Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maandag, 25 November i867.

N°. 295Ö,

WEEKBLAD VAN HET UEGT.

R.EGÏSKUND1G NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

NE GEN-EN- TWINTIGSTE J AARGANG.

JUS ET VERITA8.

P*t blad verschijnt geregeld twee malen per week. Prijs per jaargang f 20 ; voor de buitensteden, franco per post, met f 1.20 verhooging. — Prijs d'.r advertentiën, zonder zegelregt, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., behalve van HH. gewone correspondenten, franco.

WETGEVING.

''WEEDK K1MER IIF.R STATEW-CIKHïICRAAIJ»

STAATSBJ5QROOTING VOOR HET DIENTJAAR 1868.

IVde Hoofdstuk B. — Departement van Justitie.

Eindverslag.

De commissie van rapporteurs heeft kennis genomen van den inhoud 1 cr memorie van beantwoording, die door de Regering is ingediend naar aanleiding van het voorloopig verslag omtrent het wets-ontwerp tot vaststelling van hoofdstuk IV B der Staats begrooting voor 1868.

e inhoud dezer memorie gaf geene aanleiding om eer nader onderzoek der voordragt in de afdeelingen uit te lokken. Echter is

wei vuoruragi in ae aiuccnugcn un- — —

aar de wnnon ffPvAvon r»f Tiftt. niftt wenseheliik zoude zijn om ,

na het beheer van het Departement van Justitie aan eenen interi'e minister is opgedragen, de begrooting van dit hoofdstuk voor een volgend dienstjaar, even als dit vroeger steeds in soortgelijke gevallen heeft plaats gehad, slechts voorloopig voor den tijd van zes maanden vast te stellen. De commissie heeft gemeend , dat zij deze v.raaS in haar Eindverslag moest opnemen. Zij wenscht echter geen eigen oordeel daaromtrent uit te spreken.

Heydenrijck , van Nispen van Sevenaer , de Bieberstein, Dumbar , Hollinoerus Pijpers.

HOOGE RAAD DER NEDER LANDEN.

nurgerlijku hamer.

Zitting van den 25 October 1867.

Voorzitter, M r. E. de Greve.

Kan het regt van weder-inkoop, bedoeld bij art. 1555 13. W., voortspruiten uit een beding aangegaan na het sluiten van den koop? — Neen.

P. van der Meulen , eischer , procureur Mr. C. J. Francais, tegen

M. C. J. Mulders c. s., gedaagden, procureur Mr. J. van der Jagt.

De adv.-gen. Grkgory heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen:

Edel Hoog Achtbare Heeren, President en Raden! Tegen het arrest van het Prov. Geregtshof van Noordbrabant, dd. 19 Febr. 1867, "Waarbij bevestigd is een vonnis der Arrond.-Regtbank te s Hertogenbosch van den 27 Junij 1866, is door den eischer slechts één middel van cassatie aangevoerd.

Dit middel bestaat in schending en verkeerde toepassing van art. 1555 , zoo op zichzelf, als voor zooveel noodig in verband met de artt. 1493, 1494 en 1356, 2". IS. W., omdat het Hof, ofschoon feitelijk beslissende, dat in het oorspronkelijke contract geen beding voorkomt, waarbij de toenmalige verkoopers (verweerders in deze) zich het vermogen om de verkochte tiend weder in te koopen, hebben voorbehouden, niettemin aan de verweerders regt van wederinkoop heeft toegekend eenig en alleen op grond van de mondelinge toezegging door den oorspronkelijken kooper (den eischer in deze), eenige dagen na het sluiten van genoemd contract aan de verweerders gedaan , dat hij hun de tiend zou teruggeven , zoodra zij tot den weder-inkoop daarvan in staat zouden ziin.

Het Hof heeft bij het beklaagde arrest eenige gronden opgegeven en verder aangenomen de middelen en motiven van den eersten 'egtcr, zoodat niet alleen het arrest van het Hof, maar ook het Vo'mis der Regtbank in deze in aanmerking moeten worden geno, en beide met elkander in verband moeten worden beschouwd.

blijkens de overw eging van het vonnis, ten aanzien der daadzaken , hebben de verweerders gevorderd verklaring, dat zij geregt'gd waren op de terugname (liever terugneming) van de grove en smalle tienden, onder Orthen, gewoonlijk genaamd de tiend van Orthen; terwijl bij de 1". overweging in regten van dat vonnis is uitgemaakt, dat de vordering der eischers , nu verweerders , is gegrond op het beding, dat bij den koop van de tiend onder Orthen tusschen de eischers , nu verweerders , en den ged., nu eischer , gemaa t is, dat de eischers, nu verweerders, de tiend zouden

ziïTvt'dip't? C °m/" tese" de teruggaaf van den koopprijs, zoodra zij tot die teruggaaf in staat zouden zijn.

