Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Donderdag, 46 Januarij 1868.

N°. 2965.

W KEK BLAD VAJN HET KEGTö

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

dertigste jaargang.

blad verschijnt geregeld twee malen per week. Prijs per jaargang f 20; voor de buitensteden, franco per post, met f 1.20 verhooging. zonder zegelregt, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieoen, enz., behalve van BH. gewone correspondenten , franco.

HOOGE RAAD DER NEDERLANDEN.

üaHser van Strafzaken.

Zitting van den 1 October 1 8 67.

Voorzitter, Jhr. Mr. B. van den Velden.

Diefstal. — Buitenbraak. — Geweldpleging.

Kan, vermits voor het aanwezig zijn van geweldpleging bij een diefstal gevorderd wordt, dat er geweld gepleegd zij tegen een persoon, daaruit worden afgeleid, dat zoodanige geweldpleging altijd moet medebrengen feitelijke ligchamelijke beleediging; oj bestaat niet integendeel ook geweldpleging tegen den persoon, wanneer de bestolene tijdens het plegen van den diefstal ge¬

welddadig wordt opgesloten of teruggehouden ? — In laatstge melden zin beslist.

H. Bohlen , oud zeven-en-dertig jaren , geboren te Vollen er vehn, ambt Leer in Pruissen, A. Koossien, oud zes-en-dertig jaren, geboren te Stadskanaal, beiden van beroep arbeiders , en L. Simons oud

negen-en-twintig jaren, geboren te Hoogezand, van beroep koopman,

allen wonende te stadskanaal, hebben zich in cassatie voorzien tegen een arrest van het Prov. Geregtshof in Drenthe van den 1 Junij 1867, waarbij de twee eersten zijn schuldig verklaard aan diefstal bij nacht door twee personen , door middel van inbreken van buiten in een bewoond huis en met geweldpleging, ten aanzien van den eersten na vroeger tot criminele straf te zijn veroordeeld geweest, met vrijspraak van het overige hun ten laste gelegde; en de derde aan medepligtigheid aan diefstal, door het met weten helen of verbergen

van goederen , bij wege van misdaad of wanbedrijf onderschept of

verkregen , zonder dat hij evenwel overtuigd is geworden van ten tijde der heling kennis te hebben gehad van zoodanige omstandigdigheden , als waaraan de wet de straf van eeuwigen dwangarbeid

met toepassing der artt. 379, 382, 381, sub 1

' öy> do btrafregt en der artt. 2 en 11 der wet

van een 29 Junij 1854, zijn veroordeeld tot tuchthuis-straf, de eerste van twintig , de tweede van vijftien en de derde van vijfjaren, en

jvuoien van net geding, met last voorts, dat een extiact van dat arrest zal worden gedrukt en aangeplakt te Assen, Borger en Wildervank.

Nadat was gehoord het verslag van den raadsheer Jolles, heeft

de adv.-gen. Komer de volgende conclusie genomen :

Edel Hoog Achlb, lieeren, President en Raden! Tot staving van dit beroep in cassatie zijn twee memoriën aan den Raad ingediend, eene waarbij de middelen voor de twee eerste requiranten , en de andere, waarbij die van den derden req. worden voorgesteld.

Het eerste middel, voor de beide eerste requiranten voorgedragen, is geheel feitelijk. De steller der memorie beweert, dat art. 427 Strafvord. is geschonden, omdat de aanwijzingen, welke in het arrest worden opgegeven , niet staven , dat het misdrijf is gepleegd door deze requiranten.

De Raad zal zich uit het rapport herinneren, dat bet bewijs voor de schuld der requiranten is afgeleid uit een zevental aanwijzingen, allen feiten , welke behoorlijk bewezen zijn verklaard. Het betoog nu van den steller der memorie komt hierop neder, dat in die feiten geen bewijs ligt voor de schuld der requiranten. Hij tracht de bewijskracht van ieder feit op zich zelf te ontzenuwen, en het zal wel niet noodig zijn aan te toonen, dat hij daardoor treedt op het gebied van den judex facti, waar de Raad hem niet kan volgen.

