Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den eisch tot van-waarde-verklaring af te wachten , tegen het verleend verlof op te komen, doch geenszins de verpligting daartoe Wordt opgelegd op straffe van vervallen te zijn van eenig middel van tegenspraak van den eisch tot van-waarde-verklaring, in het Bijzonder niet van het middel, dat hij niet heeft aangevangen te verduisteren, welk begin van verduistering juist de grondslag is Van den conservatoiren maatregel, waarvan de van-waarde-verklanng wordt gevorderd, en die geheel periculo petentis wordt genomen ;

G., wat betreft de derde vraag:

t dat, vermits noch ter eerster instantie, noch in hooger beroep, eenig ■>ewijs voor den aanvang van verduistering is geleverd of aangeboden , de eerste regter zeer teregt het gelegd beslag van onwaarde heeft verklaard en de opheffing daarvan gelast;

•> wat betreft de vierde vraag:

dat ten onregte door de geïntimeerden beweerd wordt, dat de app. in prima het lijden van schade zelfs niet zou hebben gesteld, vernuts in de praemissen der conclusie van den ged., nu app. , van I 0 oept. 18G6, het beslag als onregtmatig en schade veroorzakende wou., voorgesteld, en bij het petitum ter zake van dit onregtmatig beslag schadeloosteiling wordt gevraagd; dat het uit den aard der zaak volgt, dat een landbouwer en verveener, beroofd wordende van de beschikking over zijn vee, boeren, beslag en vruchten en over zijnen inslag en staanden tnrf, zoo als de app. schade lijdt; en dat alzoo de geïntimeerden die hem door liunne onregtmatige daad, net beslag, die schade hebben berokkend, ook tot vergoeding gehouden zijn ; dat mitsdien op dit puut het vonnis a quo behoort te worden verbeterd ;

0., wat betreft de vijfde vraag :

dat, daargelaten dat er voor den eersten regter reeds m den vei minderden eisch en in de van-onwaarde-verklaring van het gelegd beslag termen gelegen waren oin de eischers ook een gedeelte der kosten van het geding te doen dragen, er thans, bij de toewijzing van deu eisch tot schadeloosstelling van den ged., nu app., nog meer gronden voor eene gedeeltelijke compensatie der kosten van eersten aanleg bestaan, en dat, aangezien in hooger beroep de geïntimeerden in allen deele in het ongelijk worden gesteld, de kosten van het geding in hooger beroep ook geheel ten hunnen laste moeten komen ;

Regt doende enz.,

Vernietigt het appel en het vonnis van den eersten regter , voor zooverre de uitspraak omtrent de door den ged., nu app., gevraagde schadeloosstelling en omtient de kosten betreft;

Veroordeelt de geïntimeerden tot schadeloosstelling aan den app., ter zake van het onregtmatig gelegd beslag, nader te regelen bij staat;

Bevestigt, met verwerping van het incidenteel appel, overigens gemeld vonnis, voor zoover daarvan is geappelleerd ;

Verstaat, dat, behalve de kosten van het gelegd beslag, ook ten laste van de eischers en nu geïntimeerden /.al blijven de helft der door hen aangewende kosten van het geding ter eerster instantie ,

Veroordeelt mitsdien den ged., nu app., in de overige kosten van dat geding ; en

Veroordeelt de geïntimeerden, incidentele appellanten, in al de kosten var. het geding in hooger beroep.

ARRONDISSEMENTS-REGTBANKEN.

ARRONDISSEMËNTS-REGTBANK TE ROTTERDAM.

Burgerlijke kamer.

Zitting van den 27 .Tanuarij 1868.

Voorzitter, Mr. .1. A. M. Bichon van IJsselmonde.

