Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Overigens is het inwinnen van het advies, niet het advies zelf der Kamer voor den Gemeenteraad verbindend ; het zou kunnen zijn, dat de Kamer, waarin ook de makelaars zitting mogen hebben, als niet geheel onpartijdig beschouwd werd. Verder is door de bepaling van al. 2 gezorgd, dat de aanstelling niet tot monopolie leide of iemands verlangen om zich in eenig vak als makelaar te vestigen , noodeloos belemmere.

Ongetwijfeld zullen ook bij deze voorgestelde regeling niet alle makelaars even geschikt of bekwaam zijn; dit is echter geene reden om zonder onderscheid iedereen aan te stellen , die zulks verlangt. Men heeft hier andere beroepen tot voorbeeld genomen , waar meer of min soortgelijke waarborgen gevorderd worden , ietzij met, hetzij zonder aanstelling, bijv. advokaten, geneesheeren, notarissen, procureurs enz.

Art. 63. Vooral in het belang van taxatiën en verklaringen meent men eene beëediging van den makelaar bij den aanvang zijner bediening — eene soort van ambtseed — te moeten behouden.

Art. 65. Men heeft de algemcene benoeming tot makelaar laten weg" vallen. Zoolang hij geene eigen zaken mogt doen en daarin als het ware de eigenaardigheid der makelaardij gelegen was, kon voor het behoud van zoodanige algemeene aanstelling welligt nog iets gezegd worden; thans , nu zijne aanstelling op speciale bekwaamheid moet berusten, zou zulks eene ongerijmdheid wezen. Overigens is er in de bepaling, dat hij voor meer dan één vak kan worden aangesteld, nog ruimte genoeg.

Art. 66. Wij hebben het zakboekje laten vervallen, omdat niemand, voor zoover ons bekend is, dit bier ter stede houdt.

Art. 67. Wij aarzelden lang oin de bepaalde verpligting tot uitreiking van een extract uit het makelaarsboek (het zoogenaamde koopbriefje), en zulks dan binnen zekeren korten termijn, verpligtend te maken, ook om den pligt op te leggen die koopbriefjes door partijen te laten teekenen ; doch de eenstemmige verklaring der makelaars , dat dit, vooral bij de groote maatschappij-veilingen, niet wel doenlijk is, deed ons berusten in de herhaling van het tegenwoordige art. 67 , dat, voor zoover ons bekend is, zelden tot klagten aanleiding gaf.

Art. 68. Ue tegenwoordige wet geeft binnen zekere grenzen kracht van bewijs aan het makelaarsboek; wij stellen voor dit aan den regter over te laten , en zulks in overeenstemming met het stelsel, dat wij in het algemeen ten opzigte der bewijskracht van koopmansboeken wenschen te zien aangenomen , waar ter plaatse het dan ook de gelegenheid zal wezen daarop terug te komen.

Art. 71. Daar de makelaarsboeken ten opzigte van alle bij-omstandigheden als bewijs kunnen gelden , is deze bepaling thans vooral noodig, nu het den makelaar althans niet meer verboden is voor eigen rekening eene zaak te sluiten. Zijn makelaarsboek zal dan niet gelden.

De meeste der overige artikelen hebben geringe wijzigingen , soms alleen van redactie, ondergaan, die zich van zelve zullen regtvaardigen.

PUOVINCIALE HOVEN.

PROVINCIAAL GEREGTSIIOF IN GELDERLAND. Kamer vau correctioiinele appellen.

Zitting van den 6 November 1867.

Voorzitter, Mr. G. J. C. Schneither.

De omstandigheid, dat iemand, gebruik makende van zijn reqt, in de uitoefening daarvan te ver gaat, zonder echter met kwade bedoelingen te handelen, kan aanleiding geven tot vermindering van straf.

J. G. werd voor de Arrond.-Regtbank te Nijmegen vervolgd, ter zake dat hij op 5 Aug. 1867 W. P., die in beschonken toestand beklaagdes woning binnendrong en daar rumoer maakte, had teruggeduwd , met dat gevolg, dat gezegde P., van den stoep op de straat vallende , zijn arm gebroken had en meer dan twintig dagen verhinderd was geweest zijn werk te verrigten.

De Regtbank , overwegende, dat meergenoemde P., die zich voortdurend aan misbruik van sterken drank schuldig maakt, dien dag zoo beschonken was geweest, dat hij weinige oogenblikken vóór het gebeurde met G., in zijne eigene woning met zijne huisvrouw twistende, door de ruiten was gevallen, — sprak den bekl. vrij , bij gemis aan overtuiging, dat de breuk van den arm door het terugduwen van bekl. en den daarop gevolgden val was veroorzaakt.