Ik zal het tweede en derde middel zamenvoegen. Beide toch betreffen de qualificatie, dooi- het Hof aan de bewezen verklaarde feiten gegeven.

De steller der memorie beweert, dat geschonden zijn de artt. 381, 393, 395, alsmede 382 C. P., omdat noch de buitenbraak, noch de geweldoefening, waaraan de requiranten zijn schuldig verklaard, in de bewezen feiten liggen opgesloten.

Omtrent de gepleegde buitenbraak is in facto beslist: dat zij het huis zijn binnengedrongen door de buitendeur aan den noordkant, Da te hebben verwijderd of weggenomen een stok , die tot sluiting der deur diende en, van binnen door het handvat der klink gestoken, tegen het kozijn geplaatst was, hetzij dat men dien stok heeft weten te verwijderen , door de deur aan den buitenkant te verwrikken , hetzij door tusschen de deur en het kozijn eenig voorwerp naar binnen te brengen , zijnde niet bewezen , dat hierdoor een kerf of beschadiging van den stok is veroorzaakt.

Er is dus bewezen verklaard, dat de daders door de bewuste deur in het huis zijn binnengedrongen ; en hierdoor vervalt het geheele betoog der memorie, dat de daders langs een anderen weg in de woning zouden zijn gekomen. Voorts blijkt uit die beslissing des

wf ISwapit :r"rn,ging dei (ieur en wegneming van het voorweip, hetwelk tot slmöng diende, heeft plaats gehad, zoodat door deze eitebjle beslissing de toepassing van art. 393 C. P. m.i. wordt gewettigd. De Raad vergelijke het arrest van 9 Jan. 1866 Weekbl.

n". 2767 , Ned. Regtspr., d. 82 , bl. 41 mnPt nii™ ' 1

, . 1 , - , • XK moet alleen nog doen

opmerken, dat het proces-verbaal van plaatsopneming, waarop de steller der memorie zich beroept, bij de beoordeeling del- qnalificatie in geene aanmerking kan worden genomen.

"eter kan ik mij vereenigen met het betoog, in de memorie voorkomende, betrekkelijk de geweldoefening, waaraan de requiranten schuldig zijn verklaard.

Er is door heil geene feitelijke aanranding of aantasting van personen gepleegd, eu de wet verstaat onder geweldoefening zoo als Cha nvn>.ati "zport. • //tnnt.p.s les voies de fait. aui sont dirio-ppu

- ■ —^ • ' *■ -- v. wij wc

Je« personnes." Er is hieromtrent alleen bewezen verklaard , dat de '

iecpnranten tegen de deur der bedstede hebben geslagen, en dat dit slaan is gepaard geweest met bedreigingen, met het doel om te verhinderen, dat de getuigen zouden opstaaa.

Er blijkt dus uit die feitelijke beslissing alleen, dat de requiranten onder het slaan tegen de deur der bedstede bedreigingen hebben

geuit om de bewoners te verhinderen op te staan, en dat deze door de voormelde bedreigingen en niet door eenig physiek geweld feitelijk belet zijn op te slaan of teruggehouden of opgesloten.

Er is mede beslist, dat dit slaan"is gepleegd met eene soort van kneuzend werktuig, hetwelk volgens 's Hofs beslissing een handstok kan zijn geweest, doch tevens niet bewezen verklaard, dat dit voorwerp is gebezigd om iemand te treffen en evenmin dat daarmede naar den persoon, die in de bedstede lag, is geslagen.

Het Hof maakt verder uit, dat, ingevo'lge art. 101 C. P., de handstok in casu niet kan worden beschouwd als een openlijk of verborgen wapen , en neemt dus aan, dat niet is gebleken , dat de schuldigen of een hunjier openlijke óf verborgen wapenen bij zich droegen.

Nu worden in het stelsel van het Wetboek van Strafregt de bedreigingen slechts dan gerekend onder daden van geweldpleging, wanneer die bedreigingen daarin bestaan, dat zij hunne wapenen

zunen georuiKen.

