Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Donderdag, 27 Februarij 1868. N°. ^||?Jp

WEEKBLAD VAN HET REGT

REGTSKUNDIG NIEUWS- EN ADVERTENTIE-BLAD.

dertigste JAARGANG. lüS ET VERim

t geregeld twee malen per week. Vrij» per jaargang f U) ; voorde buüensteden, franco per post met f 1.20 verhooging. ~ Prijs d,r advertentie* zonder zegelregt, 20 cents per regel. — Bijdragen, brieven, enz., behalve van HH. gewone correspondenten, f

Prijs der adverf.entiën,

HOOGE HA AD DER NEDERLANDEN.

ËSupgerlijke k»i»er«

Zitting van den 17 .Tanuarij 1868.

Voorzitter, Mr. F. de Greye.

Als de laatste dag van den termijn van cassatie valt op een Zondag, kan het beroep nog worden ingesteld op den volgenden dag.

Het regt van den der tienden penning kan ook worden geheven bij overgang van goederen in de doode hand oj met de bestemming voor publiek nut.

(Zie voorts de vraagpunten, gesteld boven het arrest in zake

T. Klinkhamer, tegen E. Croese, XVeekbl. n>. 2976.)

De Commissie der bedijking van de Vinkeveensche en Proostdijer-

polders, gevestigd te Vinkeveen, eischeresse in cassatie, procureur

Mr. C. J. Franss,

tegen

E. Croese, verweerder, procureur Mr. M. Eyssell.

De adv.-gen. Gregory heeft in deze zaak de volgende conclusie genomen:

hJdel Hoog Achtbare Ileeren, President en Raden ! In deze zaak zijn door de eischeresse tegen het arrest van het Prov. Geregtshof in Utrecht van den 24 Sept. 1866, waarbij insgelijks bevestigd is het vonnis der Arrond.-Regtbank aldaar van den 26 April 1865 , vier middelen van cassatie aangevoerd.

Alvorens tot de bestrijding dier middelen over te gaan , heeft de verweerder een middel van met-ontvankelijkheid der eischeresse in haar beroep in cassatie voorgesteld, op grond, dat dit na den bij de Wef bepaaldeii termijn, en dus te laat was ingesteld.

-Blijkens het exploit, aan het beklaagde arrest vastgehecht, is dit arrest aan de eischeresse beteekend op den 17 Nov. 1866, terwijl de memorie van cassatie ter griffie is overgelegd en mitsdien het beroep is ingesteld op 18 Febr. 1867.

Volgens de bepaling van art. 398 B. R. , en in overeenstemming met de leer van den Hoogen Kaad(l), kon het beroep in deze ten Allerlaatste gedaan zijn op den 17 Febr.

Doch wat voor een dag was die 17 Febr.? Die dag was een Zon<{ag; een dïig dus, waarop, volgens art. 68 van het reglement betreffende de wijze van eedsaflegging enz., vastgesteld bij Kon. besluit van den 14 Sept. 1838 {Stbl. n . 36), de griffier niet verpligt is de griffie °Pen te houden , zoodat de eischeresse buiten de mogelijkheid was bare memorie op dien dag ter griffie over te leggen.

Zou zij dus niet van den termijn van drie volle maanden beroofd worden, welke haar bij art. 398 was toegekend, dan moest zij die wederlegging nog op den volgenden dag kunnen doen, daar zij anders cenen dag te weinig had voor de uitoefening van haar regt.

Wegens den invallenden Zondag op 17 Febr. was dus de 18 iebr. de laatste dag, waarop de voorziening kon geschieden.

Zoo begreep het dan ook de kamer van strafzaken van dezen Baad met betrekking tot art. 390 Strafvord. bij arrest van 24 Junij 1845 (2).

Wel is waar heeft de pleiter voor den verweerder bij pleidooi zich op een arrest van dezen Raad van 24 April 1851 (3) beroepen ten betooge, dat het geen verschil zoude uitmaken, of de laatste dag van den termijn al dan niet een Zondag was; doch dit beroep kan niets afdoen, daar uit het arrest niet het minste daaromtrent blijkt.