Er is dus in deze ingesteld eene regtsvordering tot weder-inkoop, waarover bij art. 1555 en volg. 13. W. gebandeld wordt. Daarom^ trent kan geen twijfel bestaan, te minder, dewijl de Regtbank bij haar vonnis, blijkens de overweging quo ad jus, redeneert met het oog op art. 1555 li. W.

Evenmin kan er eenige twijfel bestaan omtrent de toewijzing van zoodanige regtsvordering aan de verweerders door de Regtbank. Bii het dispositief toch van het vonnis is letterlijk overgenomen de 'confusie van de verweerders , onder anderen ook de verwijzing naar ai't. 1568 B.W.

Het is dus alleen de vraag: of die regtsvordering in deze aan de verweerders kon worden toegewezen.

Volgens art. 1555 B. W. spruit het vermogen om het verkochte Weder in te koopen, voort uit een beding, waarbij de verkooper zich het regt voorbehoudt, om het verkochte terug te nemen tegen teruggave van den oorspronkelijken koopprijs en de vergoeding, waarvan 'n art. 1568 gesproken wordt.

J-eregt merkt de heer Diepikjis (I) op, dat hieruit volgt, dat dit

(l) Üet Ned. Burg. Regt, deel 7, § 316 van den 2den druk.

regt bij de overeenkomst van koop en verkoop zelve moet worden bedongen, daar dan, maar ook dan alleen van een voorbehoud van zoodanig regt sprake kan zijn.

Het voornoemd beding toch is eene voorwaarde, waaronder de koop en verkoop wordt aangegaan ; het maakt een bestanddeel van den koop uit; het is, gelijk Donellus leert (1), een gedeelte van den koop en verkoop, «hanc conventionem», zegt hij , »ut fundus venditori restituatur, partem venditionis esse, certum est». Ja wat meer is, het is een gedeelte van den prijs, gelijk dezelfde Donillüs met een beroep op de 1.79 ff. de contrahenda emtione etc. te kennen geeft. «At haec conventio» schrijft hij »ut fundus restituto pretio reddatur etntori (venditori), est pars pretii, quoniam venditor fundum minoris vendidit, ut pro parte pretii non accepti, hanc potestatem redimendi fundi consequeretur»; terwijl hij vooraf had laten gaan : »Sed et illud extra controversiam est, pretium, et partem pretii maxime esse partem venditionis».

Hot regt van weder-inkoop moet dus bij de overeenkomst zelve bedongen worden; want, zoo het later geschiedde, zou men zulks als eene nieuwe overeenkomst moeten aanmerken.

Dit leert behalve de heer Dihphois ook de heer de 1'into (2).

Wanneer men de wetsbepalingen van ons wetboek omtrent het regt van weder-inkoop vergelijkt met die van den Code Napoléon, dan bespeurt men , dat zij uit laatstgenoemd wetboek zijn overgenomen , hetgeen dan ook bevestigd wordt door hetgeen in de werken van den heer raadsheer Voorduin en den heer Asser voorkomt.

Alle de Eransche schrijvers leeren hetzelfde wat door de heeren Diepiiuis en de 1'into wordt verkondigt, bij de menigte schrijvers reeds door den kundigen pleiter van eisch aangehaald, moet ik nog Mod«lon (3) roegen.

De bepaling van art. 1659 Cod. Nap. . overeenkomende met die van art. 1555 van ons wetboek, is aan het Romeinsche regt haren oorsprong verschuldigd, gelijk blijkt uit Dard (4), alsook uit Malevili.e (5) die op art. I 659 niets anders zegt dan : »I1 faut voir sur cette faculte' le titre du Code de pactis inter emptorem etc.»

Er. wat zegt nu 1'erezids op dezen titel? «Quamquam» schrijft hij, «consensu solo perficiatur emptio et venditio, nihilominus ex consensu alia accedunt, quae vel modum adjiciunt, vel formam dant huic contractui, nimirum pacta. Haec enim ita demutn insunt contractui emptionis et venditionis et ad agendum valent, si vel in continenti facta sunt, vel ad substantiam ipsius contractus pertineant; non item si ex intervallo, post absolutum scilicet contractum, interponantur».

En nu is het volstrekt geene onverschillige zaak of het beding van weder-inkoop gemaakt is bij de overeenkomst van koop en ver" koop, dan wel later, omdat de gevolgen in het eene geval anders zijn dan in het andere.

Ik kan dit onderscheid niet beter doen uitkomen, dan door mede te deelen hetgeen Mourlon , op de hem eigene heldere wijze van zich uit te drukken , te kennen geeft.