Door de feitelijke beslissing vervalt dit punt geheel, omdat niet gebleken is, dat zij wapenen in den zin der wet bij zich hadden en a fortiori ook niet hebben bedreigd om van hunne wapenen gebruik te maken.

Ik geloof dus, dat het Hof inderdaad op de bewezen verklaarde feiten ten onregte de bepaling van art. 382 C. P. heeft toegepast. Over het verband van dat artikel met art. 381, n". 5, ibid. en over den aard der bedreigingen en hare gelijkstelling met daden van geweldpleging vergelijke de Raad Chauveau, Tkéor., éd. de KTypels, t. XI, § 3403, p. 427 en de noten.

Door den derden req. van cassatie is slechts één middel aangevoerd, nl.: schending van artt. 442 en volg. Strafvord., omdat vooreerst niet is bewezen , dat het bij hem bevonden oorijzer hetzelfde zoude zijn als datgene , hetwelk was gestolen , en ten andere niet wettig is bewezen, dat de req. tijdens den gesloten inkoop de wetenschap had, dat het voorwerp door diefstal was verkregen.

Beide gronden zijn geheel van feitelijken aard en worden door het arrest wederlegd.

De identiteit van het voorwerp wordt door het Hof aangenomen door de voorafgaande en volgende omstandigheden, en bij de lezing van het arrest is het duidelijk , dat hiermede zijn bedoeld de opgegeven aanwijzingen, waardoor de schuld der beide eerste requiranten bewezen is verklaard.

En ten opzigte van de tweede bewering kan ik alleen aanvoeren, dat die "wetenschap niet is een eigenlijk gezegd feit, waarop de regelen van het wettelijk bewiis kunnen worde n toecrfinjisf.. Ri* kan dus

geen schending zijn van de artt. 442 en volg. Strafvord., terwijl evenmin de artt. 206 en 211 ziin o-eschondp.n omHut hof ovrocf t-or»

opzigte van de wetenschap van den derden req. bij den inkoop met redenen is omkleed. Dit inidrlp.1 i« m ; i:-,_ r

TI i . *• '-"ititniiicmejij JS..

Ik heb uit dien hoofde de eer, namens den heer proe.-gen., te concluderen tot vernietiging van het beklaagde arrest, doch alleen voor zooveel de qualificatie van het ten laste van de twee eerste beschuldigden bewezen verklaarde feit betreft; en dat de Raad het feit zal qualificeren: diefstal bij nacht, gepleegd door twee personen door middel van buitenbraak in eene bewoonde huizinge, en ten aanzien van den eersten besch. verzwaard door vroegere veroordeeling tot criminele straf; overigens met instandhouding van het arrest en veroordeeling van de requiranten solidair in de kosten, in cassatie gevallen.

De Hooge Raad enz.,

Gelet op de memoriën, namens de requiranten ingediend ;

Overwegende, dat bij de eene memorie drie middelen van cassatie namens de twee eerste requiranten worden aangevoerd, en wel vooreerst: schending van art. 427, laatste lid, Strafvord.;

O., dat tot staving van dit middel wordt beweerd, dat het Hof in het beklaagde arrest het bewijs van de schuld der requiranten alleen put uit aanwijzingen; dat echter die aanwijzingen wel aantoonen dat er misdrijf gepleegd is, maar niet dat de requiranten het hebben gepleegd, zoo als art. 442 Strafvord. eischt;

O., dat verder in de memorie de verschillende aanwijzingen worden onderzocht en beoordeeld , en ten slotte beweerd, dat sommige der

nuuvtijouigcu op anaere personen Kunnen betrekking hebben, en wederom andere aanwijzingen op geheel natuurlijke wijze kunnen worden verklaard, en alzoo het wettig bewijs, bij art. 427, laatste lid gevorderd, zou ontbreken;

0. hieromtrent, dat de schuld van de twee eerste beschuldigden lil het beklaagde arrest werkelijk is gegrond op aanwijzingen, welke, zeven in aantal, in bijzonderheden bij dat arrest zijn vermeld en allen zijn afgeleid uit de verklaringen van beëedigde getuigen in verband beschouwd met de opgaven der beschuldigden zelvet '

