijn kapittel, laat zich ligtelijk begrijpen. Van hier dan ook dat men tijden aantrett waarin nu eens de aartsbisschop zijne regten krachtig handhavende, het kapittel tot gehoorzaamheid dwingt, terwijl dan weder het kapittel den omvang zijner regten scheen te willen uitbreiden ten koste van het aaitsbisschoppelijk gezsg.

De vraag bij wien in zoodanig geval het opperbestuur der kerk berust kan aanleiding geven , en heeft aanleiding gegeven , tot zeer uiteenloopende beschouwingen.

Maar, en ik geloof dat dit in het onderhavige proces wel moet worden in het oog gehouden , en dat wij reden hebben om er ons over te verheugen, uwe Kegtbank wordt niet geroepen om die vraag te beslissen.

liet is hier niet de vraag of het kapittel, zonder haar wettig hoofd en medelid , den aartbisschop , zelf handelend optredende, of wel, zich stellende tegenover den aartsbisschop, het hoofdbestuur uitmaakt. Want dit is niet de toestand ,• die volgens des gedaagden eigen erkentenis voorligt. De ged. erkende namelijk dat het eiochend vicariaat sede plena was zameng steld behalve uit het kapittel, ook uit den aartsbisschop als voorzitter.

De vraag wordt dus: of het vicariaat te zamen en in vereeniging met den aartsbisschop optredende, uitmaakt het hoofdbestuur der kerk.

En die vraag kan , dunkt mij , niet anders dan bevestigend beantwoord worden.

Alle gezag toch en alle regten en bevoegdheden die het kapittel sede vacante mag gehad hebben, en die sedert het vervullen van den zetel op den aartsbisschop mogen zijn overgegaan, worden thans vertegenwoordigd in zijn persoon als voorzitter van het ligchaam dat nu eischend optreedt.

En nu gaat het, geloof ik , niet aan , om, met miskenning van den bestaanden toestand, de twee factoren waaruit het kerkbestuur is zamengesteld te ontbinden , en als 't ware het hoofd van de leden te scheiden, het kapittel te décapiteren , en te zeggen : sede vacante was het kapittel hoofdbestuur, - maar sedert is alle gezag op den aartsbisschop overgegaan , en , al treedt nu hij die met dat gezag

(1) 7ie hierbij v. Espen, Jus Eccl. roniv, toni. I, tit. VII en vooral tit. VII i passim.

(2) Zie J. A. Gertii v. Wijk. Jr., Historia Eccl. Ultr. eet., Traj. ad Rhen. 1*59, pag. 34.

(3) N. Hroedersen, Fract. histor. 1. de cap. cath. append. mommentorum mon. 26.

bekleed is, met u op, niettemin erken ik u niet als hoofdbestuur, j

Naar mijne overtuiging kan zoodanige redenering niet worden aangenomen, en zal men het kapittel van Utrecht, waar het optreedt in overeenstemming en te zamen met den aartsbisschop , als de vertegenwoordiger van het hoogste gezag in het kerkgenootschap der Oude Klerezy hebben te beschouwen.

In die overtuiging op kerkregtelijke en historische gronden gebaseerd , vind ik mij bevestigd door de productie van partijen.

Uit die productie blijkt, dunkt mij, in het algemeen onmiskenbaar dit feit : dat het vicariaat zich steeds als hoofdbestuur over het collegie te Amersfoort heeft gedragen.

Meer in het bijzonder wensch ik de aandacht der Regtbank te vestigen op de navolgende punten.

.Nadat kort vcór «7 25 onder het archi-episcopnat van Corneliüs Joannes Barcïimann Wuytiers, het seminarie te Amersfoort was opgerigt uit fondsen , waarvan de herkomst onzeker schijnt te zijn , ziet men uit eene reeks van extracten uit de notulen der kapittelvergaderingen door den eiseher overgelegd (prod. B i3 a o), hoe de benoeming van provisoren over het collegie steeds geschiedde door het kapittel, omgeven of de aartsbisschoppelijke zetel vervuld was of niet. In het eerste geval geschiedde die benoemingen onder voorzitting van den aartsbisschop, in het tweede onder voorzitting van den vicaris-generaal of decaan. Zoo worden reeds in 1725 de HM. Broedersen en Kemp benoemd sede vacante, en in 1 747 de heer Faber sede plena. Zoo in 1-54 de heer v. d. Weyden sede plena en in 1^5? de heer Heykamp sede vacante.

liet formulier, dat bij die benoeming gebruikelijk was en onder vigueur waarvan de ged. zijne betrekking van provisor heeft aanvaard (1), leeren wij kennen uit de beide acten van aanstelling dd.