Het door den verweerder aangevoerde middel van niet-ontvanke* lljklieid acht ik mitsdien ongegrond.

Wat is er nu van de voorgedragene middelen van cassatie?

Het eerste middel bestaat in schending en verkeerde toepassing der artt. 24 en 25 der Staatsregeling van I?y8, alsmede van art. 40 dier Staatsregeling, en der artt. 627, 1902 en 1903 B. W., omdat het Hof heeft voorbijgezien, dat het regt van den dertienden penning of handwissel is overgedragen bij, met en als een zamenhangend gevolg der heerlijkheid, en dat het alzoo is een heerlijk regt van gelijken oorsprong als de heerlijkheid zelve, eene proeëminentie van haar, geenszins een afzonderlijk grondregt, en dat het mitsdien behoort tot de i'egten, afgeschaft bij de Staatsregeling van 179*.

Dit middel is hetzelfde, hetwelk als eerste middel was voorgesteld ln de zaak, waartoe betrekking heeft het arrest ^ an dezen Raad van 23 Jan. 1863, waarvan ik in de vorige zaak reeds melding heb gemaakt.

L>ij dat arrest is door den Hoogen Raad teregt overwogen , dat ter beantwoording der waag, of het onderwerpelijk regt al of niet is afgeschaft by de staatsregeling van 1798, alleen moet worden gelet op zijnen aard en zijne strekking, en dat mitsdien de omstandigheid, dat het steeds met eene heerlijkheid is verbonden geweest, daarop van geenen beslissenden invloed kan zijn.

In de vorige zaak heb ik reeds te kennen gegeven, met een beroep op Bort en twee arresten van dezen Kaad, dat hij die beweert dat een gevorderd regt van leenroeriger, aard is en voortvloeit uit'een afgeschaft heerlijk regt, die stelling moet bewijzen.

(1) Men zie de arresten van 21 Dec. 1843 en 6 Nov. 1840 , te vinden in de Ned. Regtspr., d. 17, hl. 23 en 24, en d. 25, bl. ü47 en 2 i8, alsmede bij t. d. HonErt, Verz. van arr., afd. Burg. Regt, d. 5, bl. 110 en volgg., en d. 8, bl. 174 en volgg.

(2) Te vinden in de Ned. Regtspr., d. 22, bl. 75 en 76.

(3) Te vinden in de Ned. Regtspr., d. 38, bl. 271 en 272, en bij v. D. ItoKERX, Verz. van Arr., afd. Burg. Regt, d. 13, bl. 52 en volgg.

De eischeresse is daarin ten eenemale in gebreke gebleven, zoodat reeds dit voldoende zoude zijn tot verwerping van het middel.

Kr is echter meer. Bij de 23ste overweging quoad jus heeft het Hof uitgemaakt, dat dit regt van handwissel, in voege als het door den verweerder is gesteld en geformuleerd, en hierboven (d. i. dij de 6de en volgende overwegingen) als bewezen is aangenomen , bij titel kon worden gevestigd en vatbaar was voor bezit jure cmtli, ook zelfs nog heden ten dage bij contract zou kunnen worden lil het leven geroepen, en als zakelijk regt ook voor bezit jure civi i vatbaar zou zijn.

Het Hof heeft dus ook in deze zaak, even als in die, waarop het meergenoemde arrest van dezen Kaad van 23 Jan. 1863 betrekking heeft, op grond van onderscheidene met dat regt in betrekking staande bescheiden, in verband met verschillende geschiedkundige omstandigheden, en dus op zuiver feitelijke gronden aangenomen en beslist, dat het onderwerpelijke regt van burgerlijken oorsprong was, zoodat het niet geacht kan worden te behooren tot de regten, welke bij de Staatsregeling van 1798 zouden zijn afgeschaft.

Het eerste middel ran cassatie kan dus in geene aanmerking worden genomen.