O., dat echter de kracht van bewijs, welke aanwijzingen in elk bijzonder geval hebben , ingevolge art. 444 Strafvord.. aan de be¬

scheidenheid van den judex facti wordt overgelaten , en derhalve eene beoordeeling daarvan, op de wijze, als bij het tegenwoordig middel is aangegeven, in cassatie niet vermag plaats te vinden; dat alzoo al het daaromtrent bij het eerste middel beweerde is onaannemelijk ;

0., dat als tweede middel is voorgesteld: schending van art. 381, n°. 4, Strafregt, in verband met de artt. 393 en 395 van dat wetboek, en wel uit hoofde hier ten onregte is aangenomen de verzwarende omstandigheid van buitenbraak, waartoe zouden vereischt worden daden van geweld, aan de voorwerpen, tot afsluiting dienende, gepleegd om zich alzoo den toegang tot de afgesloten plaats te verschaffen, hoedanige omstandigheden in casu niet aanwezig zijn;

O. met betrekking tot dit middel, dat niet het proces-verbaal van plaatsopneming, waarop men zich in de memorie beroept, maar alleenlijk het arrest zelf, bij de beoordeeling der aan de bewezen feiten gegeven qualificatie in aanmerking mag worden genomen ; dat nu in dat arrest in facto is beslist, dat de daders, bij het plegen van den diefstal, de bewoonde huizing van den bestolene zijn binnengedrongen door de buitendeur aan den noordkant, zulks door te hebben weggenomen of verwijderd een stok, die aan de binnenzijde

JUS ET VERITA8.

Prijs der advertentiën,

van die naar buiten opengaande deur was gestoken door de ring of' het handvatsel der klink, tot sluiting, zoodat de toegang daardoor verhinderd werd, zij het dan ook, dat men dien stok heeft weten te verwijderen, door de deur aan den buitenkant te verwrikken , dan wel door tusschen de deur en het kozijn eenig voorwerp naar binnen te brengen;

, . ö., dat, al moge nu ook tevens niet bewezen verklaard zijn, dat nierdoor een kerfje aan, of andere beschadiging van dien stok is veroorzaakt, deze feitelijke beslissing vooreerst aangeeft de wijze, waarop de daders in het bewuste huis zijn gekomen, waartegen, als zijnde eene beslissing van den judex facti, wederom niet in aanmerking kan worden genomen de bewering der memorie van het mogelijke, dat zij niet op die wijze in, maar veeleer na volbragten diefstal, uit die woning gegaan zijn; doch dat ten andere uit deze alzoo aangenomen feiten blijkt, dat er verwringing der deur en wegneming van het voorwerp, hetwelk tot sluiting diende, heeft plaats gevonden, welke toedragt van zaken de aanneming der verzwarende omstandigheid van buitenbraak, overeenkomstig de artt. 393 en 395 Strafregt, volkomen wettigt;

0., dat alzoo ook het tweede middel is ongegrond;

0., dat bij het derde middel wordt beweerd: schending van art. 382, n". 1, Strafregt, en wel omdat bij het plegen ran den diefstal' niet zou hebben plaats gehad eene feitelij ke aanranding of aantasting van een persoon en, bij gebreke daarvan, er geene sprake kan zijn van »vol commis ii Faide de violence» ;

O. te dien opzigte, dat, met betrekking tot de feiten, die geweldoefening zouden daarstellen, bij het beklaagde arrest als bewezen is aangenomen, dat de requiranten , bij het plegen van den diefstal in de bewoonde huizing van Hilberts, dezen dreigden te vermoorden ; en dat voorts, toen gemelde Hilberts, al roepende «moord, dieven !» op zijne knieën in het bed zittende, met de beddeplank in het rond sloeg tegen het beschot en de deuren der bedstede, waarvan ééne deur door een wervel werd vastgehouden, één der dieven, terwijl er steeds als voren gedreigd werd , bij herhaling tegen die openstaande deur sloeg met eenig kneuzend werktuig, zoodanig, dat Hilberts daardoor zijn bed niet durfde verlaten , niettegenstaande hij hoorde, dat men bezig was hem te bestelen ;

dat voorts bij hetzelfde arrest wel is aangenomen , dat niet bewezen was het doel om met dat werktuig Hilberts of een der zijnen te treffen, doch wel dat een en ander plaats vond om te verhinderen dat Hilberts uit de bedstede kwam ;