13 ,Juny ICO* en iö i\ug. iölö tproa. eisen, li 12 a—bj.

Uit die acten leeren we nog iets meer.

Vooreerst al weder dat, onverschillig of de aartsbisschoppelijke zetel vervuld was of niet, het kapittel met den aartsbisschop of de vicarissen die benoeming deed, en ten tw eede wat het mandaat inhield, het bestuur namelijk van het collegie en de administratie der fondsen , "hac conditione ut dictus 1'raeses ^collegii sc.j singuiis annis vobis (i. e. provisoribus) computum reddat dati et expensi ante congregationem capitularem autumnalem , ut et vos ipsi rationem possitis reddere vestrae administrationis in congregatione capituiari». Ik deel dit slot van de aanstelling in zijn geheel mede, èn om de laatste drie woorden , èn omdat het ook bij de beschouwing der geproduceerde administratie-rekeningen licht kan geven.

Er worden namelijk door den eiseher (sub litt. B 7 a— e, 8 a - d, 9a — /, 10«, 106 en lij een tal van rekeningen overgelegd van 1754 af, die volgens hem allen zouden betreffen de verantwoording van de administratie der fondsen van het collegie te Amersfoort, door heeren provisoren jaarlijks in de kapittel-vergadering afgelegd, en wel onder praesidium van den aarts»bisschop, wanneer de zetel vervuld was.

Ofschoon nu op verscheidene dier rekeningen ook posten voorkomen die loopen over fondsen, waarvan niet blijkt dat zij aan het seminarie behoorden , zoo volgt toch uit die rekeningen , te zamen beschouwd, dit feit, dat het steeds de gewoonte geweest is om de ontvangsten en uitgaven , door provisoren voor het collegie gedaan , aan het kapittel te verantwoorden , zonder onderscheid of er een aartsbisschop was of niet, en zij het dan ook, dat die jaarlijksche verantwoording met die over andere a^ministratiën vermengd werd. Opmerkelijk is hierbij deze bijzonderheid dat de tegenwoordige bisschop van Deventer herhaaldelijk zelf tot het opnemen en goedkeuren dier rekeningen heeft medegewerkt, en dat er zelfs twee rekeningen bij zijn door den ged. zelf aan het kapittel sede plena ingediend.

Tegenover die rekeningen, door den eiseher geproduceerd, werden er ook van de zijde des gedaagden in het geding gebragt.

1 eze rekeningen kunnen echter, m. i., niets ophelderen omtrent de wederzijdsche verhouding van het kapittel tot de provisoren.

Blijkens het opschrift en den inhoud, zijn het alleen rekeningen wegens de huishouding van het collegie te Amersfoort, gedaan dooiden praesident van het collegie aan den aartsbisschop en de provisoren , over de gelden door dezen ten bate van het collegie verstrekt.

Men heeft daarbij kennelijk te denken aan de zoo even aangehaalde woorden van het formulier van aanstelling der provisoren : //hac conditione ut dictus Praeses singuiis annis vubis (sc. provisoribus) computum reddat-/ . . . eet.

Eindelijk de brief van den algemeenen secretaris van de bisschoppen der Oude Klerezy aan den minister voor de zaken der R.-K. eeredienst, Utrecht 26 Febr. 1854 , alleen door den ged. in afschrift medegedeeld.

In dit stuk, kennelijk geschreven buiten den invloed der oude thans aanhangige quaestie, wordt o. a. gezegd: dat de eenige bijzondere instelling die geacht kan worden tot het bestuur der kerk te behooren, is het aartsbisschoppelijk kapittel, tevens raad van den aartsbisschop. Ook hier wordt weder bevestigd de verpligting van provisoren om jaarlijks rekening en verantwoording te doen aan aartsbisschop en kapittel. Ik merk ten slotte op, dat die brief bij missive van 31 Maart 1854 door den ged. zelf is bevestigd en goed¬

gekeurd (prod. eiseher B 4).

Met dit overzigt van de voornaamste stukken uit de zeer eopieuse productie van partijen meen ik te kunnen volstaan.

Al die bescheiden kunnen toch, m. i., de quaestie niet beslissen, maar alleen dienen ter bevestiging van de meening, die ik de eer had uit te drukken , dat het kapittel optredende te zamen met den aartsbisschop, het hoofdbestuur der kerk uitmaakt.