Welk bewijs heeft de verklaring, door den hypotheekbewaarder afgegeven omtrent de vroeger bestaan hebbende inschrijvingen en den tegenwoordigen toestand dier inschrijvingen op het roerend goed'l

Kan de eigenaar van een onroerend goed zich in casu verzetten tegen den door den hypothecairen schuldeischer aangekondigden verkoop van zijn goed, krachtens de onherroepelijke volmagt, bij de oorspronkelijke notariële acte verleend , en ingeschreven op grond, dat die inschrijving geroyeerd was en niet meer op de registers voorkwam? — Neen. # ..

Heeft de interveniënt, Later hypothecaire schuldeischer, bewijzende feitelijk eenig ingeschreven hypothecair schuldeischer te zijn, et regt zich tegen de door den vroegeren hypothecairen schuldeischer aangekondigden verkoop van het verbonden onroerend goed te verzetten , op grond, dat diens inschrijving niet meer bestond t — Ja.

W. van Steensel, grondeigenaar , eischer en opposant, procureur Mr. G. c. Burger,

tegen

H. F. Scliarper, gedaagde en geopposeerde, procureur Mr. H. J-

yan Convent ten Oever ,

en tegen

P. Kok, intervenient, procureur Mr. P. G. Bijstra.

De Regtbank enz.,

Celioord de conclusiën , namens de partijen ter rolle genomen , benevens de gehouden pleidooijen ;

Overwegende, dat het tusschen alle partijen is buiten geschil, dat bij acte, op den 2 April it*57 voor den destijds te Rotterdam residerenden notaris J. Hogersdijk, in tegenwoordigheid van getuigen, verleden, de eischer en opp. zich als debiteur aan den ged. en gcopp. heelt verbonden voor eene som van / 6000, door hem voor geleend geld verschuldigd; en dat bij diezelfde acte, tot zekerheid van deze schuldvordering en van de daarbij bedongen renten , door den debiteur eene hy]. ■'■ eek. is toegestaan op een hem in eigendom toebehoorend blok 1 :: , , bestaande in een voorpand, verdeeld in beneden- en boven\ . iii^en en diverse achterpanden en erve , met de gedeelten laan en v : t -T, daarbij behoorende, staande en gelegen in de Nadorstlaan en uitkomende in de Tuinderslaan , gemeente Rotterdam, gemerkt wijk S, n '. 148, nieuw wijk 15, no. 87, en bij het kadaster dier gemeente bekend sectie B, nls. 1006, 3u49 tot en met 3061 ; onder anderen niet bepaling, dat het verbonden goed, zonder uitdrukkelijk consent van den crediteur, niet geene verdere schulden zou mogen belast worden , en dat de schuldeischei , ook ingeval de debiteur in strijd met deze bepaling handelen mogt, zou geregtigd zijn het geheel kapitaal met de renten in ééne som op te eischen;

0., dat het tevens tusschen partijen is in confesso, dat, bij dezelfde notariële acte, door den debiteur aan den schuldeischer of aan den houder van de grosse der hypothecaire obligatie onherroepelijke volmagt is gegeven om, bijaldien de debiteur zou nalatig zijn het kapitaal op te leggen, in de gevallen, waarin dit krachtens de acte door den crediteur kon worden gevorderd, het verbonden goed, overeenkomstig het bepaalde bij art. 1223 B. W., namens den schuldenaar i» het openbaar te verkoopen, ten einde uit de opbrengst daarvan

zoowel de hoofdsom, als de renten en de kosten , zouden kunnen worden verhaald ;

0., dat eindelijk eveneens tusschen partijen vaststaat, eensdeels, dat de inschrijving dezer hypothecaire obligatie met de daarbij gemaakte bedingen ten kantore van de hypotheken en van het kadaster te Rotterdam heeft plaats gehad, en anderdeels, dat, na die inschrijving, hetzelfde onroerend goed, met andere eigendommen van den eischer, door dezen bij notariële acte, op den 29 Febr. 18G4 door den voornoemden notaris Hogersdijk gepasseerd, hypothecair ten behoeve van den interveniënt P. Kok verbonden is, tot zekerheid voor de terugbetaling van eene som van f 16,000, door den interveniënt aan den eischer ter leen verstrekt;