«Lorqu'une vente», zegt hij, »a été faite purement et simplement, il n'est plus possible de stipuler après coup une faculté de réméré considerée comme condition résolutoire. 1'ar la vente pure et simple, Facheteur est devenu propriétaire inconmutable ; et ne le resti-t-il qu'un instant de raison, eet instant suffit pour que la chose achete'e soit définitivement greve'e au profit de ses créanciers qui ont une hypothèque légale ou judiciaire. La faculté de réméré vaudra sans doute, non pas comme condition résolutoire de la vente, mais comme promesse unilatérale d'une nouvelle vente faite par 1'acheteur. Si, plus tard, le vendeur adhère a cette promesse, une nouvelle vente se formera, qui transférera, de 1'acheteur devenu vendeur au vendeur devenu acheteur, la propriété de la chose primitivement vendue. L'Etat percevra un nouveau droit de mutation. L'acheteur devenu vendeur aura un privilege pour le paiement du prix, et le vendeur devenu acheteur recevra la chose greve'e des hypothèques et des servitudes qui auront pris naissance du chef de 1'acheteur originaire, depuis la première vente et avant la promesse de revendre».

Wanneer nu als waar moet worden aangenomen, dat het beding van weder-inkoop terstond bij den verkoop moet zijn gemaakt, om het bij art. 155'i B. W. bedoelde regt van weder-inkoop te doen gelden , dan blijft alleen de vraag overig of in deze volgens de feitelijke beslissing van Regtbank en Hof, het voorz. beding bij de overeenkomst van koop en verkoop zelve is gemaakt geworden.

Bij de 3de overweging quoad jus van het vonnis verklaart de Regtbank, dat hier eene overeenkomst van koop en verkoop bestond, en partijen een later beding van weder-inkoop gemaakt hebbende, niets anders gedaan hebben dan een vermogen daar te stellen, dat niet bij de acte zelve gegeven was.

Het Hof verklaart bij de 1ste overweging van het beklaagde arrest, dat het tusschen partijen in confesso is , dat de verweerders aan den eischer hebben verkocht eene tiend onder Orthen voor de som van f 4000 , doch nergens zegt het, dat bij de overeenkomst van koop en verkoop zelve het regt van weder-inkoop was bedongen; integendeel neemt het bij de '2de overweging het beding van weder-inkoop uitsluitend aan op des eischers bekentenis, dat deze eenige dagen na het sluiten van het gemeld contract van koop en verkoop der tiend, aan de verweerders, op hun daartoe gedaan verzoek, de stellige toezegging heeft gedaan, en zonder daarbij eenig voorbehoud of voorwaarde te voegen , dat hij hun de tiend zou teruggeven, zoodra zij tot den weder-inkoop daarvan in staat zouden zijn.

Uit dit een en ander blijkt dus, dat Regtbank en Hol niet hebben

(I) Comment, ad lib. IV, Codicts, ad tit. 54, lib. 4, ad 1. 2 et seqq. n°. 5.

(z) tiandl. tot het Burg. Wetb,, 2de ged., § 830 in fine.

(3) Répetitions écrites sur l. troisième ex. d. C. Nap., deel 3, n '. 630 en volgg. der 6de Par. uitgave, bl. 253 en volgg., bepaaldelijk n°. 633.

(4) Conférence du Code Nap. op art. 1659.

(5; Analyse raisonnée d. I. disc. d. C. C.

beslist, dat het bewuste beding terstond bij de overeenkomst van koop en verkoop zou zijn gemaakt, maar integendeel hebben erkend, dat het regt van weder-inkoop eerst later, eenige dagen na het sluiten van het contract van koop en verkoop, zou zijn bedongen.

En nu heeft het Mof wel bij de 5de overweging van het arrest te kennen gegeven, dat de eerste regter teregt de voornoemde handeling tusschen partijen heeft beschouwd als een pactum bij het oorspronkelijk koopcontract gevoegd , waaruit voor den eischer de verpligting vooi tv loeit om de gekochte tiend terug te geven, wanneer de verweerders dit tegen teruggave van den koopprijs met de kosten zouden verlangen; doch het Hof verliest daarbij uit het oo<r. dnt het tan

deze de vraag niet is, of de eischer krachtens die latere overeenkomst gehouden is de gekochte tiend terug te geven , maar dat het in deze uitsluitend de vraag is , of, wanneer het regt van wederinkoop niet is bedongen bij de acte van koop en verkoop zelve, maar eerst later na het sluiten van dien koop, alsdan nog de regtsvordering tot weder-inkoop bij art. 1555 B.W. bedoeld, kan worden toegewezen.

Die vraag moet na het zoo even door mij voorgedragene ontkennend beantwoord worden.

En daar nu het Hof evenwel, blijkens het dispositief van het vonnis des eersten regters, hetwelk het heeft bevestigd, voornoemde regtsvordering aan de verweerders heeft toegewezen, zoo heeft het daardoor art. 1555 IJ. W. in deze verkeerd toegepast, en moet dus het aangevoerde middel van cassatie als gegrond worden aangemerkt.