Uit die voor bewezen aangenomen stelling volgen, in verband met de feiten in confesso, deze noodzakelijke gevolgtrekkingen:

1". dat het eischend vicariaat, als Hoofdbestuur van het kerkgenootschap, is des gedaagden lastgever;

2 . dat de hesluiten , die men erkend genomen te zijn door dit kapittel, betreffende de fondsen eener instelling, waarvan men almede erkent dat zij staat onder het Hoofdbestuur der kerk , zijn wettige besluiten en voor den ged. verbindend;

Waaruit al verder volgt:

3'. dat de ged. als lasthebber des eischers, krachtens art. 1839 B. W., is verpligt tot rekening en verantwoording;

en eindelijk :

4". dat de besluiten van Mei 1^60 tot benoeming eener finantieele commissie en tot overbrenging der fondsen naar Utrecht, den ged. tot afgifte der fondsen van de collegiekas verpligten.

Mijn gevoelen resumerende, meen ik:

dat het eischend kapittel, uit welken hoofde dan ook geregtigd tot de quaestieuse fondsen , zuiver optreedt als lastgever des gedaagden , eene hoedanigheid, die op historisch en kerkregtelijke gron¬

den, bevestigd door de geproduceerde bescheiden, aan den eiseher i niet kan ontzegd worden, waar, zoo als in casu , aartsbisschop en

kapittel te zamen optreden als iiooiuoestuur der kerk , aan welk Hoofdbestuur de ged. zelf erkent rekening en verantwoording verschuldigd te zijn.

Ten slotte nog een woord over de accessoire vorderingen.

(1) Zie extr. uit het memoriaal van het aartsb. kap. Missive presid. collegie van Amersf. 14 Junij 1858 (prod. eiseh. B 15).

Het laat zich ligtelijk begrijpen, E. A. HH. ! dat de ged., belas met het beheer der collegiekas , aan de vordering tot rekening <~n verantwoording met afgifte der fondsen , niet op eigen gezau, meende te mogen voldoen. Plet was voorzigtig , en het was ook in het belang der instelling zelve die het aangaat, vooraf 's regters tusschenkomst in te roepen, ten einde de zoo zeer in utramque partem betwiste vraag te doen uitmaken , of het vicariaat tot die opvordering geregtigd was.

Indien het den ged. hierom te doen ware, dan was niets eenvoudiger geweest dan, onder mededeeling van die beschouwingen en opmerkingen, die hij meenen mogt dat tot eene juiste beslissing konden leiden , zich aan 's regters oordeel te refereren.

Het spreekt van zelf, dat in zoodanig geval de kosten zoude11 worden gedragen door de kas van het collegie, in welks bel&n£ het proces dan in de eerste plaats gevoerd zou zijn.

Maar, E. A. HH. ! dit is niet de houding van den ged. geweest. Unguibus et rostris heeft hij zich op alle mogelijke wijzen met conclusiën en incidenten verdedigd.

Zonder nu natuurlijk den ged. daartoe het regt te willen betwisten, en zonder zelfs uit die contenance eenige gevolgtrekking te wille11 maken , moet ik toch dit opmerken : dat de zaak zelve, het serni* narie en de collegiekas, bij die krachtige tegenspraak , op zijn zachtst genomen , weinig of geen belang had.

Als nu de ged. gemeend heeft, toch te moeten handelen zoo ais hij deed, dan zal hij en niet de collegiekas van die handelwijze a* de gevolgen moeten dragen , en dan ligt er, geloof ik, niets onbillijks in, dat de ged. geacht wordt, suo periculo zijne zienswijze tot het uiterste te hebben volgehouden.

Naar mijn oordeel zal de ged. alzoo in zijn privé in de kosten moeten veroordeeld worden.

Wat nu het verzoek des gedaagden betreft, dat de Kegtbank geene executie bij voorraad zal gelasten , immers niet dan onder borgstelling , behoef ik natuurlijk niet aan de Regtbank te herinneren , dat èn het een èn het ander, geheel aan het arbitrium judicis is overgelaten. Ik herinner mij echter niet eenigen grond vernomen te hebben, waarop de ged. de executie bij voorraad heeft tegengesproken. Nu de wet het regt geeft aan den eiseher om deze accessoire vordering aan zijne hoofdvordering te verbinden, vind ik bij de ongemotiveerde tegenspraak des gedaagden geen vrijheid om op dit punt tot afwijzing te concluderen.

De ged. behoort echter gewaarborgd te zijn tegen alle eventualiteiten , die het gevolg zouden kunnen zijn van eene behandeling dezer zaak voor den hoogeren regter.

Daarom komt het mij wensehelijk voor, dat U.E.A. de borgstelling zult gelasten voor het geval van executie bij \ ooi raa , overeenkomstig den stijl van uw collegie in do geva lenvan ar . , , n0. 6 , B. R.