0. nu, dat de ged. en geopp. , die beweert, dat hem door den eischer op de vroeger vermelde obligatie van den 2 April 1857 per resto in hoofdsom nog is verschuldigd een bedrag van / 3600 , den eischer en opp. tot terugbetaling dier gelden met de verschenen renten heeft doen sommeren, op grond, dat deze, in strijd met de door hem aangegane verbindtenis, het verbanden goed alsnog met de gezegde hypotheek ten behoeve van den interveniënt heeft bezwaard, en dat, toen aan deze sommatie geen gevolg werd gegeven , namens den ged. aan den eischer is aangezegd, dat tot den verkoop van het verbonden goed, krachtens de verleende onherroepelijke volmagt, zou worden overgegaan ;

O., dat de eischer, bij exploit van den deurwaarder .J. ürakkee van den 28 Jan. 867, tegen dezen hein aangezegden verkoop is in verzet gekomen, met oproeping van den ged. in regten , ten einde de oppositie deugdelijk en van waarde te hooren verklaren, en tevens zijne veroordeeling tot vergoeding van kosten , schaden en interessen te hooren uitspreken ; en dat, bij beschikking van den heer voorzitter dezer Regtbank van den 9 Febr. jl., op de daartoe strekkende vordering des eischer© in kort geding, aan den ged., zonder praejudicie van de regten van partijen, is bevolen den aangevangen verkoop van het boven omschreven onroerend goed te staken, totdat door den bevoegden regter op het namens den eischer gedaan verzet zou zijn beslist;

O., dat de oppositie van den eischer daarop is gegrond , dat de som van f 16,000 van den interveniënt door tusscheukomst van den notaris Hogersdijk op het onroerend goed is opgenomen, ter vernietiging en vervanging van de daarop gevestigde schuld ten behoeve van den ged.; en dat, ten bewijze, dat deze vernietiging in werkelijkheid heeft plaats gehad, een beroep is gedaan op eene doorhaling van de hypothecaire inschrijving, vroeger door den ged. genomen, die zou aan toon en , eensdeels, dat de hoofdverbindtenis , welke krachtens de acte van den 2 April 1>57 op den eischer ten behoeve van den ged. rustte, te niet gegaan is , en anderdeels, dat door den ged. van de hem verleende hypotheek afstand is gedaan ;

O., dat de interveniënt, als voor het tegenwoordige eerst ingeschreven hypothecair crediteur, nadat ook van zijne zijde eene sommatie aan den ged. gerigt was, met het doel, dat door dezen van eene voortzetting van den voorgenomen verkoop zou worden afgezien, tempore utiii verzocht heeft in het geding tusschen den eischer en den ged. te mogen tusschenkomen; en dat reeds aanvankelijk bij het verzoek om als interveniënt te worden toegelaten , als motief daarvoor door hem is aangevoerd, dat ook zijn belang zou medebrengen, zich tegen den aangevangen verkoop te verzetten . en nader bij conclusie, toen de ged., bij eene gemotiveerde referte, het nut der interventie had bestreden, door er op te wijzen, dat de interveniënt in zijne judiciëie contenance niet bij magte zijn zou iets te berde te brengen , hetwelk op de beslissing der procedure invloed zou kunnen uitoefenen , omdal het geschil over eene daadzaak loopt, waaraan de interveniënt geheel vreemd is,— wel uitdrukkelijk van de zijde van dezen een beroep gedaan is op zijne bevoegdheid om ais tusschenkomende partij , niet alleen het verzet van den eischer te ondersteunen, maar tevens zelfstandig tot bewaring van zijne regten op te treden;