Op het appel van het Openb. Min. nam het Hof op de verklaringen van meerdere getuigen als bewezen aan, dat de armbreuk door de daad des beklaagden was veroorzaakt; en, niet aannemende de verzwarende omstandigheid vau ziekte gedurende meer dan twintig dagen, omdat bleek, datP. later op dienzelfden dag nogmaals was gevallen (nadat de armbreuk door eenen geneesheer was bevonden van zeer weinig beteekenis te zijni, — veroordeelde het den bekl. tot eene geldboete van J 8 , op de navolgende overweging ten aanzien van het bestaan van verzachtende omstandigheden :

Overwegende , dat de omstandigheden , waaronder het feit is begaan , hoogst verzachtend zijn en het begane wanbedrijf zeer aanmerkelijk verkleinen, vermits de bekl., ten volle bevoegd om den getuige P., die in beschonken toestand zich in zijne woning wilde begeven, daaruit te weren, slechts in het gebruik maken van zijn regt te ver is gegaan, door, al is het ook zonder bedoeling om hem leed te doen, dien beschonken persoon moedwillig met zooveel geweld terug te duwen, dat deze, ten gevolge van dat duwen, van den twee treden hoogen stoep op de straat vallende , den arm heeft gebroken.

(Gepleit Mr. H. A. Elias.)

PROVINCIAAL GEEEGïSHOF IN ZUIDHOLLAND. Burgerlijk)- kamer.

Zitting van den 25 Mei 1868.

Voorzitter, Mr. S. Schholck.

Arrest onder derden. —• Eigenaar. —- Opheffing.

Kan de eigenaar der goederen, waarop conservatoir arrest onder derden gelegd is, de opheffing van dat arrest tegen den arrestant vorderen? — Neen.

(Zie het vonnis van de Arrond.-Regtbank te Rotterdam in Weekbl. n°. 2958.)

J. A. Eisen en P. Msen , te zamen handelende als firma J. A. en P. Eisen, appellanten, procureur P. J. vak der Burgh,

tegen

Gebroeders de Jonge, geïntimeerden, procureur Mr. C. J. Francjois.

Het Hof enz.,

Met opzigt tot de feiten en gevoerde procedures ter eerster instantie, zich gedragende aan en alzoo overnemende, hetgeen daaromtrent is vermeld bij het vonnis des eersten regters , bij welk vonnis de appellanten in hunne tegen de geïntimeerden ingestelde vordering zijn verklaard niet-ontvankelijk, met veroordeeling in de kosten ;

Overwegende, dat de appellanten van dit vonnis hooger beroep hebben ingesteld , en ter teregtzitting van dit Hof door de procureurs van partijen wederzijds zoodanig is geconcludeerd als blijkt uit hunne schriftelijk overgelegde conclusiën;

En ten aanzien van het regt:

0., dat de appellanten , bewerende te zijn eigenaars vau 250 balen rijstmeel, deel uitmakende van eene hoeveelheid vau 350 balen, welke door de geïntimeerden zouden zijn begrepen in een beslag, onder schipper W. H. van der Vaart, voerende het schip de Jonge Alida, destijds liggende te Rotterdam, als derde, ten laste van den daarbij genoemden A. Beekman, koopman te Dennekom, als hunnen schuldenaar , gelegd, — de geïntimeerden hebben gedagvaard tot het doen opheffen van dat beslag, met last aan den schipper om de bedoelde 250 balen rijstmeel aan de appellanten te doen volgen, en veroordeeling der geïntimeerden tot schadevergoeding ;

O., dat het beslag door de geïntimeerden onder den schipper is gelegd »op alle goederen, onder zijne berusting, zijnde van of toebehoorende aan voornoemden A. Beekman, en speciaal op 350 balen rijstmeel» ; en zulks voor het daarbij uitgedrukt bedrag, hetwelk door dezen laatste aan de geïntimeerden zou verschuldigd zijn ;

0., dat, hetzij door dit alzoo gelegd beslag de daarbij vermelde hoeveelheid rijstmeel moet geacht worden niet dan voorwaardelijk, alleen voor zooverre die aan der geïntimeerden schuldenaar toebehoorde, te zijn getroffen, gelijk dit door de geïntimeerden is volgehouden , hetzij die , zoo als door de appellanten is beweerd , als in dat beslag met er daad begrepen is te beschouwen , met dit gevolg , dat eene opheffing daarvan noodig was , om de vrije beschikking aan den regthebbende te hergeven ,—-aan de appellanten de ten deze door hen ingestelde vordering niet volgen kan ;