Op de door mij aangevoerde gronden heb ik alzoo de eer te

concluderen: ....

dat het der Regtbank moge behagen , aan het eischend vicariaat zijne vorderingen Toe te wijzen , met bepaling, dat geene ten-uitvoerlegging bij voorraad van het in dezen te wijzen vonnis zal zijn toegelaten dan onder borgstelling — en met veroordeeling van den ged. in zijn privé in de kosten dezer procedure.

I)e Regtbank heeft hierop het navolgende vonnis gewezen :

De Regtbank enz.,

Overwegende, dat het eischend vicariaat of kapittel, na gedane sommatie en na bekomen admissie tot gratis procederen , den ged* voor deze Kegtbank heeft gedagvaard , ten einde hem bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te doen veroordeelen, om ten overstaan van een"' daartoe te benoemen regter-commissaris, in den vorm bij de wet bepaald , af te leggen rekening en verantwoording van het beheer en de administratie, door hem ged. in zijne qualiteit van provisor over het te Amersfoort gevestigde collegie (seminarie der Oude Klerezy), gevoerd en gehouden over de fondsen, bestemd t"t onderhoud van dat collegie, en bekend onder den naam van (-0L' leqiekas, en om tevens aan het eischend kapittel af te geven zoodanige sommen, gelden, effecten , geldswaarden enz., ais zuilen blijken zich onder hem ged. te bevinden en de in dezen bedoelde collegiekas uit te maken en daartoe te behooren , opdat het eischend vicariaat daarmede overeenkomstig het dienaangaande genomen besluit zou kunnen handelen , alles met zoodanige neven vorderingen , als m de dagvaardingen en conclusiën zijn omschreven , en met eisch tot condemnatie van den ged. in zijn privé in de kosten van het geding ;

0., dat het eerste gedeelte van deze vordering, naar de stelling van het eischend vicariaat, daarop berust, dat de ged. in de vergadering van den S Junij 1858 ,. toen de aardsbisschoppelijke stoel onvervuld was (sede vacante), door het eischend kapittel als provisor is benoemd over het te Amersfoort gevestigd collegie vau het kerkgenootschap der Oude Klerezy, onder opdragt om met den toenmaligen mede-provisor, voor en in naam van het kapittel bet beheer te voeren over het fonds, bestemd tot onderhoud van dat collegie, en bekend onder den naam van de Collegiekas, en tevens onder gehondenheid om jaarlijks in de kapittel-vergadering (in congrega tione capituiari), rekening en verantwoording van zijn gevoerd beheer af te leggen , doch dat de ged. in de laatste tijden in gebreke is, om aan die verpligting tot het afleggen van rekening en verantwoording te voldoen, en zelfs ook na ontvangen sommatie, bjj voortduring in de nakoming van die verpligting nalatig is gebleven;

0., dat het eischend kapittel tot staving van het tweede gedeelte der vordering, behalve de evengemelde feiten, daarenboven stelt, dat de ged. in het jaar 1859 , de fondsen der collegiekas , tijdens het overlijden van zijn medeprovisor, den heer G. Spit, aartspriester en pastoor te Rotterdam, die deze fondsen sedert weinige jaren feitelijk in bezit had, tot zich heeft genomen, en alsnog onder zijne berusting heeft, ofschoon in de vergaderingen van 8 en 9 Mei 18^0 door het kapittel, met medewerking van den ged., die ook destijds in dat ligchaam zitting had, unaniem is besloten, dat alle fondsen» waarvan aan het kapittel rekening en verantwoording moest worden gedaan , zouden gedeponeerd worden te Utrecht in de kapel van den H. Gertrudis, met bepaling dat tevens in werking zouden komen de besluiten in vroegere kapittel-vergaderingen genomen , waarbij voor het beheer van de evengemelde fondsen, eene finantiële commissie > bestaande uit den aartsbisschop, de beide provisoren en den arcadius of administrateur vt.n de kapittelkas , is ingesteld;

0., dat de aartsbisschop van Utrecht van het kerkgenootschap der Oude Klerezy, als daartoe door het eischend kapittel gecommitteerd, op verzoek van óen ged. op eenige gestelde vraagpunten is gehoord, en dat er zoo in de antwoorden bij die gelegenheid gegeven als bij de gehouden pleidooijen , wel is waar, nader op gedrukt is, dat de onderhavige actie, daargelaten de vraag bij wien het eigendomsregt op de collegiekas moge berusten, bepaaldelijk gebaseerd is cp de betrekking van lastgever en lasthebber die tusschen partyen, ten gevolge van des gedaagden benoeming tot provisor is ontstaan, maar dat het eischend kapittel zich niettemin daarbij tevens zoo in het algemeen, als speciaal met het oog op het aanhangig geding, de regten heeft gereserveerd, die aan dit ligchaam op de fondsen van dit collegie toekomen;

Sluiten