Als tweede middel van cassatie is bijgebragt: schending en verkeerde toepassing van de 49ste Novelle, cap. 2 , § ü , van de artt. 1317, 1319 en 1335 Cod. Nap., en van de artt. 1905 , 1907 en 1927 B. W., doordien als afdoende bewijzen zijn aangemerkt bescheiden, welke niet hebben een karakter van authenticiteit, van de 1. 5, 6 en 7 Cod. de probatiouibus, 1. 31 D. eod. tit. en van de artt. 1322 en 1331 Cod. Nap., de artt. 1912 en 1918 ii. W., alsmede van de 1. 12, 13, 14 D. de except. rei jud... art. 1351 Cod. Nap., en 1954 li. W., 1. 7, § 19, 1. 20, 1. 27, § 4, D. de pactis, 1. 1 Cod. inter alios acta vei judicata, 1. 25 Cod. de pactis, en de artt. 1165 Cod. Nap. en 1376 13. W., eensdeels ter zake der admissie, als aiiloende bewijzen, van bescheiden, welke 'of niet kunnen gelden tegen den eischer als onderhandsche acten of als wettelijke vermoedens, of afkomstig zijn van de partij zelve; en anderdeels, door, zonder eenig geldig bewijsmiddel, aan te nemen, dat de heffing kan geschieden ook bij overgang van landen in de doode hand of die moesten dienen tot algemeen nut.

Dit middel bestaat uit drie deelen, waarvan de twee eerste deelen overeenkomen met het tweede middel in de zaak, waarop betrekking heeft het arrest van dezen Kaad van l April 1853, en met de twee eerste deelen van het vierde middel in de vorige zaak. liet derde deel echter is anders dan het derde deel van het vierde middel der vorige z ;ak, terwijl ook thans eenige Komeineche wetten minder zijn opgenoemd.

;\1 wat ik in de vorige zaak met betrekking tot de twee eerste deelen van het vierde middel gezegd heb, is van voikoinene toepassing op de twee eerste deelen van het onderwerpelijke middel, zoodat ik de vrijheid neem mij daarnaar te gedragen.

Het derde deel van het middel is gerigt tegen de 40ste en 41ste overwegingen quoad jus van het beklaagde arrest.

De eischeresse had beweerd, dat het regt van den dertiendeu penning niet werd geheven bij overgang van landen in de doode hand, of die moesten dienen tot algemeen nut

Doch nu maakt het Hof feitelijk uit, dat de eischeresse in gebreke is gebleven daarvoor eenig bewijs of ten minste eenig antecedent aan te voeren ; dat zoodanig voorbeeld ook nergens voorkomt gedurende de heffing van dit regt door het kapittel, en veeleer uit sommige posten het tegendeel schijnt to blijken, als ook uit eene verhuring van dat regt aan Zweder van Abcoude in 1331 en 1.377.

De eischeresse beweerde vrijdom van den handwissel. Zij moest dus het bestaan van dien vrijdom bewijzen ; en daar zij nu dit bewijs niet heeft kunnen leveren, heeft het Hof geoordeeld, dat die beweerde vrijdom niet kon worden aangenomen.

Dit oordeel is volkomen juist en overeenkomstig het regtsbeginsel, zoowel van het oude als van het tegenwoordig regt, dat een iegelijk, die zich op eenig feit tot tegenspraak van eens anders regt beroept, het bestaan van dat feit moet bewijzen.

Hierbij komt nog, dat, hoe groot ook het aantal wetten moge zijn, die volgens de eischeresse door het Hof zouden zijn gesehonden of verkeerd toegepast, daaronder geene enkele wordt aangetroffen, die op dit derde of laatste deel van het middel betrekking heeft, zoodat omtrent dit deel eene aanwijzing der wetten ontbreekt, welke geschonden of verkeerd toegepast zouden zijn.

Het tweede middel van cassatie moet dus insgelijks als onaannemelijk worden aangemerkt.