0., dat er nu wel voor het aanwezig zijn van geweldpleging bij een diefstal gevorderd wordt, dat er geweld gepleegd zij tegen een persoon , doch dat daarutt niet volgt, dat zoodanige geweldpleging

altijd zou moeten meaeorengen ieiieiij ngcnameiijKe beleediging ; dat integendeel ook geweldpleging, tegen den persoon begaan , bij diefstal bestaat, wanneer de bestolene, op de wijze, als in casu, tijdens het plegen van den diefstal gewelddadig wordt opgesloten of teruggehouden ;

O., dat derhalve de in voege voorschreven bij het beklaagde arrest aangenomen feiten teregt zijn geoordeeld de verzwarende omstandigheid van geweldpleging daar te stellen, en derhalve ook het derde cassatie-middel niet kan opgaan;

O. ten opzigte van den derden req., dat namens dezen bij memorie één middel is voorgesteld: schending van art. 442 Strafvord en wel uit hoofde de wettige voorschriften omtrent het bewijs niet zouden zijn in acht genomen: 1». ten aanzien van het punt. dat het oorijzer, hetwelk door den req. van den eersten besch.' zou zijn gekocht en door hem weder aan L. Mosbach te Nieuwe Pekela°is verkocht, hetzelfde zou zijn als dat, hetwelk door den diefstal bij Hilberts zou zijn verkregen ; en 2». ten aanzien van het feit, dat de ieq. tijdens het koopen van de gestolen voorwerpen de wetenschap had, dat deze door diefstal verkregen waren;

0. hieromtrent, en wel ten opzigte van het iu dn eerste plaats beweerde, dat de feitelijke beslissing van het Hof dit beweren wederspreekt; dat immers in het beklaagde arrest is aangenomen, dat dit oorijzer wel niet, als niet ten processe voorhanden, voor het gestolene heeft kunnen worden herkend, maar toch voor hetzelfde moet worden gehouden, uit aanmerking van de aan de overweging, waarin deze beslissing voorkomt, voorafgaande en volgende omstandigheden, welke volgens het beklaagde arrest tevens aantoonen, dat de derde req., toen hij het oorijzer en de sloten bekwam, geweten heeft, dat die voorwerpen gestolen of door eenig ander misdrijf verkregen waren ;

0. met betrekking tot het in de tweede plaats bij dit middel aangevoerde, dat dit beweren, behalve door het reeds hierboven vermelde, wederom door de feitelijke beslissing in het beklaagde arrest volkomen wordt gelogenstraft;

0. toch, dat aan het einde van liet beklaagde arrest in hiixnnriar.

heden worden vermeld de omstandigheden, welke naar 's refters oordeel ten bewijze hebben verstrekt, dat de derde req. zou hebben o-e-

weten, aat ue uoor nem verkochte voorwerpen door diefstal waren verkregen ;

O. voorts, dat die wetenschap in het beklaagde arrest is afgeleid uit wettig bewezen daadzaken, in verband beschouwd met de opgaven en gedragingen van den req. zei ven ;

0., dat hierdoor aan de voorschriften der wet volkomen is voldaan , en derhalve ook dit middel is oiwrond ■

Verwerpt enz.

/zitting van den 8 October 186 7.

Veeziekte. — Verdacht vee. ■— Intrede dook den

burgemees! eb.

Is het genoegzaam, dat feitelijk beslist zij, dat er veidenkin^, 4e stond, zonder dat di, woord eene nadere

om ta 4eteekenen verdacht van ^ziekte « te welt gen de intrede van den burgemeester in des beklaagden stal tot liet onderzoeken van diens vee? a*

Sluiten