O. wijders , dat de interveniënt, nadat hij bij vonnis dezer Regtbank als zoodanig was toegelaten, ook van zijne zijde ter bestrijding van het regt van den geopp. om tot den aangevangen verkoop over te gaan, op de doorhaling van de vroeger ingeschreven hypothecaire vordering van den ged., en tevens op het bestaan der inschrijving van eene eerste hypotheek ten zijnen behoeve gewezen heeft; en dat hij op die motieven heeft geconcludeerd, eensdeels, dat de oppositie van den eischer zal worden verklaard wel en teregt te zijn geschied, en anderdeels, dat de ged., voor het geval hij desniettegenstaande met den verkoop mogt voortgaan , zal worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten , schaden en interessen, die ten gevolge daarvan ook door hem interveniënt mogten worden geleden;

O. eindelijk, dat de geopp. tot staving van zijn regt om van de hem verleende onherroepelijke volmagt gebruik te maken, en tot weêrlegging van de conclusiën, zoo van den eischer als van den interveniënt , heelt aangevoerd, dat door de tegenpartij geen bewijs is geleverd, (lat de schuld, waarvoor de eischer zich bij de notariële acte van den 2 April 1857 aan hem heeft verbonden , zou zijn te niet gegaan ook voor dat gedeelte, hetwelk hij beweert nog te kunnen vorderen, alsmede dat in het geding niet blijkt, dat de,teu zijnen behoeve ingeschreven hypotheek, hetzij krachtens een vonnis, hetzij met zijne toestemming krachtens eene authentieke acte, zou zijn geroyeerd; en dat hij op grond van die sustenuën heeft geconcludeerd, dat aan'den eischer en opp. de ingestelde eisch zal worden ontzegd, of de nietontvankelijkheid daarvan zal uitgesproken worden, en tevens dat* de opp. zal worden verklaard kwaad opp. tegen den door hem ged. voorgenomen verkoop, met veroordeeling van den eischer tot vergoeding van kosten, schaden en interessen , nader op te maken bii staat te vereffenen volgens de wet;

In regten :

Ten aanzien van de oorspronkelijke vordering:

O., dat de ged. en geopp., ten bewijze, dat hem door den eischer en opp. m hoofdsom is verschuldigd het bedrag van f 3600 t verhaal waarvan de ten deze betwiste verkoop is aangevangen 'heeft overgelegd de eerste grosse van eene notariële acte, waarbij de éim-h«r zich tot een hooger-bedrag aan hem als schuldenaar heeft verbon den, en dat alzoo op den eischer de last rust om het te niet nvan die restant-schuld aan te toonen ; Saan

O., dat de eischer zich met dit doel alleen beroepen heeft staat van hypothecaire inschrijvingen, op den 26 Jan i8r7 i* den bewaarder van de hypotheken en van het kadaster 'te Rotterdam afgegeven, waarbij door dien ambtenaar wordt verklaard , ,m quaestieus onroerend goed alleen de hypotheek ten behoeve vfl°„P intervenient m de registers ingeschreven en eene rW,-i, ivroeger bestaan hebbende inschryvingen11 IVt

eischer uit het royement, hetwelk alzoo, volgens verkWi„ ,

gemelde., hypotheekbewaarder, ook van de vroel^bvlT hypotheek des gedaagden heeft plaats gehad, wil Lbben^ SlT dat met alleen de inschrijving en het regt van hypotheek, maar ook de hoofdverbindtenis zelve is te niet gegaan;

V. echter , dat de doorhaling eener hypothecaire inschrijving die zelfs op volkomen wettige wijze eu met toestemming van den hvnn theekhouder heelt plaats gehad, op zich zelve genomen, nooit meer kan bewijzen , dan dat de vroeger genomen inschrijving is komen te vervallen en dat daaraan voor het vervolg alle kracht ontnomen ismaar dat zoodanige doorhaling, zoolang niet van de reden bliikt' waarom zij is gegeven , voor deu crediteur het regt onverlet iaat om uit kraehte van dezelfde obligatie ten allen tijde op nieuw inschrijving te vorderen, eii dus a fortiori niet als bewijs van de delging der hoofdverbindtenis strekken kan ;

0., dat alzoo in dit geding moet worden aangenomen, dat de

eischer werkelijk de gezegde som van f 3i00 alsnog aan den ged. is verschuldigd;