Het derde middel, hetwelk is aangevoerd, bestaat in schending en verkeerde toepassing van art. 95, n". 3 (moet zijn 59, n". 3) B. R., artt. 627 en 190u B. W., in verband, hetzij met de 1. 3 D. deusurp. et usucap. en met princ. en § 7 Inst. de usuc. et longi temp. praescr., hetzij met artt. ls5o, 1859 en 1892 Wetb. Kouew. Nap., de artt. 2219, 2228 en 2229 Cod. Nap., en de artt. 1983, 1992 en 2000 B. W., deels door de verjaring aan te nemen als modus acquirendi bij casueele piaestatiën, deels door verzuim van aanwijzing van eenig tempus lege definitum van bezit, deels eindelijk door te verwaarloozen het beginsel tantum, praescriptum, quantum possessum.

Dit middel is hetzelfde, hetwelk als eerste en derde middel is voorgedragen in de zaak, waarop betrekking heeft 's Hoogen Raads arrest van 1 April 1853, en komt voorts eenigzins overeen met het derde middel in de vorige zaak.

Ook ten opzigte van dit middel moet ik herinneren, dat, vermits het in deze geldt de uitoefening van een regt, ontstaan reeds lang vóór de invoering der latere wetboeken, volgens art. 47 der wet op den overgang, met opzigt tot de bewijsmiddelen alleen die wetsbepalingen in aanmerking kunnen komen, welke destijds van krachtwaren; terwijl ik voorts moet opmerken, dat er van eene schending van art. 59, n . 3, B. B. bezwaarlijk sprake kan zijn met opzigt tot een arrest, hetwelk met betrekking tot de daadzaken zich vereenigt met h#t vonnis des eersten regters en die dus overneemt, en ten aanzien van het regt niet minder dan 41 overwegingen bevat.

Ter wederlegging van het middel zelf vermeen ik den Raad te

moeten herinneren aan hetgeen ik bij de behandeling van het tweede en derde middel in de vorige zaak gezegd heb. Toen toch heb ik aangetoond, dat het Hof als bewezen had aangenomen, dat reeds in de 17de eeuw het kapittel van St. Kieter eigenaar was geworden van meergemeld regt van handwissel, en dat de landen, onder Vinkeveen gelegen, daaraan onderworpen waren, zoo al niet krachtens titel, dan ten minste ten gevolge van immemoriale possessie; dat deze volgens het oude regt voor titel gold, met andere woorden de oorspronkelijke vestiging vertegenwoordigde, daarvan in de plaats trad, en eenen wezenlijken titel uitmaakte; en dat noch volgens het oude noch volgens het canonieke regt, althans voor zoover het hier te lande gold, bepaaldelijk niet volgens de bij het middel aangehaalde wets-artikelen, die van geene immemoriale possessie spreken, eenige bijzondere voorwaarden gevorderd worden om de immemoriale possessie als titel te doen gelden.

Dit derde middel acht ik mitsdien evenzeer ongegrond.

lündelijk is als vierde en laatste middel van cassatie voorgesteld : schending en verkeerds toepassing van de artt. 62 7, 1958 en Iy02 B. VV., in verband met de wetsbepalingen, aangehaald bij het tweede en derde middel, omdat het Hof ten onregte heeft aangenomen, dat in casu, waar het zoude gelden, vólgens 's Hofs eigen beslissing, een grondregt, gelijkstaande met grondrenten, tienden, erfdienstbaarheden en dergelijke regten, het voldoende is, dat in't algemeen aannemelijk wordt gemaakt, dat in zekere streek, waarin de landen, waarvan regt gevorderd wordt, gelegen zijn, hellingen hebben plaats gehad, zonder speciaal en uitdrukkelijk bewijs, dat die heffingen zijn geschied van de landen of ue perceelen, waarop de ingestelde regtsvordering betrekking heeft, en op die lauden of perceelen alzoo het grondregt drukt.

Dit middel is gerigt tegen de 2 7ste tot en met de 29ste overweging quoad jus van het beklaagde arrest.

In ue zaak , waarop betrekking heeft 's Hoogen Raads arrest van 1 April 1853 , heeft men geen speciaal en uitdrukkelijk bewijs gevorderd , dat de heffingen van den dertienden penning zijn geschied van de landen, waarop de ingestelde regtsvordering betrekking heeft. iVlen heelt toen alleen beweerd , dat de ligging der in geschil zijnde landen in de streek onder Abcoude-Proostdij en Aasdom in het V een, welke aan het regt van den dertienden penning zouden zijn onderworpen, door geene behoorlijke wettige bewijskracht hebbende stukken is gestaafd.