O. immers, dat in liefeerste geval, dat namelijk het beslag als slechts voorwaardelijk gelegd was aan te merken, de appellanten daardoor niet werden verhinderd hun beweerd regt vau eigendom uit te oefenen , en zij alsdan dit regt konden en moesten doen gelden tegen den houder , derhalve tegen den schipper, onder wien het hun toebehoorende berustte, en dit vau deze moesten opvorderen ;

O., dat, indien daarentegen de speciaal genoemde 3.i0 balen rijstmeel moeten geacht worden als aan den schuldenaar der geïntimeerden toebehoorende , en dus onvoorwaardelijk onder het beslagene te zijn begrepen , — eensdeels de appellanten, die beweren van 250 balen , en dus slechts van een geueelte, eigenaars te zijn, uiet van de geïntimeerden konden eischen, zoo als dit door hen is geschied , opheffing vau liet beslag voor het geheel, waartoe de door hen aangevoerde omstandigheid, dat ook het meerdere niet zou zijn het eigeudom van der geïntimeerden schuldenaar, hun geen regt kon geven, en anderdeels, dewijl de schipper niet mede door de appellanten is opgeroepen en dus geen partij is in het geding, de regter aan dezen geen last zou kunnen geven tot uitlevering, noch ook de appellanten magtigen om , door tegen hem aan te wenden middelen van executie, zich in het bezit te stellen ;

O., dat derhalve de appellanten bij het aangevallen vonnis teregt zijn verklaard niet-ontvankelijk in hunne tegenwoordige vordering , en daaruit voortvloeit, dat hunne subordinate conclusie in hooger beroep, om te worden toegelaten tot het bewijs door getuigen van feiten, die tot de hoofdzaak zouden betrekkelijk zijn, voor geene toewijzing vatbaar is;

Gelet op art. 629 B. W., en de artt. 735 en volg. en 56 B. 11.;

Doet te niet het hooger beroep; en, afwijzende de subordinate conclusie vau de appellanten, otn tot bewijs door getuigen te worden toegelaten, bevestigt het vonnis, door de Arrond.-Regtbank te Rotterdam op den 27 Nov. 186 7 tusschen partijen gewezen, waarvan is geappelleerd; beveelt mitsdien, dat dit vonnis gehéél en volkomen gevolg zal hebben, en veroordeelt de appellanten in de kosten, in hooger beroep gevallen.

(Gepleit voor de appellanten Mr. a. de Pinto , en voor de geïntimeerden Mr. a. al. van Stipkiaan Luïscius.)

PROVINCIAAL GEREGTSHOF IN NOOORDHOLLAND.

Raadkamer van den 6 Februarij 1868.

Voorzitter, Mr. J. M. van Maanen.

Faillissement. — Regter-commissaris. — Hooger beroep.

Accoord. — Deliberatie. — Belemmering. — Tweede

verificatie. — Verwijzing. — Geschil.

Diligente crediteuren.

Kan de regter-commissaris in een faillissement op de tweede verificatie-vergadering, de bepaling van den dag der nadere bijeenkomst, om te raadplegen en te beslissen over een in die vergadering aangeboden accoord, uitstellen , totdat in kracht van gewijsde zal zijn gegaan het vonnis betrekkelijk de naar de Regtbank mede op die vergadering gerezen geschillen over vorderingen van ter eerste verificatie wèl verschenen en dus volkomen diligente schuldeischers ? — Ja.

Is de Regtbank bevoegd dergelijke beschikking op verzoek van een der crediteuren buiten effect te stellen en te bevelen, dat de regter commissaris een dag bepale ter raadpleging en beslissing over het accoord; oj zijn in den regel de beschikkingen van den regtercommissaris onderworpen aan hooger beroep bij het Hof, waaronder zijne Regtbank ressorteert '> — In laatsten zin beslist.

Kan het Hof, waarbij geappelleerd is, niet van de beschikking van den regter-commissaris, maar van die, waarbij de Regtbank zich teregt onbevoegd verklaarde, die beschikking vernietigen en de zaak naar de Regtbank terugwijzen o/ aan zich houden'! Neen.