0. wijders, dat uit de eigen erkentenis van den eischer voortvloeit, dat hij, na het verlijden van de schuldbekentenis ten behoeve van den ged., het ten deze bedoeld onroerend goed tot zekerheid voor eene schuldvordering aan den interveniënt heeft verbonden ; en dat deze daad van den eischer, naar den inhoud van de notariële schuldbekentenis , voor den ged. het regt heeft doen geboren worden om de verschuldigde som terstond en in eens op te eischen ;

O. nu, dat de ged., toen de eischer vruchteloos was gesommeerd om tot de afbetaling van die som over te gaan, volgens art. 436 B. R. allezins bevoegd was om op de in behoorlijken vorm afgegeven eerste grosse van de notariële schuldbekentenis, bij gewone executie, tot de uitwinning van de goederen van den eischer over te gaan , ten einde uit de opbrengst daarvan het aan hem toekomende te verhalen ; en dat hij tevens volkomen was geregtigd, krachtens het regt van hypotheek , hetwelk aan hem bij die schuldbekentenis op liet daarbij aangewezen goed van den eischer is verleend, de executie bij voorkeur tegen dit goed te rigten , zonder dat daarvoor tegenover den debiteur eene inschrijving van het regt van hypotheek werd vereischt;

U. toch, dat de debiteur, die aan zijnen schuldeischer, tot zekerheid van eene door hein verschuldigde som, een regt van hypotheek toekent, daardoor aan dezen alleen eene aanwijzing doet van het vast goed, hetwelk bij voorkeur voor het verschuldigde zal zijn aansprakelijk, met bevoegdverklaring van den crediteur om zijne schuld op het verbonden goed vóór andere schuldeischers te verhalen, eu dat de inschrijving van zoodanig regt van hypotheek voor den schuldeischer alleen dan verpligtend wordt, wanneer hij die bevoegdheid, tegenover derden aan hem verleend, wil doen gelden , door zich, hetzij tegenover andere hypotheekhouders op zijn anterieur regt van hypotheek, hetzij tegenover chirographaire crediteuren op zijn regt van voorrang op de opbrengst vau het verbonden goed te beroepen;

O., dat de ged. ten deze alzoo het regt had krachtens de hypothecaire obligatie, ten zijnen behoeve verleden, bij gewone executie tot de uitwinning van het bij die obligatie verbonden onroerend soed over te gaan, zonder uat de eischer daartegen een gemis van in schrijving der hypotheek en alzoo ook eene doorhaling van eene vroeger genomen inschrijving kan tegenwerpen ;

(J. echter, dat de ged. zich tot verhaal van het aan hem verschul digde niet van het gewoon middel van executie heeft bediend maar dat hij den verkoop vau het verbonden goed krachtens de aan hem bij de obligatie toegekende onherroepelijke volmagt heeft aan» vangen; °

0. nu, dat art. 1223 li. W. voorschrijft, dat het beding, waarbij de eerste hypothecaire schuldeischer, tijdens het vestigen der hvpo tl,eek, onherroepelijk wordt gemagtigd om, bij niet behoorlijke vol" doening van de hoofdsom of van de bedongen renten, het verbonden goed in het openbaar te doen verkoopen, in de daartoe bestemde openbare registers moet worden aangeteekend ;

O. evenwel, dat ook deze aanteekening naar deu geest der wet niet anders kan worden vereischt dan om het quaestieus beding Tok tegenover derden te doen gelden; & OOK

O. immers, dat het aan lederen schuldenaar volkomen vrijstaat om bij de door hem afgegeven schuldbekentenis te bepalen ,,jï ,? crediteur, ingeval van wanbetaling, niet tot eene gewone executie behoeven over te gaan, maar geregtigd zijn zal ook op iedere Indere wijze den verkoop van het voor de schuld verbonden o^T van den schuldenaar te bewerkstelligen; en dat er vonfri "ame geenerlei reden bestaan kon om de geldigheid van zoodaniJ^T" executwum van eene inschrijving afhankelijk te stellen , lg Pact«™ geene regten van derden zouden zijn betrokken ' S daarWj