JViet het oog op dit een en ander concludeer ik mitsdien , dat bij arrest van den Hoogen Raad zal worden vernietigd het arrest van hel Prov. Geregtshof in Noordbrabant, dd. 19 Febr. 1867; en ten principale met vernietiging van het hooger beroep en van het vonnis der Arrond.-Regtbank te 's llertogenbosch , dd. 2 7 Junij U-66, en op nieuw regt doende, de verweerders zullen worden verklaard ongegrond in de regtsvordering, bij exploit van den 19 Sept. 1865 ingesteld , met veroordeeling van de verweerders in de kosten der beide instantiën en in die van cassatie, met bevel tot teruggave der boeto van cassatie.

De Hooge Raad enz.,

Gezien de stukken;

Overwegende, dat als eenig middel van cassatie is voorgesteld: schending en verkeerde toepassing van art. 1555 , zoo op zichzelf als zooveel noodig in verband met de artt. 1493 en 1494 B. W. , omdat het Hof, ofschoon feitelijk beslissende, dat in het oorspron kelijk koop-contract geen beding voorkomt, waarbij de toenmalige verkoopers (de verweerders) zich hebben voorbehouden het vermogen de verkochte tiend weder in te koopen , hun niettemin heeft toegekend het regt van weder-inkoop, eenig en alleen op grond der mondelinge toezegging door den oorspronkelijken kooper (eischer in cassatie) eenige dagen na het sluiten van genoemd contract aan de verweerders gedaan, dat hij hun de tiend zou teruggeven, zoodra zij tot den weder-inkoop daarvan in staat zouden zijn ;

O., dat feitelijk vaststaat: 1°. dat de eischer in cassatie eenige dagen na het sluiten der overeenkomst van koop en verkoop deitiend aan de verweerders, op hun verzoek , stellig en zonder eenig voorbehoud of voorwaarde heeft toegezegd te teruggave der tiend zoodra zij tot den weder-inkoop daarvan in staat zouden zijn ; en 2 -. dat door de verweerders tegen den eischer is ingesteld eene regtsvordering tot weder-inkoop, zooals is bedoeld bij de artt. 1555 en volg. B. W., en dat deze vordering is toegewezen;

O., dat het al ol niet gegronde van het daartegen aangevoerde middel van cassatie alleen daarvan afhangt, of (zooals bij het beklaagde arrest is beslist) de in deze, na het sluiten van den koop en verkoop later aangegane, overeenkomst moet worden gehouden voor een beding, gevoegd bij het oorspronkelijk koop-contract en daarvan uitmakende een integrerend deel, en derhalve als bevattende zoodanige ontbindende voorwaarde der overeenkomst van koop en verkoop als is omschreven bij art. 1555 B. W.;

0. dat, volgens art. 1555 B. W. , het daarbij bedoeld regt van weder-inkoop , voortspruit uit een beding, waarbij de verkooper zich voorbehoudt het regt het verkochte later, doch binnen den bij de wet daarvoor bepaalden termijn terug te nemen — dat daaruit volgt dat het (als een op den prijs invloed kunnende hebben bestanddeel van den koop en verkoop) bij dien koop en verkoop zelf en alzoo terstond en bij het sluiten daarvan , niet daarna en later, moet zijn aangegaan; en dat dit wordt bevestigd door art. 1568, 3de zinsnede, li. W., houdende, dat de verkooper ten gevolge van het beding van weder-inkoop, zijn goed terug bekomt vrij van alle lasten en hypotheken door den kooper daarop gelegd; vermits deze bepaling niet zonde zijn overeen te brengen met de regten van derden reeds verkregen tusschen den koop en verkoop en de later aangegane nadere

overeenkomst;

U., dat alzoo het eenig aangevoerde middel van cassatie is gegrond;

Vernietigt het arrest van het Prov. Geregtshof in Noord brabant, den 19 Febr. 1S67 tusschen partijen gewezen;

En ten principale regt doende op het ingestelde hooger beroep,

Doet te niet het in eersten aanleg gewezen vonnis der Arrond.Regtbank te 's llertogenbosch van den 27 Junij 1866 ;

En op nieuw regt doende ,

Ontzegt de door de verweerders tegen den eischer bij exploit van den 19 Sept. 18ti5voor gezegde Regtbank ingestelde regtsvordering;

Veroordeelt de verweerders in de kosten der beide instantiën en in die van cassatie;

Beveelt de teruggave der geconsigr * :rde boete.

(Gepleit voor den eischer Mr. .7. j. Rochüssen , en voor de verweerders Mr. W. Wintokks.)

Sluiten