Aan het Prov. Geregtshof in JVoordholland

geven met verschuldigden eerbied te kennen: M. Wolff c. s allen kooplieden le Amsterdam :

dat zij zich bij requeste, op de gronden, aldaar vermeld, hebben

gewend tot de Arrond.-Regtbank te Haarlem, met verzoek om -

met buiten-effect-stelling van de beschikking van den Edel Achtb. heer regter-commissaris in het faillissement van G. I). Al. Weddepohl te Zanavoort, waarbij de regter-commissaris op de tweede verificatievergadering de bepaling van den dag der nadere bijeenkomst ter raadpleging over een aangeboden accoord heeft uitgesteld , totdat het vonnis betrekkelijk de op deze tweede vergadering naar de Regtbank verwezen geschillen in kracht van gewijsde zou zijn gegaan, — te bevelen, dat door Z. Ed. Achtb., met inachtneming van de beslissing der Regtbank , een dag worde bepaald ter raadpleging en beslissing over het aangeboden accoord overeenkomstig art. 837, al. 3, W. K.; dat de Regtbank zich, bij vonnisse dd. 10 Jan. 1868 , ten deze

ouuevoegu neeit verklaard;

dat requestranten, zich met deze beschikking bezwaard gevoelend6» bij deze de vrijheid nemen van haar in hooger beroep te komen op de navolgende gronden :

dat de regter-commissaris in een faillissement is de gedelegeerd0 der Regtbank ;

dat het dien ten gevolge van zelf spreekt, dat zijne beschikkingen en handelingen onderworpen zijn aan de voorziening van het committerend collegie ;

dat de wet dit in sommige gevallen ten overvloede uitdrukkelijk bepaalt, gelijk onder anderen in art. 813, al. 3, W. li.;

dat het vooischrift van art. 813, al. 3, TV, K. geenszins is eene uitzondering, gelijk de regter a quo vermeent, maar de toepassing vau den algemeenen regel, dat tegen elke beschikking voorziening ol appel is toegelaten, voor zooverre dit niet uitdrukkelijk is uitgezonderd ;

dat dit onder anderen blijkt uit de bepalingen omtrent de rangschikking , die, door den regter-commissaris opgemaakt, ook eene beschikking van dezen is , en waartegen ieder erkend schuldeischei' bij de Regtbank in verzet kan komen ;

dat uit het voorschrift der wet, dat de regter-commissaris den tijd. bestemd voor de werkzaamheden in het faillissement, bepaalt, alleen voortvloeit, dat hieromtrent geene beslissing der Regtbank v'ereischt wordt, inaar geenszins dat eene met de wet en de belangen van den boedel strijdige beschikking van den regter-commissaris op geene wijze zou kunnen worden verbeterden hersteld;

dat ook door de requestranten niet is verzocht, dat de Regtbank zelve den dag der nadere bijeenkomst zou bepalen, maar alleen dat zij den regter-commissaris met buiten-etfect-stelling van zijue beschikking zou bevelen, met inachtneming van hare beslissing, daartoe over te gaan ;

dat, waar de wetgever bepaalt, dat een op eene tweede verificatievergadering gerezen geschil, de raadpleging en beslissing over het accoord , noch de vereffening des boedels kan belemmeren , en de regter-commissaris, deze bepaling voorbijziende, de bepaling van den dag, waarop over het accoord geraadpleegd zal worden, opschort tot na de beslissin g over het geschil,—• het niet overeenkomstig ue bedoeling des wetgevers kau zijn, zoodanige beschikking van den regter commissaris, daarenboven gegeven in weêrwil van het verzoek°der belanghebbenden, van kracht te doen blijven, en elke voorziening daartegen uit te sluiten ;

dat hierdoor aan den regter-commissaris eene bijna discretionnaii'6 magt zou worden toegekend om de wet al ol' niet toe te passen, eene magt, die hij ongetwijfeld niet bezit;

dat dergelijk systeem ten eenemale verwerpelijk is, daar het niet is aan te nemen, dat er in ^Nederland een regter zou bestaan, die niet slechts zou zijn alleen-regter, maar wiens uitspraken en beschikkingen aan geenerlei voorziening, noch van Regtbank , noch van Mol, noch van Hoogen liaad, zouden zijn onderworpen, ook dan, wanneer die uitspraken en beschikkingen in lijnregten strijd zijn met de wet;

liedenen waarom zij U Ed. Gr. Achtb. eerbiedig verzoeken, dat het U Ed. Gr. Achtb. moge behagen, het vonnis a quo te vernietigen, en de zaak te verwijzen naar de Arrond.-Regtbank te Haarlem, tentinde, met inachtneming van uwe beslissing, ten principale op het verzoekschrift regt te doen, ofte wel dat het den liove moge behagen , doende wat de Regtbank had behooren te doen, overeenkomstig het bij de Regtbank ingediend verzoekschrift te beschikken.