Ditzelfde beweren heeft men ook in de onderwerpelijke zaak gevoerd, doch bij de 30ste tot en met de 32ste overweging heeft het Hof dit ongegrond geoordeeld.

De eischeresse komt daarop in deze niet terug; zij erkent daardoor, althans betwist niet meer, dat de landen , waarvan thans de rede' is, gelegen zijn onder het voormalig geregt van Vinkeveen. Zij vordert alleen het bewijs, dat op de landen of perceelen, waarop de ingestelde regtsvordering betrekking heeft, het grondregt drukt.

Over de geldigheid der door het Hof aangenomen bewijsmiddelen zal ik niet meer spreken. iJit punt is afgedaan bij de behandeling van het tweede middel van cassatie.

Kr schiet dus alleen over om na te gaan, wat het Hof als bewezen heeft aangenomen.

Bij de 2 7ste overweging stelde het zich de vraag ter beantwoording : of het regt van den handwissel zich uitstrekte over geheel Vinkeveen, en drukte op alle lauden, daaronder gelegen.

Tot dat einde is het in een onderzoek getreden naar den inhoud van onderscheidene stukken, waarvan het bij die en de volgende overweging rekenschap geeft, terwijl het bij ue 29ste overweging den uitslag van zijn onderzoek mededeelt.

Bij die overweging verklaart het, dat mitsdien uit het bovenstaande in concreto het bewijs voortvloeit, dat alle de landen, gelegen onder de heerlijkheid en het voormalig geregt van Vinkeveen, van oudsher zijn onderworpen geweest aan het regt van handwissel, zijnde de dertiende penning, of het dertiende deel van den koopprijs, waarvoor die zijn aangekocht, en dat dit regt door den kooper moest worden voldaan.

Staat het nu vast, dat alle de landen, gelegen onder de heerlijkheid en het voormalig regt van Vinkeveen, van oudsher aan het regt van handwissel zijn onderworpen geweest, dan moet het evenzeer als uitgemaakt worden aangemerkt, dat dit insgelijks het geval is geweest met opzigt tot de landen of de perceelen, waarop de ingestelde regtsvordering betrekking heeft, vermits het Hof bij de 32ste overweging heeft beslist, dat de perceelen , door de eischeresse aangekocht bij notariële acte van 28 Mei ls61 , geacht moeten worden gelegen te zijn onder het voormalige geregt van Vinkeveen.

Dit vierde of laatste middel moet das insgelijks als onaannemelijk worden geacht.

Naar aanleiding van dit een en auder concludeer ik mitsdien tot verwerping, zoowel van het opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid in cassatie, als vau den eisch tot cassatie, met veroordeelin.' van de eischeresse in de kosten en boete van cassatie. °

De Hooge Raad enz.,

Overwegende, wat aangaat het door den verweerder voorgesteld middel van met-ontvankelijkheid der eischeresse in haar beroep in cassatie, op grond dat dit beroep na den bij de wet bepaalden termijn en dus te laat was ingesteld :

, °ï,dw' ®xPloit vai1 den deurwaarder K. H. Bahle van

de" V 'J^ a"'eSt van het Pr°v- Geregtshof in Utrecht

vauden 24 Sept. 1866, waarvan beroep in cassatie, op eerstgemelden dag aan de tegenwoordige eischeresse is beteekend, terwijl de memorie van cassatie ter griffie van den Hooien Raad is nedergelegd den 18 Febr. 1867;

O., dat alzoo het beroep in deze ten allerlaatste kon worden gedaan op den 17 Febr.; dat evenwel die dag was een fondng en dus een dag , waarop, volgens art. 68 van het reglemen >e re n de wijze van eedsaflegging enz-, vastgesteld bij on" es ™ Ja" . u 14 Sept. 1838 (Stbl. n». 36), de griffier niet verpligt ig de griffie

Sluiten