0., dat mitsdien de eischer als schuldenaar zich ter™

krachtens de door hem verleende onherroepelijke vah ? ve^oop, niet op een gemis van inschrijving van die toeaekendn h alme(le kan beroepen ; en dat bij gevolg ook eene doorhaling vauTvfoe^ gedane aanteekening van dit beding in de openbare registers me?IZ oog op de regten ües eischers, aau de uitoefening van ük Lv™ , , niet kan in den weg staan; bevoegdheid

O., dat de eischer bij conclusie tot staving van ziin vm«

heeft ingeroepen de verpligting, die uit de latere hypotheZl ürg gatie ten behoeve van deu intervenient voor hem zou vnn?

vnjwa^nV001' Uitwinninë van het baarbij verbonden goed te

gevangen verkoop te verzetten, maar dat zoodanig verzet va,

zijde in ieder geval alleen op eigen regten en niet op de re™ èn van

gegrond; J ^ VnjWarmg 18 ^oude.f, kan " worden

0. daarenboven, dat de eischer zich bii deuo-deliiv»

ged. heeft verbonden het teu deze bedoeld "onroerend goed met geene meerdere hypotheken te belasten; en dat hij nu, om de o-evol-

voortvT T Ue met-"akoming d'e verbindtenis voor hem voortvloeien, te ontgaan, wel niet zal kunnen doen gelden eene verpligting tot vrijwaring , welke hij, ten gevolge van eene andere overeenkomst, tegenover derden heeft op zich genomen;

O. , dat de eischer alzoo kwaad opp. behoort verklaard te worden tegen den door den geopp. voorgenomen verkoop; en dat hem alzoo ook zijne vordering tot vergoeding van kosten , schaden en interessen, en de verdere neven-vorderingen, door hem bij conclusie gedaan moeten worden ontzegd;

Met betrekking tot de interventie :

O., dat de ged. en geopp. bij zijne conclusie van antwoord op het verzoek tot interventie heeft aangevoerd, dat de tusschenkomst van den interveniënt, al heeft hij belang bij den uitslag vau het regtsgeding, niet kan baten, omdat het geschil tusschen de oorspronkelijke partijen over eene daadzaak loopt, waaraan de interveniënt geheel vreemd is, en die hem alzoo buiten staat stelt in zijne juuicieie contenance iets te berde te brengen , wat op de beslissing vau de aanhangige procedure van invloed kan zijn ;

0. evenwel, dat hij die belang heeft in een regtsgeding, tusschen andere partijen hangende, daarin niet aileen kan tusschenkomen om de regten van eene dier partijen te ondersteunen, maar dat hij evenzeer de interventie kan doen strekken om zelfstandig op te treden, de regten des noodig van beide partijen te betwisten en voor zich eene nieuwe vordering te doen gelden omtrent het litigieuse onderwerp;

O. nu, dat de interveniënt, wei is waar, van de juridieke ineening uitgaande , dat liet verzet van tien eischer als gegrond was aau te mei keu, geconcludeerd heeft, dat dit verzet deugdelijk en van waarde zal worden verklaard, maar dat hij die conclusie op zelfstandige motieven heeft doen rusten, die hij aan zijne beweerde positie van eerst ingeschreven hypothecair crediteur ontleent; en dat juist zijne geheele judiciëie contenance ook overigens aantoont, dat hij als interveniënt is opgetreden om ook van zijne zijde tegen den voorgenomen verkoop in verzet te komen ;

O. wijders, dat de interveniinl zijne oppositie mede daarop doet steunen, dat zoomin üe hypothecaire obligatie, krachtens welke de ged. tot den verkoop van het onroerend goed wil overgaan, als het bij de obligatie gemaakt beding, krachtens hetwelk deze als onhec-

Sluiten