'tWelk doende enz.

(jyet.) H. P. Loggere , procureur.

Het Hof enz.,

Gezien het verzoekschrift, den llove ingediend door M. Wolff c s.; Gelet op de conclusie van den proc.-gen. tot afwijzing van het gedaan verzoek der requestranten ;

Overwegende, dat de requestranten zich bij verzoekschrift tot de Arrond.-Regtbank te Haarlem gewend hebben, ten fine zij buiten effect zoude stellen de beschikking van den heer regter-commissaris, waarbij deze, op de tweede vergadering ter verificatie der schuldeischers in het faillissement van G. D. M. Weddepohl, de bepaling van den dag der nadere bijeenkomst, om te raadplegen en te beslissen over een in die vergadering aangeboden accoord, heeft uitgesteld, totdat het vonnis, betrekkelijk de naar de Regtbank mede op die verificatie gerezen geschillen, betreffende vorderingen van A. W. C. Kuneman, in kracht van gewijsde zal zijn gegaau ; wijders met bevel op den heer regter-commissaris om, met inachtneming vau de beslissing van de Regtbank , een dag te bepalen ter raadplegingen beslissing van het aangeboden accoord, overeenkomstig art 837, al. 3, W. K.;

dat gemelde Regtbank, bij dispositie vau 10 Jan. 1868 , op de gronden, daarin vermeld, zich ten deze onbevoegd verklaard heeft;

dat de requestranten daarvan iu hooger beroep gekomen zijn en,' op de motieven , in hun verzoekschrift uiteengezet, geconcludeerd hebben tot vernietiging van het vonnis a quo en tot verwijzing deizaak naar de Arrond.-Regtbank te Haarlem, ten einde, met inachtneming van 'sHofs beslissing, ten principale op het request re«t te doen ofte wel dat het den Hove moge behagen, doende wal de Regtbank had behooren ie doen, overeenkomstig het bij dezelve ingediend verzoekschrift te beschikken ;

O. in regten:

dat de Regtbank te Haarlem zich heeft onbevoegd verklaard kennis te nemen van het door de appellanten aan haar gedaan verzoek;

dat de regter-commissaris in den kring zijner bemoeijingen, waartoe het bepalen der accoord-deliberatie behoort.de Regtbank vervangt;

dat deze stelling medebrengt, dat de beslissing van den re°-tercommissans geldt als beslissing der Regtbank, teuzij door speciale wetsbepaling nadere beoordeeling door de Regtbank zelve directelijk oi mdirecielijk is toegelaten;

dat hieruit volgt, niet dat de beschikkingen van den regter-commissaris aau geenerlei beroep onderworpen zijn , maar dat in den regel zoodanig beroep behoort bij het Hof, waaronder de gepretendeerde Regtbank ressorteert, even ais het Hof in hooger beroep kennis neemt van de uitspraken van den president der Regtbank volgens art. 295 U. R.; ^

0., dat, ofschoon dus dit Hof in beginsel te cognosceren heeft over bet aan de Regtbank te Haarlem gedaan verzoek zelf, en bepaaldelijk over de vraag, of de bij art. 831 j". 830 W. li. bevolen met-belemmering der accoord-deliberatie van toepassing is op een ter tweede verificatie gerenvoyeerd geding over vorderingen van ter eerster verificatie wel verschenen schuldeischers, en die dus volkomen diligent zijn, nogtans het Hof zich ten deze te bepalen heeft tot afwijzing van het aan het Hof gedaan verzoek, zoo als het is iiggende;

uat, wel is waar, de appellanten ook aan het Hof verzoeken, overeenkomstig het bij de Regtbank ingediende request te beslissen , maar dat I". dit verzoek wordt gesubordonneerd aau de vernietiging van de^ beslissing oer Regtbank, die zich teregt onbevoegd verklaard eet, 2'. niet van de beschikking des regters-commissaris, maar vau de beschikking der Regtbank aan dit Hof is geappelleerd, met welk verschil zamenhangt, dat (indien dit beginsel regtens kou zijn) het Hol, doende wat de Regtbank had behooren te doen, *s regterscommissaris beschikking buiten effect zou kunueu stellen, terwijl het Hof integendeel beslist, dat de Regtbank gedaan heefr. wat h«hi.nrde.

namelijk zich onbevoegd verklaard;

Uezien art. 345 B. R.: